Zevachiem-index

DAF-Notities  – Zevachiem 76b
Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Daf 76b Als lieflijke geur mag je het niet verbranden maar je mag het wel verbranden als hout

Het dilemma van het mengsel

Het vlees van het chataat- [zond-] offer wordt door de kohaniem gegeten, en het vlees van een ola [brandoffer] wordt volledig door het vuur op het altaar verteerd. Een interessant probleem ontwikkelt zich wanneer delen van een chataat en die van een ola door elkaar raken. Er is geen eenvoudige oplossing door ze allemaal te verbranden, want de Tora verbiedt om iets op het altaar te verbranden dat is overgelaten om op te eten, nadat het verplichte deel ervan al op het altaar is verbrand. Daar de vette ingewanden van het chataat reeds op het altaar geofferd zijn, kan het resterende vlees niet ook verbrand worden. De noodzaak om de lichaamsdelen van het ola te verbranden en het verbod om de lichaamsdelen van het chataat te verbranden scheppen dus een halachische impasse.

Rabbi Eliëzer echter had een oplossing. Het verbod om het vlees van een chataat te verbranden is afgeleid van het vers in Wajjikra [2:11|. Daar wordt verboden om gegiste producten of honing op het altaar te offeren en dat verbod wordt gegeven in een zin die een verbod suggereert op het offeren van alles wat reeds gedeeltelijk verbrand is. In de volgende zin herhaalt de Tora dit verbod echter door te benadrukken dat het „niet op het altaar zal komen tot lieflijke geur.” Rabbi Eliëzer concludeert hieruit dat de ban om het vlees van een chataat te offeren alleen geldt wanneer het de bedoeling is om het te offeren als „lieflijke geur”  voor G‑d, want G‑d heeft duidelijk gezegd dat het daarvoor niet gebruikt mag worden. Wanneer wij het chataat-vlees als een soort brandhout voor de brandstapel van het altaar beschouwen, zo beweert hij, dan geldt dit verbod niet. Daarom is het toegestaan om de bundel met door elkaar geraakte ledematen van het ola en chataat op het vuur van het altaar te plaatsen, waarbij wij het vlees van het chataat als brandstof beschouwen en niet als offervlees.