Daf Jomi Archief Traktaat Berachot

Aanmelden

Aan de orde van de dag

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Berachot 34

Door Zwi Goldberg

Hilchot Sjaliach Tsibboer

Misjna Als iemand [tijdens zijn gebed] zegt: „De goede mensen zullen U zegenen,” dan is dat de manier van de heidenen. [Deze zin komt niet voor in de gedrukte edities van de Misjna van dit traktaat, maar wel in traktaat Megilla 4:9 en in de Gemara Megilla 25a, waar Rasji verklaart: Omdat hij de slechte mensen niet opneemt in diegenen die Hasjem prijzen, terwijl de Geleerden leren (in Kritot 6b) van het galbanum, dat een slechte reuk heeft, en dat Tora voorschrijft als één van de ingrediënten van het reukwerk dat in de Tempel geofferd werd, dat ook de overtreders van Israël bij het volk horen.]

Wie  als chazan voordavvent en zich vergist [1], die wordt door een ander vervangen, en die mag die keer niet weigeren [2]. En vanwaar begint hij? Vanaf het begin van de beracha, waarin de ander zich vergiste.

Wie voor de Ark staat [d.w.z. de chazan], zegt geen amein op wat de Kohaniem zeggen [De misjna heeft het hier over de priesterzegen – de birkat kohaniem: dan moet hij geen amein zeggen na iedere beracha, zoals de gemeente zegt], om verwarring [te voorkomen. D.w.z. Opdat hij niet in de war raakt en zich daardoor zou vergissen, want de leider van de gemeente moet iedere beracha woord voor woord voorzeggen aan de Kohaniem en als hij daarna amein moet zeggen, kan hij zich niet concentreren en terugkeren tot zijn tefilla, om de volgende beracha te zeggen (Rasji).]. Wanneer er geen Kohen aanwezig is, buiten hem [d.w.z. wanneer de chazan zelf een Kohen is], heft hij niet zijn handen op [om de gemeente de priesterzegen te geven, om te voorkomen dat hij zich niet zal concentreren en niet kan terug­keren naar zijn tefilla – sim sjalom – omdat zijn gedachten nog ver­ward zijn wegens vrees voor de gemeente (Rasji).]. Maar als hij zeker is dat hij zijn handen kan opheffen [zonder in de war te raken], en daarna weer kan terugkeren tot zijn tefilla dan is het toegestaan.

Gemara Iemand die gevraagd wordt om als chazan voor te davvenen, moet dat een beetje weigeren, voordat hij de uitnodiging accepteert, uit beleefdheid om daarmee tot uitdrukking te brengen dat hij daar niet geschikt voor is. De eerste keer dat men hem dat vraagt, weigert hij. De tweede keer richt hij zich al op voor de tefilla en bij de derde keer dat men het hem vraagt, weigert hij niet, maar loopt naar de plaats van de chazan. Maar, zoals de Misjna al zegt, als de chazan vervangen moet worden, omdat hij niet verder kan voor-davvenen, omdat hij de tefilla vergeten is [men zei vroeger alles uit zijn hoofd] dan mag degene die hem vervangt niet weigeren. En ook een vaste chazan weigert niet, als hem gevraagd wordt voor te davvenen, maar hij gaat onmiddellijk naar voren.

Waar moet de tweede chazan beginnen?

De Misjna zegt dat de chazan, die de eerste vervangt, omdat hij zich vergist heeft, begint, waar de tweede gestopt is. Echter, als iemand zich vergist en een van de eerste drie berachot van de Sjemonee Esree overslaat, dan moet hij, of zijn vervanger alles over zeggen vanaf het begin van de eerste beracha en hetzelfde geldt als iemand zich vergist en een van de laatste drie berachot overslaat, dan moet hij, of zijn vervanger terug gaan naar de eerste van deze laatste drie berachot [Sj.A. O.Ch. 126:2].

Persoonlijke verzoeken

Rav Jehoeda heeft gezegd: Men voegt persoonlijke verzoeken in de eerste drie of in de laatste drie berachot in. Persoonlijke verzoeken kan men invoegen in de middelste berachot, want Rabbi Chanina heeft gezegd dat de eerste drie berachot een lofuiting zijn van de dienaar voor zijn Meester, in de middelste berachot doet de dienaar zijn verzoek en in de laatste drie berachot uit hij zijn dank dat zijn verzoek is ingewilligd, waarna hij verlof vraagt om te mogen vertrekken.

De lengte van de tefilla

Een zekere chazan rekte zijn tefilla enorm lang uit voor R. Eliëzer. De leerlingen van R. Eliëzer beklaagden zich daarover bij hem. R. Eliëzer antwoordde hen: Hij rekt het niet langer uit dat Mosjé Rabbeinoe, die veertig dagen en veertig nachten voor HaKadosj Baroech Hoe bad.

Toen een andere chazan zijn tefilla erg inkortte en de studenten van R. Eliëzer zich daarover beklaagden, antwoordde hij: Hij bidt niet korter dan Mosjé Rabbeinoe, die, toen Miriam tsaraät kreeg, niets anders zei dan: „Alstublieft, Hasjem, genees haar.” R. Jaäkov leert hiervan dat men niet de naam van de zieke vriend hoeft te noemen, als men voor zijn genezing bidt.

Buigen tijdens Sjemonee Esree

Een Baraita: Tijdens de Sjemonee Esree  buigt men bij het begin en het einde van de eerste beracha en bij het begin en einde van de beracha modiem, en nergens anders. [Als iedereen zou buigen waar hij wil, zou iemand kunnen denken dat de vier buigingen die hier voorgeschreven zijn, ook vrijblijvend zijn en iemand die meer buigt dan een ander zou de indruk wekken of hij zich beter voelt dan anderen.]

Berachot 34a

R. Jitschak bar Nachmani heeft gezegd dat de Kohen Gadol aan het begin [en eind (Rambam, Hil. Tefilla 5:10) van iedere beracha buigt en dat de koning, als hij de eerste maal gebogen heeft, gebogen blijft staan, zoals blijkt uit I Koningen 8:54, waar staat dat Koning Sjlomo opstond, nadat hij gebeden had.

Verschillende manieren van buigen

De Gemara geeft nu definities van verschillende manieren van buigen:

1. Kida Dit betekent buigen totdat het gezicht de grond raakt, zoals er geschreven staat [in I Koningen 1:31]: „Toen boog Batsjeva met haar gezicht tot op de grond.” [D.w.z., men buigt, totdat zijn gezicht de grond raakt, en steunt daarbij uitsluitend op zijn duimen, een uiterst moeilijke oefening, die maar weinig mensen konden.]

2. KeriaDit betekent knielen, zoals er geschreven staat [in I Koningen 8:54]: „Hij stond op van voor het altaar van Hasjem van het knielen op zijn knieën.”

3. Hisjtachawaä – betekent zich languit op de grond uitstrekken, met uitgestrekte armen en benen, zoals er geschreven staat [in Bereisjiet 37:10]: „Zullen ik en je moeder en je broers dan komen, om ons voor jou op de aarde te werpen?”

Tachanoen na de tefilla

[Het is gebruikelijk om na de Sjemonee Esree het hoofd op de arm te leggen en tachanoen – het smeekgebed – te zeggen. Dit wordt nefilat apajiem genoemd, lett.: het vallen op het gezicht. De Gemara vertelt hoe Abbajjé en Rava dat deden:] Rav Chia, de zoon van Rav Hoena heeft gezegd: Ik zag dat Abbajjé en Rava op hun zij steunden [maar zich niet op de aarde wierpen, want een belangrijk persoon valt niet op zijn gezicht (Rasji op Megilla 25a). Echter, het is de gewoonte van Asjkenazische Joden om hun hoofd op hun arm te laten rusten en dat mag iedere Jood doen, zelfs een vooraanstaand persoon (Misjna Beroera 131:37).  Echter, volgens Jalkoet Josef  vallen Sefardische Joden niet op hun gezicht].

Buigen aan het eind van modiem

De Gemara vermeldt een discussie tussen de Amoriem over de vraag of men aan het eind van de 18e beracha van Sjemonee EsreeModiem – moet buigen of niet. De conclusie is dat men wel moet buigen wanneer men Hasjem dankt in de Sjemonee Esree, maar niet in Hallel en ook niet in de Birkat Hamazon – het dankgebed na de maaltijd.

Een vergissing tijdens het gebed

Misjna Als iemand de tefilla zegt en zich vergist, dan is dat een slecht voorteken voor hem [Het is een teken dat zijn tefilla niet geaccepteerd is ]. En wanneer hij de sjeliach tsibboer[3] is, dan is het een slecht teken voor hen die hem aangesteld hebben, want de ver-tegenwoordiger van iemand is als die iemand. Men vertelde over Rabbi Chanina ben Dosa, dat hij gewoon was te bidden voor de zie­ken, en dat hij dan zei: „Deze zal leven en die zal sterven”. Men vroeg hem: „Hoe weet u dat?” Hij antwoordde hen: „Wanneer mijn tefilla vloeiend in mijn mond ligt [d.w.z. wanneer ik het vloeiend en zonder haperen kan zeggen], dan weet ik dat het geaccep­teerd is en zo niet, dan weet ik dat hij [de zieke, of volgens anderen: mijn gebed] verworpen is. 

 GemaraBetreffende de vergissing, die de Misjna noemt, daarvan zegt R. Chia dat dit alleen geldt voor een vergis­sing in de eerste beracha. Men moet zich altijd goed concentreren op de hele tefilla, wanneer men die zegt, maar wie dat niet kan, moet zich in ieder geval concentreren als hij de eerste beracha zegt, en wie dat niet gedaan heeft, moet het over zeggen (SjA.O.Ch. 101:1).

Steun voor degenen die Tora leren

De Profeten voorspelden beloning en troost voor diegenen die hun dochter aan een Tora-geleerde uithuwelijkten en voor iemand die werkt ten behoeve van een Tora-geleerde [zodat de Tora-geleerde zich alleen aan Tora hoeft te wijden] en voor iemand die een Tora-geleerde laat profiteren van zijn bezittingen. Maar voor de beloning van de Tora-geleerde zelf geldt: „Geen oog, behalve dat van U, G-d heeft gezien wat U zult doen voor degene die Hem wacht” (Jesjajahoe 63:3). [Rambam schrijft in Hilchot Deot 6:2: „Er staat geschreven in (Dewariem. 10:20): Je zult je aan Hem hechten. Onze Geleerden hebben zich afgevraagd: hoe men zich aan G-d kan hechten. Zij hebben dit probleem opgelost door te verklaren dat het gebod betekent dat men zich moet hechten aan de Tora-geleerden en hun leerlingen.]

De tijd van de Masjiach en de Komende Wereld

R. Jochanan meent dat het vers in Jesjajahoe 63:3, dat hierboven genoemd werd, slaat op de Messiaanse tijd, niet op de Komende Wereld, want die is volgens hem nimmer geopenbaard aan de Profeten.

Maar Sjmoeël heeft gezegd dat er geen ander verschil is tussen deze wereld en de wereld van de Masjiach, dan dat de Joden dan onafhankelijk zullen zijn van andere regeringen, want er staat geschreven [Dew. 15:11]: „Want de arme zal niet van het land verdwijnen.” [M.a.w., zelfs armoede zal dan blijven bestaan. Dus de profetieën die een boven­natuur­lijk bestaan beschrijven, hebben het over de Komende Wereld, niet de Messiaanse tijd, aldus Sjmoeël, terwijl R. Jochanan meent dat die een beschrijving geven van de Messiaanse tijd. Rambam volgt de mening van Sjmoeël.]

Beloning voor ba’alei tesjoewa en tsaddikiem

Volgens R. Jochanan hebben de Profeten alleen gesproken over de beloning van ba’alei tesjoewa [diegenen die berouw hebben van hun zonden en hun leven gebeterd hebben], maar de beloning voor de volmaakt rechtvaardigen heeft niemand behalve G-d ooit gezien.

Maar R. Abahoe is het daar niet mee eens, want hij zei: De volmaakt rechtvaardigen kunnen niet staan op de plaats waar de boetvaardigen staan [want het niveau van de boetvaardigen is het allerhoogste, want zij hebben hun slechte neiging moeten overwinnen en dat hebben de volmaakt rechtvaardigen niet hoeven doen (Rambam, Hil. Tesjoeva7:4)].

 De Gemara verklaart hun meningsverschil: zij hebben verschillende verklaringen voor het vers: „Vrede, vrede voor de verafstaande en de nabije.” Volgens R. Abahoe zijn de ‘verafstaanden’ in dit vers de boetvaardigen, de ba’alei tesjoeva, die van ver gekomen zijn en de ‘nabijen’ zijn de volmaakt rechtvaardigen. Eerst worden de ba’alei tesjoeva gegroet en pas daarna de tsaddikiem. Volgens R. Jochanan echter worden met de ‘verafstaanden’ bedoeld diegene die veraf staan van zonde, dus de tsaddikiem en de ‘nabijen’ zijn degenen die dicht bij de zonde staan, maar daar afstand van genomen hebben [maar makkelijk terugvallen].

Het paradijs – de Tuin van Eden

De Gemara vraagt wat dan wel die ongeziene beloning voor de tsaddikiem is, en antwoordt: Eden, die geen mensen oog ooit gezien heeft.

De Gemara werpt tegen: Adam was daar [en heeft het dus gezien] !?

De Gemara antwoordt: Adam was in de Tuin van Eden, dat is niet hetzelfde als Eden. Er staat immers geschreven [Ber. 2:10]: „Een rivier ging uit van Eden om de tuin te bewateren.” Dus Eden en de Tuin van Eden zijn twee verschillende plaatsen. [Eden is de Komende Wereld, zoals Rav gewend was te zeggen (Berachot 17a): De Komende Wereld is niet gelijk aan deze wereld – daar is geen eten of drinken, geen voortplanting, zaken, jaloezie, haat of competitie. Tsaddikiem zitten er met hun kronen op hun hoofd en genieten van de Sjechina.]

Rabbi Chanina en de genezing van zieken

De Gemara vertelt hoe Rabbi Chanina ben Dosa zieken kon genezen door tot Hasjem te bidden en hoe zijn gebeden verhoord werden. In het eerste geval betrof het de zoon van Rabban Gamliël die ernstig ziek was en genezen werd, in het tweede geval betrof het de zoon van R. Jochanan ben Zakkai. Rabbi Zakkai sprak zijn bewonderring uit voor Rabbi Chanina ben Dosa en verklaarde dat hij daar niet toe in staat was. Waarop zijn vrouw vroeg of hij zich dan als de mindere van Rabbi Chanina ben Dosa beschouwde.

R. Jochanan ben Zakkai antwoordde: Nee, maar hij is als een dienaar voor de Koning, die vrij bij Hem in en uit gaat en intiem met hem is, terwijl ik een belangrijk personage ben die alleen op gezette tijden voor belangrijke besprekingen tot het paleis van de Koning wordt toegelaten, maar daardoor ben ik minder intiem met Hem. [R. Jochanan ben Zakkai was de leider van het Joodse volk in zijn tijd, en hield zich bezig met de leiding van het volk en met Tora-studie, terwijl R. Chanina ben Dosa zijn mindere was in Tora-kennis, maar zich meer bezig hield met het bidden voor het welzijn van individuele personen.]

Dat men moet bidden in een huis met ramen

Rabbi Jochanan heeft verder gezegd, dat men altijd moet bidden in een huis met ramen in de bovenkamer, die uitzien op Jeruzalem.

EINDE HOOFDSTUK VIJF


 

[1]. In vroeger tijden had men niet allemaal een siddoer en ook de chazan davvende uit zijn hoofd.

[2]. En die mag die keer niet weigeren, zoals gebruikelijk is, dat wie gevraagd wordt voor te davvenen voor de Heilige Ark, de eerste keer uit beleefdheid weigert [zie Gemara]. Maar deze man, die de chazan moet vervangen mag niet weigeren, wanneer zij tegen hem zeggen „ga naar voren”, want het is onbehoorlijk wan­neer de tefilla te lang wordt onderbroken.

[3]. Lett.: de afgezant van de gemeente, i.e. de chazan.