Zevachiem-index

DAF-Notities Nr. 113 – Zevachiem 77a
Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

 

Daf 77a

De dubieuze zondaar

De Talmoed noemt het standpunt van Rabbi Eliëzer betreffende het offer dat bekend staat als  asjam taloei en er wordt een suggestie gedaan dat degene die met hem van mening verschilt (en welke mening als halacha wordt geaccepteerd) Rabbi Sjim’on is.

Het asjam taloei wordt genoemd in Wajjikra 5:17-19.  Het is een offer dat gebracht wordt door iemand die in twijfel verkeert of hij wel of niet een onvrijwillige overtreding heeft begaan. Het klassieke voorbeeld is van iemand die voor zich twee stukken vet vlees had liggen, en één daarvan heeft hij gegeten. Achteraf blijkt dat slechts één van de twee stukken kosjer was, maar dat het andere verboden was om te eten op straffe van kareet (vroegtijdige dood) wanneer dat met opzet zou worden gegeten, terwijl bekend was dat het verboden was. Hij weet niet welke van de twee hij gegeten heeft, het kosjere of het verbodene. Daarom brengt hij een asjam taloei (een schuldoffer uit twijfel), totdat hij weet of hij het verboden stuk vlees inderdaad gegeten heeft, en zo ja, dan moet hij alsnog een normaal chataat [zondoffer] brengen.

Rabbi Eliëzer redeneert dat het asjam taloei niet gezien kan worden als een verplicht offer, want indien het dat wel was, dan zou het de noodzakelijke verzoening geven en zou later niet nog een chataat-offer gebracht hoeven te worden. Hij beslist daarom dat iemand iedere dag vrijwillig een asjam taloei mag offeren voor het geval hij misschien onvrijwillig en onbewust een overtreding heeft begaan, waarvan hij niets afweet.

Zijn visie wordt echter verworpen, want wij zien nergens dat een zondoffer vrijwillig gebracht wordt. De reden waarom iemand verplicht is zo’n offer te brengen, nog voordat hij zeker is of hij het verboden vlees gegeten heeft, is omdat de Tora medelijden heeft met de onvrijwillige zondaar en hem de gelegenheid geeft de bescherming van een offer te krijgen tegen enig lijden dat hij verdient wegens zijn zorgeloosheid [hij had beter moeten opletten], totdat hij ontdekt dat hij werkelijk onvrijwillig een zonde begaan heeft, en pas dan ontvangt hij de absolute vergiffenis door middel van het chataat.