Daf Jomi Archief Traktaat Berachot

Aanmelden

Aan de orde van de dag

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Berachot 43

Door Zwi Goldberg

Berachot 43a

De berachot voor brood en wijn vóór de maaltijd

Een Baraita verhaalt hoe de rijken vroeger gasten [armen volgens Rasji] uitnodigden voor de maaltijd:

De gasten kwamen een voor een binnen in de voorkamer, waar één hand van hen werd gewassen – de hand waar zij zodadelijk wijn uit zouden drinken – waarna hen een beker wijn werd aangeboden. Ieder maakte daarover zelf de beracha. Als iedereen binnen was, ging men naar de eetkamer, waar iedereen ging aanliggen aan de maaltijd. Daar werden beide handen van iedereen gewassen en dan maakte één van de aanwezigen voor iedereen vóór de maaltijd de beracha voor brood en voor wijn, omdat zij nu door het feit dat zij aanlagen, één gemeenschap vormden, ondanks dat ieder al voor zichzelf een beracha voor de wijn gemaakt had.

Berachot tijdens de maaltijd

De Misjna zegt: Wanneer aan de gasten tijdens de maaltijd wijn ingeschonken wordt, zegt ieder de beracha voor zichzelf. Wanneer na de maaltijd wijn wordt gebracht, zegt één van de aanwezigen de beracha voor iedereen.

Een Baraita verklaart deze regeling: Tijdens de maaltijd is ieder bezig met zijn eten, heeft zijn mond vol en heeft zijn aandacht er niet behoorlijk bij om te luisteren naar een ander die de beracha zegt.

De beracha over reukwerk

De Misjna op daf 42b zegt dat degene die voor allen gezamelijk de beracha over de wijn zegt na afloop van de maaltijd, ook de beracha over het reukwerk zegt. [Het was de gewoonte om na de maaltijd en na de Birkat Hamazon reukwerk te brengen (Rasji).] Rav leert dat degene die na de maaltijd het eerst de eer gegeven wordt van majiem acheroniem – het handen wassen na de maaltijd, dat die ook voor mag gaan bij de Birkat hamazon en die zegt dan ook de beracha over het reukwerk, zelfs al is er een grotere geleerde dan hij aanwezig [bijvoorbeeld omdat die grotere geleerde van de eer heeft afgezien. In de tijd van de Misjna waren de berachot nog niet opgeschreven en moesten dus uit het hoofd gezegd worden. Degene die het eerst zijn handen waste na de maaltijd, had dan even gelegenheid zich op de Birkat hamazon voor te bereiden, totdat de anderen ook hun handen gewassen hadden].

Wanneer zegt men de vóór-beracha?

Zoals men de beracha Hamotsie zegt voordat men brood eet, maar wanneer men de bedoeling heeft omdat onmiddellijk na de beracha te eten, zo zegt men de beracha over reukwerk zodra men de rook daarvan ziet opstijgen, maar nog voordat men het geroken heeft.

Wat zegt men voor reukwerk?

Er wordt verteld dat Rav gezegd heeft dat men voor alle soorten reukwerk zegt: „[Baroech Ata Hasjem …] Die welriekend hout heeft geschapen,” maar over muskus, dat geen houtsoort is, zegt men: „… Die allerlei soorten welriekende kruiden geschapen heeft.”

De Gemara corrigeert de gerapporteerde uitspraak van Rav: men zegt die beracha alleen over welriekend hout. In alle andere gevallen zegt men: „… Die allerlei soorten welriekende kruiden geschapen heeft.”

Balsemolie is het sap dat komt uit balsemhout. Het wordt in andere soort olie geweekt, dat daardoor de reuk van balsem absorbeert (Meïri). Met zegt er volgens R. Jochanan: „…Die plezierig ruikende olie geschapen heeft” over. Hetzelfde geldt volgens Rav Kahana voor Kost [één van de kruiden die bij het reukwerk in de Tempel gebruikt werd], wanneer dat in andere olie geweekt werd, en volgens de Nehardeeërs zegt men dit zelfs als de kost in de andere olie is fijngestampt.

Berachot 43b

Voor jasmijn en nardus zegt men ook „…Die welriekend hout heeft geschapen” hoewel het geen echt hout is. Echter, het wordt als hout beschouwd, omdat het harde stengels heeft en dat leren we van Jehosjoea 2:6, waar Rachav de spionnen, die Jehosjoea er op uit gezonden had, „naar het dak bracht en hen verborg onder de vlas-houten.” [Dus hier wordt vlas, dat geen houtsoort is, ‘hout’ genoemd. Daarom zegt men voor jasmijn en nardus ook de beracha voor welriekend hout.

Voor een roos [volgens Rasji, of voor een leli volgens Rabbeinoe Jona] zegt men: „…Die welriekend hout heeft geschapen,”  maar als het een wilde variëteit is, zegt men: „…Die geurige kruiden geschapen heeft.”

Voor een eetbare vrucht zegt men: „… Die aan vruchten een aangename geur heeft gegeven.”

Hoe weten we dat we een beracha moeten zeggen voor een aangename geur?

Rav Zoetra bar Toevia heeft gezegd: dat leren we van wat er staat geschreven [Tehilliem 150:6]: „Laat iedere ziel Hasjem prijzen,” en het enige waar de ziel plezier van heeft, maar het lichaam niet, is een aangename geur.

Birkat ilanot

Rav Jehoeda heeft gezegd: Wie in het voorjaar bomen ziet die in bloei staan, zegt: „Baroech… Die niets in het universum liet ontbreken en goede schepselen schiep en goede bomen, waar de mensheid plezier van heeft.”

Het verschil tussen een fakkel en de maan

In Bava Kamma 60b wordt gewaarschuwd niet alleen ’s avonds in het donker over straat te gaan, wegens het gevaar van demonen. Echter demonen vallen niet aan als twee mensen samen zijn en ze vertonen zich zelfs helemaal niet voor een groepje van drie. In dit verband zegt Rav dat als iemand een fakkel bij zich heeft, dat dezelfde functie heeft wanneer men met zijn tweeën is [dus de demonen vallen dan niet aan, en als de maan helder schijnt vertonen de demonen zich zelfs niet, want de maan is alsof men met zijn drieën is.

De eer van de medemens

Rav Zoetra bar Toevia heeft gezegd in naam van Rav (en volgens anderen heeft R. Sjimon barJochai het gezegd): Het is beter dat iemand zich in een brandende oven laat werpen, dan dat hij iemand in het openbaar beschaamd maakt. We leren dat van Tamar, de schoondochter van Jehoeda, die werd weggevoerd om te worden geëxecuteerd, maar die wei­gerde om Jehoeda in het openbaar te noemen als de vader van haar nog ongeboren tweeling [Bereisjiet 38:25].

De eer van een Tora-geleerde

De Rabbijnen hebben geleerd in een Baraita: zes dingen zijn onbehoorlijk voor een Tora-.geleerde:

1) Hij hoort niet geparfumeerd de straat op te gegaan. Dit geldt waar veel homoseksuelen zijn. Maar deodorant mag.

2) Hij hoort niet alleen ’s avonds op straat te gaan, want dat maakt hem verdacht dat hij vreemde vrouwen zoekt, maar als hij naar een vaste sjioer gaat is het toegestaan.

3) Hij hoort niet op straat te gaan met gelapte schoenen. Maar met gelapte zolen of hakken is het toegestaan.

4) Hij hoort niet met een vrouw op straat te praten, zelfs niet met zijn eigen vrouw, want niet iedereen kent haar.

5) Hij hoort niet te dineren met een groep ongeletterden, want hij zou wel eens net zo lui kunnen worden als zij.

6) Hij hoort niet de laatste te zijn die het leerhuis binnengaat, want anders zal men denken dat hij lui is.

En sommigen zeggen: Hij hoort ook niet te lopen met grote passen, want dat zou zijn gezichtsvermogen verminderen en hij hoort ook niet rechtop te lopen, want dat is alsof hij tegen de Sjechina wil opbotsen..