Daf Jomi Archief Traktaat Berachot

Aanmelden

Aan de orde van de dag

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Berachot 31

Door Zwi Goldberg

Het breken van een beker ter herinnering aan de Verwoesting

De Gemara vertelt, dat toen Mar, de zoon van Rawina een feest gaf ter gelegenheid van het huwelijk van zijn zoon, hij zag hoe de Rabbijnen uitgelaten vrolijk waren. Daarop bracht hij een kostbare  beker, die vier­hon­derd zoez waard was en brak die in hun bijzijn. Dat maakte hen bedroefd.

Rav Asji nam een wit-glazen beker en brak die op het huwelijksfeest van zijn zoon en iedereen was bedroefd.

Rabbi Jochanan heeft gezegd in naam van Rabbi Sjimon ben Jochai: „Het is een mens verboden om zijn mond in deze wereld te vullen met gelach, want er staat geschreven [Psalmen 126:2]: ‘Dan zal onze mond gevuld zijn  met gelach en onze tong zal zingen.’ Wanneer zal het gepast zijn om te zingen? Dan, dat wil zeggen, tegen de tijd dat de volken zullen zeggen: ‘Hasjem heeft grote dingen met hen gedaan’” [d.w.z. als de ballingschap voorbij is, maar zolang die nog niet voorbij is, lacht men niet].

Voorbereiding tot de tefilla

De Rabbijnen leerden in een Baraita: Met moet niet beginnen Sjemonee Esree te davvenen middenin een rechtzaak, noch tijdens een verhitte discussie over een halacha, maar nadat men een duidelijke halachische uitspraak geleerd heeft, waarover geen discussie is, zodat men tijdens zijn tefilla niet afgeleid wordt doordat men aan de discussies moet denken.

Zo ook moet men niet davvenen als men bedroefd is, niet uit luiheid, noch te midden van gelach, noch te midden van loos gepraat, noch te midden van lichtzinnigheid, maar met de opgewektheid ten gevolge van een mitswa die men gedaan heeft.

Afscheid

Men moet geen afscheid nemen van een vriend, zegt de Gemara, na afloop van een loos gesprek, noch te midden van gelach of lichtzinnigheid, maar na een halachische discussie [zodat men nog eens aan die inte­ressante discussie terugdenkt]. Dit blijkt, zegt de Gemara uit het gedrag van de Profeten, die hun woorden altijd besloten met woorden  van lof of troost. [Maharats Chajot schrijft dat uit het vervolg van de Gemara blijkt dat dit niet alleen geldt voor halachische discussies, maar ook voor discussies over Aggada.]

De Gemara leert verder over het gedrag bij de tefilla, dat Rabbi Akiwa zijn tefilla gewoon was in te korten als hij in een minjan davvende, om de mensen niet te lang op hem te laten wachten.

Ramen in de synagoge

De bron van de Halacha dat men ramen moet maken in een synagoge, komt van een gebeurtenis met Daniël.

In het begin van zijn regering verbood Koning Darius dat men tot andere goden zou bidden dan tot zijn eigen afgoden. Daniël ging echter door met tot G-d te bidden, zoals hij voorheen gewend was en dat deed hij op een verborgen zolderkamer, met ramen, waardoor de hemel te zien was, en die gericht waren op Jeruzalem. Daar davvende hij driemaal per dag. Daarvan leren wij dat men moet davvenen in een huis of gebouw met ramen, zodat hij de hemel kan zien, hetgeen hem helpt zich op zijn tefilla te concentreren.

Wij leren vervolgens van Daniël [Daniël 6:1] dat men driemaal per dag davvent, en wel met zijn gezicht gericht naar Jeruzalem.

Tefillat Channa

1. Rav Chamnoena zei: Hoeveel belangrijke halachot kan men leren van Channa?

2. [Channa, de moeder van de Profeet Sjmoeël, was onvruchtbaar en voelde zich daarom bitter gestemd. Zij ging met haar echtgenoot naar het Misjkan, dat toen in Sjilo stond, om daar Hasjem te smeken dat Hij haar een kind zou schenken. Bij een zo´n gelegenheid zag Eli, de Kohen Gadol haar en de volgende conversatie ontspon zich (I Sjmoeël 1:12-17):

Het gebeurde dat toen zij voortging met te bidden tot Hasjem, Eli zag hoe haar mond bewoog. Channa sprak in haar hart – alleen haar lippen bewogen, maar haar stem was niet te horen. Daardoor dacht Eli dat zij dronken was. Eli zei tegen haar: „Hoelang zal jij dronken zijn? Verwijder je van de wijn.” Channa antwoordde en zei: „Nee, mijn heer, ik ben een vrouw met een bedroefde ziel, ik heb noch wijn noch enige andere sterke drank gedronken, maar ik heb mijn ziel uitge­gooid voor Hasjem. Beschouw uw dienares niet als iets minderwaardigs, want het is ten gevolge van veel ver­driet en boosheid dat ik tot nu toe gesproken heb.” Daarop zei Eli: „Ga in vrede en moge de G-d van Israël je verzoek inwilligen.”

2. Channa sprak in haar hart  – Hiervan leren wij dat men zijn tefilla met zijn hart moet zeggen.

Alleen haar lippen bewogen – Hiervan leren wij dat degene die davvent, de woorden met zijn lippen moet uitspreken.

3. Maar haar stem was niet te horen – Hiervan leren wij dat het verboden in zijn stem tijdens de tefilla te verheffen.

4. Daardoor dacht Eli dat zij dronken was. Eli zei tegen haar: „Hoelang zal jij dronken zijn? Verwijder je van de wijn – Hiervan leren wij dat een dronkaard niet mag davvenen.

Berachot 31b

5. Eli zei tegen haar: „Hoelang zal jij dronken zijn? – Hiervan leren wij dat wie iets onbehoorlijks bij zijn naaste ziet, hem daarover moet vermanen.

6. Daarop zei Eli: „Ga in vrede en moge de G-d van Israël je verzoek inwilligen Hiervan leren wij dat wie zijn naaste ten onrechte van iets lelijks verdenkt, vrede met hem moet sluiten en hem moet zegenen.

7. Channa zwoor een eed en zei: Hasjem Tsevaot – Hasjem van de Legers – als U aandacht besteedt aan het lijden van Uw dienares en Uw dienares niet vergeet en als U Uw dienares een zoon schenkt, dan zal ik hem aan Hasjem wijden, alle dagen van zijn leven en een scheermes zal niet op zijn hoofd komen.”

R. Elazar zei hierover: Channa was de eerste persoon die G-d aansprak met Hasjem Tsevaot en ze zei eigenlijk: Hasjem Tsevaot, is het, met al Uw legers, te moeilijk voor U om mij één zoon te geven?” In feite dreigde Channa Hasjem, volgens R. Elazar, dat zij zich voor de ogen van haar eigen man met een andere man zou afzonderen, als Hasjem haar geen zoon schonk. En dan zou hij haar verbieden zich met die man af te zonderen. En dan zou ze dat toch doen, voor de ogen van twee getuigen en dan zou ze de bitterwaters moeten drinken. En er staat geschreven [Bamidbar 5:28]: Dan zal bewezen worden dat zij onschuldig is en kinderen voortbrengen!” [De commentatoren vragen hoe Channa, een rechtvaardige vrouw en profetes, een dergelijk onbehoorlijk voorstel kon doen. De Pnei Jehosjoea verklaart dat ze zich alleen maar wilde vergelij­ken met een onfatsoenlijke vrouw, die iets dergelijks zou kunnen doen, om een kind te krijgen en dat Channa vroeg waarom zij, als rechtvaardige vrouw, die zoiets niet zou kunnen doen, door Hasjem zou worden achtergesteld.]

8. De Gemara werpt tegen: R. Elazar veronderstelt dat het vers uit Bamidbar inderdaad bedoelt dat een onschuldige en onvruchtbare vrouw door het bitterwater vruchtbaar wordt, en volgens een Baraita is dat ook de mening van R. Jisjmaël. Maar er zijn anderen die beweren dat het vers bedoelt dat een onschuldige vrouw alleen makkelijker zal bevallen en dat haar nakomelingen van een betere kwaliteit zullen zijn. En zij steunen op de mening van R. Akiva in die Baraita, die tegenwerpt dat als R. Jisjmaël gelijk had, alle onvruchtbare vrouwen zich zouden afzonderen en dankzij het bitterwater vruchtbaar zouden worden en kinderen krijgen.

9. R. Jossi de zoon van R. Chanina geeft een verklaring voor de drievoudige herhaling van het woord ‘dienares’ in Channa’s gebed: Ze zei: U heeft drie testen voor vrouwen geschapen: de mitswot van nidda, challa en het aansteken van de Sjabbat-kaarsen. Wie één daarvan overtreedt is de dood schuldig als er gevaar dreigt, en ik heb geen van deze drie overtreden.”

10. Nadat Channa van een zoon bevallen was, kwam zij terug bij Eli en zei: Ik ben de vrouw die met u stond, te bidden tot Hasjem.” R. Jehosjoea ben Levi verklaart het woord met: zij, Eli en Channa stonden allebei, want het is verboden om te zitten binnen een afstand van vier ammot van iemand die staat te bidden [Sj.A. O.Ch. 102:1].

11. Er staat geschreven [I Sjmoeël 1: Zij [Channa] bracht hem [haar zoontje Sjmoeël] op [naar Sjilo, waar het Misjkan stond] … met drie stieren [om te offeren].” R. Elazar zei: Eli liet een kohen zoeken om de stieren te slachten. Sjmoeël zei daarop tegen Eli dat er geen kohen nodig is om offerdieren te slachten, want er staat niet geschreven dat een kohen moet slachten, maar er staat [Wajjikra 1:5] dat een kohen het naderbij moet brengen, d.w.z. vanaf het opvangen van het bloed en verder is het de taak van de kohen, maar het slachten, wat vóór het opvangen van het bloed gebeurt, mag door een niet-kohen gebeuren. Eli voelde zich beledigd dat Sjmoeël, nog maar een klein kind, dat net van de borst af was en dus hoogstens twee jaar was, hem de les las en wie een halachische beslissing geeft in het bijzijn van zijn leraar is de dood schuldig. Daarom wilde Eli Sjmoeël ter dood laten brengen, maar hij beloofde haar een ander kind daarvoor in de plaats en daarop schreeuwde Channa uit: Ik ben de vrouw die met u stond, te bidden tot Hasjem, voor dit kind heb ik gebeden.” Voor dit kind, niet voor een ander kind.

Sterke argumenten tegen Hasjem

1. R. Elazar geeft een andere interpretatie van het gebed van Channa. Ze zei: „Heer der wereld, U heeft een vrouw gemaakt met ogen om te zien, een neus om te ruiken… en borsten om een baby te voeden. Geef mij een kind, zodat ik mijn borsten kan gebruiken.”

2. Een andere uitspraak van R. Elazar: Wie vast op Sjabbat, tegen hem worden alle negatieve decreten ingetrokken, maar hij wordt gestraft omdat hij de vreugde van Sjabbat heeft verwaarloosd en daarom moet hij verzoening doen door ook nog op een werkdag te vasten.

3. Er staat geschreven [I Sjmoeël 1:10] dat „Zij bad tegen Hasjem,” d.w.z. dat ze met gebrek aan respect bad. [Maar het had wel effect.]

4. R. Elazar zei: Ook Eliahoe sprak met gebrek aan respect tegen Hasjem in I Melachiem 18:37.