Daf Jomi Archief Traktaat Berachot

Aanmelden

Aan de orde van de dag

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Berachot 32

Door Zwi Goldberg

Overdaad schaadt

Nadat de Gemara het gebed van Channa geïnterpreteerd heeft als een verwijt tegen Hasjem, verge­lijkt de Gemara haar woorden met die van Mosjé Rabbeinoe, die als het ware G-d zou hebben verweten dat Hij mede schuldig was aan de zonde van het gouden kalf, want als Hij het Joodse volk niet zo overladen had met goud en zilver bij hun uittocht uit Egypte, hadden zij nooit het gouden kalf kunnen maken. De Gemara vergelijkt het met een vader die zijn zoon van alles geeft en hem verwent en hem voor de deur van een bordeel zet. Kan die zoon er dan wat aan doen dat hij zondigt? Overdaad schaadt, concludeert de Gemara en het bewijs komt van Dewariem 8:11-14: „Pas op… dat je niet, wanneer je zult eten en verzadigt zult zijn en goede huizen zult bouwen… en je vee zich zal vemeerderen en je veel goud en zilver zult hebben, dat dan je hart zich zal verheffen en je Hasjem, je G-d zult vergeten…” En ook van ib. 31:20: „Wanneer zij zullen eten en verzadigd worden en vet worden en zich wenden tot vreemde goden… en zij versmaden Mij en verbreken Mijn verbod.” En ook van ib. 32:15: „Dan wordt Jesjoeroen vet en trapt achteruit.”

De kracht van tefilla

Nadat de Gemara de zonde van het gouden kalf genoemd heeft, gaat het daarop door:

„Hasjem sprak tegen Mosjé: ‘Ga, daal af…’” (Sjemot 32:7).

De Gemara vraagt: Wat betekent dat?

R. Elazar antwoordt: Hasjem zei tegen Mosjé: „Daal af van je hoge positie. Ik heb je die grootheid alleen gegeven ten behoeve van Israël, maar nu heeft Israël gezondigd. Waar heb Ik je nu nog voor nodig?” Onmiddellijk verdween Mosje’s kracht om voor Israël te pleiten. Totdat Hasjem zei: „Laat me los, dan zal ik hen vernietigen.” Toen begreep Mosjé dat de zaak van hem afhankelijk was en dat hij door middel van tefilla de vernietiging van Israël kon verhinde­ren. Onmiddellijk stond hij op, kreeg weer kracht en pleitte voor genade voor Israël.

De Gemara gaat voort met te beschrijven hoe Mosjé zich inspande om G-d tot andere gedachten te brengen en Hem te weerhouden van Zijn plan om Israël te vernietigen en dat Mosjé niet aarzelde om zelfs zijn eigen leven in de waagschaal te stellen, toen hij zei (Sjemot 32:32): „Vergeef hun zonden, en zo niet, wis mij dan uit Uw boek” [uit het boek van de levenden (Rasjbam)].

R. Abahoe zei: Uit het feit dat wij dit alles kunnen lezen in Tora, blijkt dat Mosjé’s woorden effect hadden en dat G-d het Joodse volk niet heeft vernietigd, dankzij het gebed van Mosjé. Hieruit blijkt hoe groot de kracht van tefilla is.

De Almacht van Hasjem

Als Hasjem dreigt Israël te vernietigen, antwoordt Mosjé (Bam. 14:16) dat de volken zullen zeggen dat „Hasjem de capaciteit mist om het volk naar het land te brengen dat Hij hen beloofd had en dat Hij hen daarom in de woestijn geslacht heeft.”

De Gemara vraagt: Waarom staat er dat Hasjem de capaciteit mist en waarom staat er niet eenvoudig: ‘Hasjem kan niet’?

R. Elazar antwoordt: De volken zullen twijfelen aan de Almacht van Hasjem. Zij zullen zeggen: G-d kon het winnen van één koning, Paro, maar niet van de 31 koningen van Kenaän. [M.a.w., de Egyptenaren zouden zeggen: zie je wel, Hasjem is alleen maar de G-d van Israël maar niet van de andere volken. De goden van de andere volken zijn machtiger dan de G-d van Israël. De Naam Hasjem betekent Almachtige en, zouden zij zeggen, Hij heeft niet die capaciteit.]

De indeling van de tefilla

a. R. Simlai verklaarde: men moet altijd eerst Hasjem prijzen voordat  men zijn gebed begint, want zo deed ook Mosjé in Dew. 3:23-25, waarin hij eerst Hasjems grootheid prees en pas daarna vroeg om de Jordaan te mogen oversteken en het Land te bezoeken.

Berachot 32b

b. R. Elazar heeft gezegd: Het gebed is groter dan goede daden [d.w.z. het is effectiever], want niemand had meer goede daden op zijn rekening staan dan Mosjé, en niettemin mocht hij het Land niet in, maar dankzij zijn gebed werd het hem toegestaan het land vanuit de verte te zien.

c. R. Elazar heeft verder gezegd: vasten is sterker  dan het geven van tsaddaka, want vasten doet men met zijn lichaam en tsaddka geeft men met zijn geld.

d. Een derde uitspraak van R. Elazar: Het gebed is groter dan de offers, zoals er geschreven staat [Jesjajahoe 1:11]: „Waar heb Ik jullie talloze offers voor nodig?” en vers 15 gaat verder: „En zelfs als je je handen in gebed vouwt, sluit Ik Mijn ogen voor jou” [d.w.z. dat het gebed kennelijk sterker is, want anders had het niet nog genoemd worden na de offers (Rasji)].

e. R. Jochanan heeft gezegd: „Een Kohen die iemand gedood heeft, mag niet de priesterzegen uitspreken.

f. Een vierde uitspraak van R. Elazar: Sedert de Tempel is verwoest is de Hemelse Poort van het Gebed gesloten [en onze gebeden worden niet meer zo snel beantwoord als voorheen], zoals er geschreven staat [Klaagliederen 3:8]: „Hoewel ik het uitschreeuwde en pleitte, sloot Hij mijn gebed buiten.” Maar de Poort van de Tranen is open, want er staat geschreven [Tehilliem 39:13]: „Hoor mijn gebed, Hasjem, luister naar mijn geroep, wees niet doof voor mijn tranen.” [Er had moeten staan: wees niet blind voor mijn tranen. Nu er staat: „Wees niet doof voor mijn tranen” wordt daarmee bedoeld dat G-d in alle gevallen onze tranen ziet, we hoeven alleen maar te bidden dat Hij ze accepteert (Rasji). Volgens R. Eliahoe Dessler is de „gesloten poort” een metafoor voor ons hart, dat sedert de Verwoesting van de Tempel „gesloten” is. Wij kunnen niet meer met heel ons hart bidden, wij bidden alleen nog met onze lippen, waardoor wij G-d niet meer met onze gebeden kunnen benaderen. Maar als wij vanuit de diepte van ons hart bidden, zodat wij tot tranen toe geroerd zijn, dan kan men resultaten boeken.]

g. Een laatste uitspraak van R. Elazar: Sedert de Tempel verwoest is, staat er een ijzeren muur tussen Israël en onze Vader in de Hemel. [In Pesachiem 85b staat dat „zelfs een ijzeren gordijn ons niet van onze Vader in de Hemel kan scheiden.” Maharsja verklaart deze tegenstelling met de uitspraak van R. Elazar aldus: onze verzoeken worden niet meer zo makkelijk en snel ingewilligt, maar onze woorden van lof, zoals Barechoe en Kaddiesj hebben nog altijd vrije toegang.]

h. R. Chanien zei in naam van R. Chanina: Ieder die uitgebreid bidt, diens gebed heeft gegarandeerd effect. Dit leren we van Mosjé Rabbeinoe, zoals er geschreven staat [Dew. 9:26]: „En ik bad tot Hasjem” en daarna staat er (10:10) „En ik bleef op de berg zoals op de eerste dag, veertig dagen en nachten en Hasjem hoorde mij ook deze keer.” [Dus langdurig gebed is effectief.]

i. De Gemara vraagt: Maar R. Chia bar Abba heeft gezegd dat langdurig bidden slecht is voor het hart. Wat kan men dan daartegen doen?

j. De Gemara antwoordt: Dan moet men Tora gaan studeren, want er staat geschreven: „Tora is een boom des levens voor wie haar grijpt” [Spreuken 3:18].

k. De Gemara verklaart: Alleen als men langdurig bidt en daarom verwacht dat zijn gebeden verhoord worden is er een probleem, want dan zal men in de Hemel eerst zijn verdiensten beoordelen.

l. Een Baraita: Vier dingen vereisen voortdurend vernieuwde aandacht: Tora-studie, goede daden, gebed en levensonderhoud.

Voorbereidingen op het gebed

a. Onze Misjna zegt: De vromen van vroeger bereidden zich een uur voor op het gebed.

R. Jehosjoea ben Levi verklaart: Dit leren we van „Asjrei Josjvei Veitecha – Prijzenswaardig zijn zij die in Uw huis bidden” [Tehilliem 84:5]. [D.w.z. alleen nadat men in het leerhuis Tora geleerd heeft, gaan zij davvenen.] En na de tefilla wachten zij nog een uur, zoals er geschreven staat: „Ach tsaddikiem jodoe lisjmècha jesjvoe jesjariem et-panècha – De rechtvaardigen zullen U danken en zullen daarna nog wat in Uw aanwezigheid blijven” [Tehilliem 140:14]. [Dit vers zeggen we aan het eind van iedere tefilla.] 

Een Baraita zegt dat de vromen van vroeger zich een uur op de tefilla voorbereidden, een uur baden en daarna nog eens een uur nableven. Maar daar men drie maal per dag davvent, betekent dit dat zij negen uur per dag aan het gebed besteedden!? Wanneer hadden zij dan tijd om hun Tora-studie te herhalen en wanneer voorzagen zij in hun levensonderhoud? Echter, omdat zij vroom waren onthielden zij wat zij geleerd hadden en hun arbeid was gezegend. [Wie wil onthouden wat hij geleerd heeft, moet het herhalen, maar dankzij hun vroomheid geeft G-d hen de exra capaciteit om het geleerde te onthouden zonder herhaling en de weinige tijd die zij aan arbeid voor levensonderhoud kunnen besteden is voldoende.]

b. Onze Misjna zegt: Zelfs als de koning hem groet [tijdens het gebed], mag hij niet antwoorden.

Rav Josef zei hierover: Dit geldt alleen voor een Joodse koning, maar als een niet-Joodse koning hem groet, moet hij antwoorden [anders laat hij hem misschien doden].

De Gemara werpt tegen: Er staat in een Baraita: Als iemand staat te davvenen en een schurk komt naar hem toe of hij ziet dat er een wagen op hem af komt, dan mag hij zijn tefilla niet onderbreken, maar hij verkort het en gaat weg. [Dat lijkt in strijd met wat Rav Josef gezegd heeft.]

De Gemara antwoordt: Er is geen probleem. De Baraita heeft het over een situatie waar het mogelijk is om de tefilla te verkorten en Rav Josef heeft het over een situatie waar dat niet kan.

Het gebeurde eens dat een chassied op de weg stond te davvenen en een generaal kwam langs en groette hem, maar de man groette niet terug. De generaal wachtte tot hij klaar was met bidden en begon hem uit te schelden dat hij niet geantwoord had: „Ik had je hoofd eraf kunnen slaan,” dreigde de generaal.

De vrome man antwoordde: „Mag ik het u met mijn eigen woorden uitleggen? Als u voor de keizer staat en een vriend van u komt langs en groet u, groet u dan terug?”

„Nee,” antwoordde de generaal.

„En als u wel zou terug groeten, wat zouden ze dan met u doen?”

„Dan zou mijn hoofd eraf gehakt worden met eeen zwaard,” antwoordde de generaal.

„Wel,” zei de vrome man, „ik stond voor de Koning der Koningen, de Heilige, geprezen is Hij. Hoeveel te meer dat ik niet kon terug groeten!”

De Generaal was tevreden met het antwoord en de vrome man vervolgde zijn weg.