Zevachiem-index

DAF-Notities Nr. 120 Zevachiem 91b
Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

 

Daf 91b

Het springende kooltje

De Tora eist dat er permanent een vuur brandt op het altaar in het Beit Hamikdasj, het verbiedt tweemaal dat het niet mag uitdoven (Wajjikra 6:5-6). Dit verbod geldt niet alleen voor de vlam die brandt op het altaar, maar het betekent ook dat men geen brandend kooltje van het altaarvuur mag afhalen en dat uitdoven.

Deze regel, die in onze Gemara geciteerd wordt in naam van Rabbi Nachman, die de geleerde Rabba bar Avoeho citeert, schijn in strijd te zijn met iets dat wij eerder in een misjna (Zevachiem 86a) leerden. Daar staat dat een kool dat van het altaar op de vloer van de voorhof springt, niet op het altaar hoeft worden teruggelegd en mag uit zichzelf daar beneden uitbranden. De reden die hiervoor gegeven wordt is dat wanneer het materiaal, dat als brandstof gediend heeft, eenmaal het stadium van houtskool bereikt heeft, beschouwen wij het, alsof het zijn rol voor de mitswa heeft vervuld. Indien dat zo is, waarom wordt een kool die van het altaar verwijderd wordt, beschouwt alsof hij zijn mitswa nog aan het vervullen is en mag het niet gedoofd worden?

Tosefot behandelt dit probleem en suggereert dat er een verschil is tussen een kool die van het altaar afspringt en één die door iemand daarvan verwijderd wordt. Hoewel er geen uitleg voor dit verschil gegeven wordt, lijkt het erop alsof het gebaseerd is op datgene wat wij beschouwen als de uiteindelijke vervulling van de rol van het kooltje als een mitswa-object. Daar het een natuurlijk gebeuren is dat een kooltje uit een brandend vuur springt, zeggen wij dat het dan zijn functie vervuld heeft, wanneer dit gebeurt. Menselijke interventie echter vindt plaats voordat de bedoelde rol is vervuld en de daaropvolgende uitdoving van het kooltje is een overtreding van het Tora-verbod.