Zevachiem-index

DAF-Notities Nr. 111 Zevachiem 70b
Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

 

Daf 70b

Het onthoofde zoenoffer

Het lijk van een dier dat is doodgegaan op andere manier dan door sjechita is nevela, en dat veroorzaakt toema rituele onreinheid bij iemand die het aanraakt of draagt. Een uitzondering op deze regel is het lijk van een eĝla aroefa het kalf dat onthoofd werd als gevolg van een onopgeloste moord.

De Tora beschrijft het ritueel voor de stad die het dichtst bij het lijk gelegen is van de dood gevonden man, en wiens moordenaar niet bekend is. De bestuurders van die stad moeten een kalf onthoofden en verklaren dat zij niet nalatig zijn geweest  in het verstrekken van voedsel voor het slachtoffer, noch voor wat betreft zijn begeleiding, waardoor zij enige verantwoordelijkheid voor zijn dood zouden hebben (Dewariem 21:1-9).

Eén zin die in deze afdeling van Tora gebruikt wordt, leidde de Leerschool van Rabbi Jannai ertoe om te concluderen dat het karkas van het onthoofde kalf niet de rituele onreinheid kan veroorzaken van een nevela. Jullie zult worden vergeven voor dit bloedvergieten, belooft G-d aan degenen die dit ritueel uitvoeren. Dit gebruik van een uitdrukking voor verzoening wordt elders in Tora aangetroffen met betrekking tot een offer, waarvan het doel is om verzoening te verkrijgen voor een zondaar. Net zoals een dier dat geofferd wordt niet de status heeft van een nevela, zo geniet ook dit onthoofde kalf ook al werd het niet op rituele wijze geslacht dezelfde uitzondering voor wat betreft dat het niet de bron is voor rituele onreinheid.