Daf Jomi Archief Traktaat Berachot

Aanmelden

Aan de orde van de dag

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Berachot

Door Zwi Goldberg

Berachot 30a

Tefillat Hadèrech

a. Abbajjé heeft gezegd dat men de Tefillat Hadèrech in het meervoud moet zeggen: „ Moge het Uw wil zijn, Hasjem, onze G-d, dat U ons leidt naar vrede, enz.” [En zo in onze gewoonte.]

b. R. Jaäkov heeft gezegd: Men zegt de Tefillat Hadèrech niet in de stad, maar zodra men buiten de stad is, voorbij de laatste huizen en binnen een afstand van een parsa [8.000 amot =  ± 4 km]. Wie het daarna zegt is als iemand die zonder toestemming te vragen aan Hasjem op weg is gegaan. Men zegt het staande, maar volgens Rav Sjesjet mag men het ook zeggen terwijl men reist, indien het zou betekenen dat als men blijft staan, om het te zeggen, men het reisgezelschap ophoudt.

Het verschil tussen het korte gebed en Havineinoe

We hebben geleerd dat men op reis een verkorte versie van de tefilla kan zeggen en verder heeft de Gemara het gehad over Havineinoe. Het verschil tussen de twee is, dat Havineinoe een vervanging is voor de gewone tefilla, men zegt de eerste drie en de laatste drie berachot van de Sjemonee Esree en daar tussenin Havineinoe en als men thuis komt, hoeft men niet meer de hele Sjemonee Esree te zeggen. Maar als men het verkorte gebed zegt, zegt men niet de eerste drie en de laatste drie berachot, en als men thuis komt, moet men alsnog de hele Sjemonee Esree zeggen [en als het dan te laat is, moet men het bij het volgende gebed tweemaal zeggen]. En verder moet men Havineinoe staande zeggen, terwijl men het korte gebed ook mag zeggen terwijl men reist.

[Normaliter zegt men de gehele Sjemonee Esree. Alleen onder bepaalde omstandigheden mag men Havineinoe of het verkorte gebed zeggen, en wel als men op reis is of in andere noodsituaties mag men in plaats daarvan Havineinoe zeggen. En alleen als ook dat nog te gevaarlijk is mag men het verkorte gebed zeggen, zodat men toch iets gezegd heeft, maar dat vervangt de Sjemonee Esree niet.]

Het gebed tijdens de reis

De Gemara beslist een halacha: Rav heeft gezegd dat de Halacha Rebbi volgt, die gezegd heeft dat als iemand op een ezel rijdt en de tijd voor de tefilla is aangebroken, hij zittend op de ezel zijn tefilla mag zeggen, omdat, wanneer hij afstapt, hij bezorgd is over het tijdverlies en hij zich daardoor niet op zijn tefilla kan concentreren.

De richting waarin men davvent

Men moet davvenen in de richting van de Tempel. Wie buiten Israël davvent, richt zich in de richting van Erets Jisraël, wie binnen Erets Jisraël davvent, richt zich naar Jeruzalem en wie in de Tempel davvent, richt zich op het Heilige der Heiligen. Dus wie in het oosten staat, richt zich naar het westen, wie in het westen staat richt zich naar het oosten, wie in het noorden staat, richt zicht naar het zuiden en wie in het zuiden staat, richt zich naar het noorden. Wie blind is, of geen richting weet, richt zijn hart op de Hemel.

Als men vroeg op reis gaat

Als men vroeg op reis moet gaan, mag men de Sjemonee Esree al zeggen zodra het eerste ochtendlicht zichtbaar is en men zegt dan Sjema onderweg, wanneer het voldoende licht is [ook al betekent dit dat men dan de geoela – de tweede beracha na Sjema – niet kan verbinden met de Sjemonee Esree. Zie Sj.A.O.Ch. 89:8].

Een Baraita vult aan dat men, wanneer men vroeg op reis gaat, op Rosj Hasjana eerst op de sjofar blaast, op Soekot eerst men de Loelav zwaait en op Poeriem eerst de Megilla leest, voordat men opreis gaat.

Moesaf

Misjna – Rabbi Elazar ben Azarja zegt: men davvent Moesaf  alleen samen met de gemeenschap [d.w.z. in een minjan van tien man en niet alleen], maar de Geleerden zeggen: men davvent moesaf zowel in minjan als alleen. Rabbi Jehoeda zegt in naam van R. Elazar ben Azarja: een enkeling is vrijgesteld van moesaf  als er in de stad een minjan  is dat moeaaf davvent.

GemaraDe Gemara licht het standpunt van R. Jehoeda toe: Volgens de Tanna Kamma meent R. Elazar ben Azarja dat iemand in een stad zonder minjan geen moesaf  hoeft de davvenen, maar volgens R. Jehoeda meent R. Elazar ben Azarja dat hij dat wel verplicht is en alleen is vrijgesteld als een minjan moesaf davvent.

De Gemara vermeldt vervolgens een uitgebreide discussie volgens wie de halacha is. Volgens sommige Amoriem is de halacha volgens R. Jehoeda, volgens anderen volgens de interpretatie van de Tanna Kamma en volgens weer anderen volgens de Geleerden. [De Sjoelchan Aroech O.Ch. 286:2 beslist dat ieder individu verplicht is Moesaf te davvenen, ongeacht of er wel of geen minjan in de stad is (dus volgens de Geleerden).]


 

Berachot 30b

Als men niet gedavvend heeft

a. R. Eliëzer heeft gezegd: Wanneer men voelt dat men zich niet kan concentreren, moet men niet davvenen.

b. Een Baraita: Wie tijdens maäriv op Rosj Chodesj vergeten is Jaälee wejavo te zeggen, die hoeft de tefilla niet over te zeggen, want hij kan het de volgende ochtend nog zeggen, tijdens sjacharit.

c. Wie tijdens sjacharit vergeten is Jaälee wejavo te zeggen, hoeft de tefilla ook niet over te zeggen, want hij kan nog moesaf davvenen [en daarin wordt Moesaf genoemd].

d. Als iemand het ook niet tijdens moesaf zegt [d.w.z. hij davvent een gewone tefilla en niet de speciale moesaf van Rosj Chodesj] dan kan hij het nog tijdens mincha zeggen en hoeft hij de tefilla dus niet opnieuw te zeggen.

Rabbi Chia bar Abba verklaart de Baraita nader: dit geldt alleen voor een gemeenschap maar wie alleen davvent moet wel de tefilla overzeggen als hij Jaälee wejavo vergeten is. [Wie in een minjan davvent, hoort Jaälee wejavo bij de herhaling van de chazan en bovendien kan hij het nog eens zelf zeggen bij het volgende gebed. Een andere verklaring: de regeling van de Baraita geldt alleen voor de herhaling van de chazan, opdat hij de gemeenschap niet belast. En zo is de halacha. Een individu moet het overzeggen.]

e. Wanneer men zich vergist heeft bij het davvenen en de tefilla moet overzeggen, mag men dat doen, zodra men zich daarop kan concentreren [dat wil zeggen dat men even moet wachten zolang als men nodig heeft om vier amot te lopen (Tosafot), Sj.A. 105].

f. Rav Anan heeft gezegd in naam van Rav: Wie tijdens maäriv vergeten is Jaälee wejavo te zeggen, hoeft de tefilla niet over te zeggen, want de nieuwe maand werd vroeger in de Tempel door het Sanhedrin alleen overdag uitgeroepen en nooit ’s avonds. En de uitspraak van Rav geldt zowel als de vorige maand 29 als 30 dagen telde [in het laatste geval zijn er dan twee dagen Rosj Chodesj].


 

HOOFDSTUK VIJF – EIN OMDIEM

(Men gaat niet staan)

Onderdanigheid bij het gebed

Misjna Men gaat niet staan [voor de Sjemonee Esree ] als men geen zwaar hoofd heeft [dus men gaat niet lichthoofdig davvenen]. De vromen van vroeger concetreerden zich eerst een uur voordat zij begonnen te davvenen, opdat zij hun hart konden richten op hun Vader in de Hemel. [Dit doen wij nu, door, voordat we de Sjemonee Esree zeggen, eerst de ochtendberachot, de Korbanot, de Psoekei deZimra en Sjema met zijn berachot zeggen, hetgeen alles bij elkaar ook bijna een uur duurt als men het rustig en met concentratie zegt.]

Zelfs als de koning iemand groet, die Sjemonee Esree davvent, mag hij hem niet antwoorden en zelfs al kronkelt zich een slang om zijn been, dan mag hij niet onderbreken. [Dit wordt in de Gemara toegelicht.]

GemaraDe Gemara vraagt hoe we weten dat men alleen met een zwaar hoofd davvent.

1e antwoord (R. Elazar): Van Channa’s gebed (I Sjmoeël 1:10) waar vermeld wordt dat Channa verbitterd was omdat zij geen kind kon krijgen.

2e antwoord (R. Jossi, de zoon van R. Chanina): Tehilliem 5:7, waar David zegt dat hij zich in het Heiligdom met grote vrees voor Hasjem neerwerpt.

3e antwoord (R. Jehosjoea ben Levi): Tehilliem 29:2: „Werp jezelf neer voor Hasjem in heilige pracht [behadrat kodesj].” Lees niet behadrat – in pracht – maar lees: becherdat – in ontzag.

De Gemara werpt tegen: Misschien betekent het gewoon behadrat – pracht – en moet men zich mooi aankleden voordat men gaat davvenen [en dat is de gewoonte van Tora-geleerden en hun leerlingen (Sj.A.O.Ch. 91:6)].

Na de vorige drie suggesties verworpen te hebben geeft de Gemara een vierde bron:

4e antwoord (Rav Nachman bar Jitschak): We leren het van Tehilliem 2:11: „Dien Hasjem met vrees en verheug u in ontzag.”

De Gemara vraagt: Wat betekent: „En verheug u in ontzag”?

R. Adda bar Matna antwoordt: Men moet zowel vreugde als ontzag hebben. [De vreugde moet niet overdadig zijn, maar gedempt worden door ontzag.]

&