Daf Jomi Archief Traktaat Berachot

Aanmelden

Aan de orde van de dag

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Berachot 33

Door Zwi Goldberg

Onderbreking van de tefilla voor gevaarlijke dieren

De Misjna op daf 30b zegt: en zelfs al kronkelt zich een slang om zijn been, dan mag hij niet onderbreken.

De Gemara verklaart dat dit alleen geldt voor slangen en andere dieren die niet aggressief zijn, maar dieren die wel aggressief zijn, zoals een geïrriteerde slang of schorpioenen, daarvoor mag men zijn tefilla onderbreken en het beest verwijderen. Ook als men een stier tegen komt, kan men zich daar maar het beste zo ver mogelijk van verwijderen en dat geldt, zegt Sjmoeël, voornamelijk voor een zwarte stier in het voorjaar, als hij pas uit de stal is gekomen en het verse gras ruikt, want dan is hij wild.

Rabbi Chanina en de pad

Een Baraita vertelt dat in een zekere plaats er een giftige pad was, die de mensen beet. Ze haalden er Rabbi Chanina ben Dosa bij en die vroeg hen waar de pad was. Zij toonden hem zijn hol en R. Chanina zette zijn hiel op de opening van het hol. Prompt kwam de pad naar buiten en beet in R. Chanina’s hiel, waarop de pad stierf. Hij nam de pad mee naar het leerhuis en liet hem zien aan zijn leerlingen en zei: „Zie, mijn kinderen, het is niet de pad die doodt, maar het is de zonde die doodt.” Sedert dien zei men: „Wee de man die door een pad gebeten wordt en wee de pad die Rabbi Chanina ben Dosa ontmoet.

De tekst van de tefilla

a. Misjna – Men noemt de „kracht van de regen” [1] in de [beracha] techiat hametiem [2], en men vraagt [3] om regen in de beracha van de jaren [4] en havdala [5] [zegt men] in [de beracha] choneen hada’at [6]. Rabbi Akiwa zegt het als een aparte vierde beracha. Rabbi Eliëzer zegt: [men zegt het] in [de beracha] hodaäh. [7]

b. Gemara De Misjna zegt dat we de kracht van de regen noemen in de beracha van de wederopstanding van de doden omdat regen het leven mogelijk maakt, omdat het de land- en tuinbouw producten laat groeien.

c. De Misjna zegt verder dat men om regen vraagt in de beracha van de jaren, de negende beracha van de tefilla, omdat die regens nodig zijn voor levensonderhoud, daarom heeft men hun verzoek in de beracha voor levensonderhoud gezet [dat is de negende beracha].

d. De Misjna zegt dat men de havdala in de beracha Choneen hadaät zegt. Waarom?

Rav Josef verklaart: Omdat, als er geen begrip is, hoe kan er dan havdala zijn? D.w.z. men moet begrip en kennis van G-d hebben om het verschil te begrijpen tussen heilig en profaan. Maar de Geleerden zeggen: omdat de havdala de werkdag inluidt, is de beracha van de havdala in de eerste beracha voor de werkdagen gezet.

De geschiedenis van de havdala

a. De Mannen van de  Grote Vergadering [in de tijd van Ezra] die de tefilla hebben samengesteld, hadden de havdala in de tefilla ingelast, zonder de noodzaak om die over een beker wijn te zeggen, want de mensen waren toen erg arm. Later, toen zij welvarender werden, stelden zij in dat men de havdala over een beker wijn moet zeggen. Toen het volk nog later weer verarmde, herstelde men de havdala in de tefilla, met de aanbeveling daarbij dat wie het zich kon permitteren, het naderhand nogmaals over een beker wijn moest zeggen. Echter, daar men toen niet meer wist waar oorspronkelijk de havdala in de tefilla was ingelast, ontstond de in onze Misjna vermelde discussie.

b. Rabba en Rav Josef hebben allebei gezegd dat wie havdala tijden de tefilla gezegd heeft, dat ook nog eens moet zeggen over een beker wijn [en zo is de halacha (zie Sj.A.O.Ch. 294:1)].

c. Rabba vult aan: Hoewel men de tefilla moet over zeggen als men vergeten is om regen te vragen in de tweede of negende beracha, hoeft men dat niet als men vergeten is havdala te zeggen tijdens de Sjemonee Esree, omdat men het nog moet zeggen over een beker wijn en men daarmee zijn plicht gedaan heeft.

d. Wie eerst havdala over een beker wijn gemaakt heeft en pas daarna maäriv davvent, moet toch ook tijdens de Sjemonee Esree de havdala invoegen.

e. De Gemara haalt een Baraita aan: Wie havdala tijdens de tefilla zegt, is meer prijzens-waardig dan wie het zegt over een beker wijn, maar wie zowel het een als het ander doet, op hem rust een zegen.

De Gemara merkt op: volgens de eerste helft van deze Baraita is het kennelijk voldoende als men de havdala alleen in de tefilla zegt. Dat betekent dat wie het daarna nog eens over een beker wijn zegt, een beracha levatela [een overbodige beracha] maakt en Reisj Lakisj heeft gezegd: ieder die een beracha devatela maakt, overtreedt het verbod: „Je zult de Naam van Hasjem, je G-d, niet nodeloos uitspreken” (Sjemot 20:7).

De Gemara zegt: de Baraita luidt als volgt: „Wie de beracha maar eenmaal zegt [dus alleen in de tefilla], op hem rust een zegen.”

f. Wie zowel de havdala vergeten is te zeggen tijdens de Sjemonee Esree als over een beker wijn, moet de tefilla overzeggen en daarna moet hij de havdala zeggen over een beker wijn [als straf (Rasjba)].

Berachot 33b

g. Uit de Baraita onderaan daf 33a blijkt dat er een meningsverschil is over de vraag of men havdala zowel in de tefilla als over een beker wijn moet zeggen. Ravina vraagt nu aan Rava: Wat is de halacha?

h. Rava antwoordt hem: Het is net als bij de Kiddoesj: Zoals men Kiddoesj zegt tijdens de tefilla [in de vierde beracha op vrijdagavond] en daarna nog eens over een beker wijn, zo ook zegt men de havdala eerst tijdens de tefilla en daarna nog eens over een beker wijn.

Waar zegt men de havdala in de tefilla?

a. In onze Misjna zegt Rabbi Eliëzer dat men de havdala in de 18e beracha – Modiem – zegt.

b. Uit de Misjna blijkt dat er drie meningen zijn over de vraag waar men in de tefilla de havdala zegt. Rabbi Zera vroeg aan Rabbi Chia bar Avin: Heeft R. Jochanan inderdaad gezegd dat de halacha is volgens R. Eliëzer wanneer Jom Tov onmiddellijk op Sjabbat volgt?

c. R. Chia bar Avin antwoordde: Ja. [Normaliter wordt de havdala, overeenkomstig de Geleerden, in de eerste beracha van de week gezegd, dat is dus de vierde beracha, maar als Jom Tov na Sjabbat valt, dus op zondag, wordt die beracha niet gezegd. Volgens R. Chia zou men de havdala dan in de beracha Modiem zeggen.]

d. De Gemara maakt bezwaar tegen deze uitspraak: Als de halacha volgens R. Eliëzer is, is hij dus niet volgens de Geleerden, en dat zou betekenen dat er een meningsverschil is tussen de Geleerden en R. Eliëzer, maar in de Misjna lijkt er alleen een meningsverschil te zijn tussen de Geleerden en R. Eliëzer voor het geval dat na Sjabbat een gewone werkdag komt. [Dus waarom zegt R. Chia dat de halacha volgens R. Eliëzer is?]

e. De Gemara antwoordt: Uit de Misjna blijkt dat er ook een meningsverschil is tussen R. Eliëzer en R. Akiva en dat meningsverschil geldt ook voor het geval dat Jom Tov direct na Sjabbat valt [want R. Akiva zegt dat men de havdala als een aparte beracha zegt en dat kan men dus ook in dit geval zeggen]. Dus R. Chia bedoelt dat de halacha niet volgens R. Akiva is.

f. De Gemara verwerpt het antwoord: we zeggen door het jaar nooit havdala in een aparte beracha, dus er is geen nood­zaak om te zeggen dat de halacha niet volgens R. Akiva is.

g. R. Chia vervolgt zijn antwoord aan R. Zera: Maar ik zeg niet dat de halacha zo is, maar dat we geneigd zijn om R. Eliëzer te volgen. [We zeggen dit niet in het openbaar, maar alleen tegen een enkeling die daarom vraagt (Rasji).]

h. De Gemara vervolgt met het noemen van diverse meningen over de juistheid van R. Eliëzers mening. Sommigen zeggen dat zo de halacha is, anderen zeggen dat het alleen maar lijkt dat het zo is.

i. R. Zera zegt: De mening van R. Chia bar Avin is de meest betrouwbare.

j. Rav Josef verwerpt alle voorgaande meningen. Hij volgt Rav en Sjmoeël die de havdala voor Jom Tov, wanneer die op Sjabbat volgt, hebben ingelast in de middelste beracha, die de dertien middelste berachot van werkdagen vervangt. De Gemara geeft vervolgens de tekst daarvan weer, ongeveer zoals die in onze machzors staat.

Ongepaste gebeden

a. Misjna Iemand die zegt, „Uw erbarmen strekt zich [zelfs] uit tot een vogel­nest [8], of: „Uw naam zal bij goede [tijdingen] genoemd worden”,  [of]: „Wij danken, wij danken”, die leggen wij het zwijgen op.

b. Gemara De Gemara geeft twee redenen waarom iemand, die zegt dat G-d erbarmen heeft met het vogelnest, tot zwijgen gebracht moet worden:

1) Door de nadruk te leggen op het erbarmen met de vogels, suggereert men dat G-d discrimineert tegen andere dieren, waar niet zulke barm­har­tige voorschriften voor bestaan.

2) Men suggereert daarmee dat G‑ds wetten zijn ingegeven door stan­daar­den van barmhartigheid, terwijl in werkelijkheid wij in het geheel niet weten waarop zij gebaseerd zijn.

c. En voor wat betreft de woorden: Uw naam zal bij goede [tijdingen] genoemd worden: Dit betekent: Voor het goede [in onze ogen] danken wij U, maar voor het slechte [in onze ogen], danken wij U niet. Echter, wij zijn verplicht een beracha te zeggen voor het slechte, zowel als voor het goede en op dezelfde manier.

d. En voor wat betreft de woorden: Wij danken, wij danken: Dan lijkt het erop alsof hij twee goden accepteert [alsof hij ieder van die twee afgoden apart dankt].

e. Wij leggen hem het zwijgen op, want hij maakt van de decreten van Hakadosj Baroech Hoe uitingen van medelijden, maar de Tora-geboden zijn decreten van een Koning aan zijn dienaren [en wij weten niet waar­voor bepaalde geboden gegeven zijn].

f. Iemand davvende eens voor R. Chanina en zei: „De grote, machtige, ontzagwekkende, de geweldige, de krachtige, [enz.]  G-d.” Nadat de man klaar was vroeg R. Chanina: „Ben je nu al klaar met het prijzen van je Meester? De eerste drie kwalificaties zeggen we omdat die werden ingesteld door de Mannen van de Grote Vergadering, omdat Mosjé dat zo in de Tora geschreven heeft [Dew. 10:17], want anders was zelfs dat onnodig: wie zijn wij dat wij G-d kunnen prij­zen? Dat is als iemand die een aardse koning, die veel goud en edelstenen heeft, prijst om zijn vele zilver. Het is kleinerend.”

h. R. Chanina heeft verder gezegd: „Alles is in handen van de Hemel, behalve de vrees voor de Hemel [d.w.z., alles wordt door de Hemel bepaald: of iemand lang of kort, rijk of arm zal zijn, lang of kort zal leven, dom of wijs, zwart of wit zal zijn, enz., maar de keuze tussen goed en slecht wordt aan de mens zelf overgelaten (Rasji)], zoals er geschreven staat [Dew. 10:12]: „En nu, Israël, wat vraagt Hasjem, je G-d, je nog meer dan alleen maar de Hemel [i.e. Hasjem, je  G-d] te vrezen?”

i. De Gemara vraagt: Is de vrees voor de Hemel dan zo iets makkelijks?

j. De Gemara antwoordt: Voor Mosjé Rabbeinoe was het makkelijk, want hij had het al, maar voor ons gewone mensen is het een hele opgave.

k. De Misjna zegt: Iemand die zegt: „Wij danken, wij danken,” enz. Rav Zera zei: Iemand die zegt „Sjema, Sjema” is als iemand die zegt: „Wij danken, wij danken.” [En hem moet dus het zwijgen worden opgelegd.]

l. De Gemara werpt tegen: Een Baraita zegt dat die alleen maar oneervol is [maar dat hem niet het zwijgen hoeft te worden opgelegd].

m. De Gemara verklaart: Wie ieder woord apart herhaalt, uit zich alleen maar oneervol, maar wie hele zinnen herhaalt, is blasfemisch en die leggen we het zwijgen op.

n. Rav Pappa vroeg aan Abbajjé: Misschien had hij het de eerste keer niet goed uitgesproken en herhaalt hij het vers daarom?

o. Abbajjé antwoordde hem: Het is op zich al oneervol als men niet goed geconcentreerd tegenover Hasjem staat [en de tefilla of Sjema niet goed uitspreekt].


 

[1]. Men noemt de „kracht van de regen: Dit heeft betrekking op masjiev haroeach, dat geen verzoek is , maar een verklaring en lof uitdrukt. En daar de regen één van de machtsuitdrukkingen is van Hakadosj Baroech Hoe, zoals er geschreven staat [in Ijov 5:9-10]: „Hij doet grote onbegrensde daden, Hij geeft regen op de aarde”. Daarom noemt de misjna het de „kracht van de regen”. (RAV = R. Ovadja MiBartinoero).

[2].  De beracha van de wederopstanding van de doden, de tweede beracha van de tefilla.

[3]. En men vraagt: Dat zijn de woorden „weteen tal oematar”; dat is het verzoek om regen (RAV).

[4]. In de beracha van de jaren: De negende beracha van de tefilla.

[5]. havdala: Dat zegt men op de avond van Motsaei Sjabbat [zaterdag avond] (RAV) [en Motsaei Jom Tov].

[6].  Choneen hada’at: Dit is de eerste beracha van het middengedeelte, de vierde beracha van de tefilla voor de werkdagen.

[7]. De zestiende beracha.

[8]. Iemand die dit tijdens de tefilla zegt, bedoelt daarmee te zeggen: „Zoals Uw erbarmen zich uitstrekte tot het vogel­nest, toen U verordende  [Dewariem 22:6]: Wanneer men kuikens of eieren uit een nest wil nemen, moet men eerst de moeder wegjagen, toon zo ook Uw erbarmen voor ons.” De onder­liggende veron­der­stelling is dat de verordening gemaakt is uit erbarmen voor de moederlijke gevoe­lens van de moe­dervogel, opdat die niet zal hoeven te aanschouwen dat haar jongen of eieren worden weggenomen.