Daf Jomi Archief Traktaat Berachot

Aanmelden

Aan de orde van de dag

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Berachot 45

Door Zwi Goldberg

HOOFDSTUK ZEVEN

Inleiding

Nadat men brood gegeten heeft, moet men Birkat hamazon (het Dankgebed na de maaltijd) zeggen. Dit is een Bijbels voorschrift, dat genoemd wordt in Devariem (8:10): „We achalta wesavata oevarachta et Hasjem Elokècha al haärets hatova asjèr natan lach – En je zult eten en je zult verzadigd zijn en je zult Hasjem, je G-d danken voor het goede Land dat Hij jou gegeven heeft.”

Dit vers houdt in dat men, behalve dat men zijn dank aan Hasjem moet uitspreken voor het feit dat Hij ons gevoed heeft, Hem ook moet loven voor het feit dat Hij ons het Land Israël gegeven heeft. Verder is de uitdrukking „het goede Land” een aanwijzing voor de stad Jeruzalem, die elders in de Schrift met „goed” aangeduid wordt. Dit leert ons dat we een extra beracha moeten zeggen die zich concentreert op de herbouw van Jeruzalem (Gemara 48b). Dus Birkat hamazon bestaat uit niet minder dan drie zegeningen volgens Bijbels voorschrift: de beracha voor de voeding [Birkat hazan], de beracha voor het Land [Birkat Haärets] en de beracha voor de herbouw van Jeruzalem [Bonee Jeroesjalajiem].

De tekst van onze Birkat hamazon bevat nog een vierde beracha, bekend als de beracha voor de Eén Die goed is en Die goed doet [HaTov weHaMetiev]. Het is een onderwerp van discussie tussen de Tannaïem of deze beracha een vereiste is van Tora, of dat hij er door de Rabbijnen aan was toegevoegd (zie Gemara 48b). De halacha volgt de mening dat het een Rabbijns vereiste is (zie Gemara 46a-b en Misjna Beroera 189:4 en 191:2).

Wanneer drie of meer mensen samen eten, wordt een extra beracha gezamelijk gezegd voordat men de Birkat hamazon begint. Deze beracha staat bekend als Birkat Hazimmoen [‘de zegen van de uitnodiging’ of ‘de zegen van de voorbereiding’, want één van de aanwezigen nodigt de anderen uit om G-d te loven en daar­mee bereiden zij zich allen voor op een gemeenschappelijke dankgebed]. Het bestaat uit een oproep van een van de leden van de groep aan de anderen om zich bij hem aan te sluiten om Hasjem te danken (Laat ons loven [Hem] van Wie wij gegeten hebben), en uit het antwoord van de anderen (Gezegend is Hij Wiens eten wij gegeten hebben). Wanneer tien of meer mensen samen gegeten hebben, voegen zij G-ds naam in deze Birkat Hazimmoen (Laat ons onze G-d loven, van Wie wij gegeten hebben); zie Misjna 49b).

In de tijd van de Talmoed was het de gewoonte dat de leider van de zimmoen de hele Birkat hamazon hardop zei voor de hele groep, waarmee de andere aanwezigen van hun verplichting bevrijd werden, door oplettend naar zijn voorlezing te luisteren en amein te antwoorden op iedere beracha. Nu de mensen het tegenwoordig moeilijk vinden om aandacht te besteden aan ieder woord dat de leider zegt, zou het makkelijk kunnen gebeuren dat men zijn Bijbelse plicht niet vervult door naar de leider te luisteren. Daarom is het nu de gewoonte dat ieder de Birkat hamazon zelf zegt. Niettemin moet de leider, om de zimmoen naar behoren te doen, minstens de hele eerste beracha van de Birkat hamazon hardop zeggen, terwijl de anderen het zachtjes woord voor woord met hem meezeggen. Zij eindigen dan die beracha even iets eerder dan hij, zodat zij „Amein” kunnen antwoorden als hij de eerste beracha afsluit.

Dit hoofdstuk behandelt de diverse wetten met betrekking tot Birkat hamazon in het algemeen en de zimmoen in het bijzonder.

* * *

Berachot 45a

De zimmoen

[Men mag geen Birkat hamazon zeggen over verboden voedsel en men mag dus dan ook niet deelnemen en meetellen voor de zimmoen. De Misjna noemt op wie, in bepaalde gevallen, wel en wie niet mag meedoen.]

Misjna Drie [mannen] die samen gegeten hebben zijn een zimmoen verplicht. Iemand die demai [1] heeft gegeten of ma’aser risjon, waarvan troema is genomen [2], of ma’aser sjeni of iets dat gewijd was [3] en gelost [4], een bediende die [de hoeveelheid van een] kazajit heeft gegeten [5] en een Koeti [6], nodigt men uit voor de zim­moen. Maar wie tewel gegeten heeft [7] of ma’aser risjon waarvan geen troema is genomen, of ma’aser sjeni of iets dat gewijd is en niet gelost [8], en de bediende die minder dan een kazajit heeft gegeten en een heiden, die worden niet uitgenodigd voor de zimmoen. Vrouwen, [niet-Joodse] slaven en kinderen nodigt men niet uit voor de zimmoen. Wat is de [minimum] hoeveelheid [brood] waarvoor men uitnodigt? Voor een kazajit [9]. Rabbi Jehoeda zegt: voor een kabeitsa [10].

a. Gemara De Gemara vraagt: Vanwaar weten we dat een groep van drie mensen gezamelijk mogen bensjen?

b. Rav Assi antwoordt: Van Tehilliem 34:4: „Vergroten jullie Hasjem met mij en laten wij Zijn Naam gezamelijk verhogen.”

c. R. Abahoe antwoordt: Van Dewariem 32:3: „Wanneer ik de Naam van Hasjem uitroep, kent [meervoud] dan grootheid aan onze G-d toe” [hier roept iemand twee anderen op om grootheid aan G-d toe te kennen, dat maakt dus samen drie (Rasji)].

d. Van het het vers uit Tehilliem 34:4 leidt Rav Chanan bar Abba bovendien af, dat men niet amein mag antwoorden op een beracha met een luidere stem dan degene die de beracha zei [want hij vraagt of men met hem de Naam van Hasjem willen vergroten].

Zimmoen voor twee mensen

a. Mogen ook twee mensen samen zimmoen bensjen? De Misjna zegt dat drie mensen het moeten doen, maar misschien mogen twee het ook? Rav en R. Jochanan hebben er een meningsverschil over: de een zegt: ja het mag en de ander zegt dat het niet mag. De Gemara probeert eerst te bewijzen dat het niet mag:

Een Baraita zegt: Wanneer drie mensen samen gegeten hebben, mogen ze niet uit elkaar gaan, voordat zij gezamelijk gebensjt hebben. Dus kennelijk bensjen twee mensen niet samen zimmoen?

De Gemara werpt tegen: De drie waren verplicht te bensjen en dat is niet hetzelfde als een vrijblijvende optie om gezamelijk te bensjen.

Een andere Baraita zegt: Wanneer twee mensen samen gegeten hebben en een kelner heeft hen bediend, dan mag hij [ongevraagd] met hen mee-eten [om zo samen met hen te kunnen bensjen], maar als drie samen gegeten hebben, mag de kelner niet ongevraagd mee-eten. [Hij mag ongevraagd mee-eten, omdat we verwachten dat de twee eters blij zullen zijn dat de kelner mee-eet, zodat zij zimmoen kunnen bensjen]

De Gemara werpt tegen: Het is beter om een verplichte zimmoen te bensjen dan een vrijblijvende.

Berachot 45b

De Gemara probeert nu te bewijzen dat het wel mag:

b. Een Baraita: Vrouwen [die niet verplicht zijn zimmoen te bensjen] mogen als zij met elkaar samen zijn, zimmoen bensjen en hetzelfde geld voor slaven. Maar vrouwen en slaven vormen samen geen quorum. Dus als vrouwen het mogen, hoewel zij het niet verplicht zijn, mogen mannen dat ook, als zij het niet verplicht zijn, dus als zij met z’n tweeën zijn.

c. De Gemara werpt tegen: Dat geldt alleen als er drie of meer vrouwen bij elkaar zijn, niet als ze met z’n tweeën zijn.

d. De Gemara vraagt: Als dat de reden is, waarom mogen vrouwen en slaven dan niet samen een quorum vormen?

e. De Gemara antwoordt: Als vrouwen met slaven samen eten, bestaat er gevaar voor ontucht en dat is geen goede atmosfeer voor een zimmoen.

f. Het volgende toont aan dat het R. Jochanan was die twee mensen verbood samen zimmoen te bensjen:

R. Jochanan heeft gezegd dat als twee samen gegeten hebben, kan de één jotsee [bevrijd van zijn verplichting] zijn door te luisteren naar de Birkat hamazon van zijin collega. Maar we hebben al geleerd in een Baraita dat wie luistert naar de beracha van een ander, daarmee zelf jotsee is. R. Jochanan leert ons nu dat ze met z’n tweeën geen zimmoen maken kunnen, want een zimmoen maakt automatisch de luisteraars vrij [zie inleiding.]

Het vormen van een groep voor zimmoen

a. Rav heeft gezegd: Als drie samen gegeten hebben en één van hen gaat naar buiten, dan roepen ze hem terug en ook als hij niet komt, maken zij zimmoen. [Hij moet dan wel antwoorden. Zie Sj.A. O.Ch. 194:2.]

b. Abbajjé zei hierover: dit kan alleen als die derde dichtbij genoeg is om te horen en te antwoorden op de zimmoen.

c. Mar Zoetra zei: dit kan alleen voor een zimmoen van drie mensen, maar niet om zo een quorum van tien te maken (opdat men Elokeinoe kan zeggen) want daarvoor moeten ze allemaal aan tafel zitten, want om de Naam van Hasjem uit te spreken, moet er een minjan [quorum] van tien man zijn.

d. Abbajjé heeft gezegd: Als twee samen eten, zeggen ze allebei apart de Birkat hamazon. Zo is de traditie. [Volgens Rasji geldt dit ook voor Hamotsie, maar anderen bestrijden dit. En zo is de halacha (Sj.A. O.Ch. 193:1).]

e. Rava: Wanneer drie samen eten [en twee zijn klaar en één is nog niet klaar], dan stopt die ene met eten om met de anderen samen zimmoen te bensjen. Maar als één klaar is en de andere twee nog niet, hoeven zij niet te stoppen, maar die ene moet op hen wachten.

f. Drie Geleerden aten eens samen brood maar omdat zij elkaar „even groot” vonden, besloten zij geen zimmoen te bensjen, maar bensjten zij ieder apart. Zij meenden dat alleen één die „groter” is dan de anderen, die anderen uitnodigt.

Mereimar vertelde hen echter dat zij fout waren: ze hadden hun plicht voor Birkat hamazon gedaan, maar niet hun plicht om zimmoen te bensjen. En dat konden zij niet meer overdoen. [En zo is de halacha (Sj.A.O.Ch. 194:1).]

Antwoorden op berachot

a. Iemand die niet meegegeten heeft maar wel bij een zimmoen aanwezig is, zegt, in plaats van „Baroech sjè-achalnoe misjèlo oevetoevo – geprezen is Hij van wiens goedheid wij gegeten hebben”: „Baroech Hoe oevaroech sjemo leölam waëd – Geprezen is Hij en geprezen is Zijn Naam voor eeuwig en altijd” [want hij heeft niet meegegeten] nadat hij de voor-bensjer hoort zeggen: „Laat ons zegenen van Wie wij gegeten hebben.”  Maar als hij het begin niet gehoord heeft, antwoordt hij: „Amein” als ze zeggen: „Gezegend is Hij van Wie wij gegeten hebben en door Wiens goedheid wij leven.”

b. Een Baraita: Het is prijzenswaardig om ‘Amein’ te zeggen na zijn eigen berachot.

c. Een andere Baraita:  Het is afschuwelijk.

d. De Gemara lost het probleem op: de eerste Baraita heeft het over de beracha Bonee Jeroesjalajiem [en dat geldt dan ook voor de beide vorige berachot (Rasji)], en de tweede Baraita heeft het over de andere berachot. [D.w.z. als men een aantal berachot achter elkaar gezegd heeft, is het goed om amein te zeggen, maar het is afschuwelijk om na iedere beracha die men zelf gezegd heeft amein  te zeggen. [De Sj.A. O.Ch. 215:1 zegt dat men na de de beracha Bonee Jeroesjalajiem, na de laatste beracha van Hallel en na Jisjtabach (de afsluitende beracha na de Psoekei deZimra) amein moet zeggen, maar de Rama zegt daar dat het in „deze landen” (dat wil dus zeggen: de Asjkenazische gewoonte) uitsluitend gezegd wordt na Bonee Jeroesjalajiem en dat men het nergens anders na zegt op zijn eigen beracha en dat men daar niet van mag afwijken. En de Misjna Beroera (215:4) zegt daar dat dit is omdat de eerste drie berachot van de Birkat hamazon door Tora zijn voorgeschreven, terwijl de vierde beracha en alle andere berachot door de Rabbijnen zijn voorgeschreven.]

e. Abbajjé was gewend om amein na Bonee Jeroesjalajiem hardop te zeggen, zodat zijn arbeiders het zouden horen en weer aan hun werk zouden gaan [het was dus een teken dat de maaltijd en de lunchpauze voorbij was]. Zij hoorden dan niet de vierde beracha Hatov weHaMeitiev, maar dat gaf niet, want die beracha was ingesteld door de rabbijnen en dat hoefden de arbeiders niet te horen. In onze tijd zeggen ook werkers de vierde beracha, want de werkgevers zijn niet meer zo precies in de tijd die zij vrijgeven voor een maaltijd (Sj.A. O.Ch. 191:2).

f. Rav echter zei amein na Bonee Jeroesjalajiem zachtjes, opdat men het niet zou horen en men niet zou denken dat de beracha HaTov weHaMeitiev niet belangrijk is.


 


[1] Demai: Product dat gekocht is van ongeletterd landvolk en waarover twijfel bestaat of er troema en ma’aser van ge­nomen is. De Geleerden hebben verboden om van hun producten te eten zonder ze eerst te vertienden.

[2] Verschillende giften moesten worden afgescheiden van vruchten en veld­producten in deze volgorde: 1). Troema gedola [Grote heffing]: 1/50 van de oogst, hetgeen aan een Kohen moest worden gegeven, verplicht vanaf het moment dat het graan gedorst, gewand en opgehoopt is en de zijkanten van de hoop zijn glad gestreken. 2). Ma´aser Risjon [Eerste Tiende]: 1/10 van de rest, hetgeen aan een Leviet gegeven moest worden. 3). Ma´aser Sjeni [het Tweede Tiende]: 1/10 van wat er over is, en dat moest naar Jeruzalem gebracht worden en daar opgegeten, of het moest worden omgezet in geld, waarvoor in Jeruzalem voedsel gekocht moest worden, dat daar moest worden opgegeten. 4). Troemat Ma´aser [Heffing van het Tiende]: De Leviet moet 1/10 van het Tiende dat hij gekregen heeft, opzij zetten en geven aan een Kohen.

Onze misjna heeft het over iemand die Ma´aser Risjon gegeten heeft, waarvan Troema Gedola genomen is. De Leviet mag dit eten.

[3] Gewijd - hekdeesj. Als iemand de geldwaarde van het voedsel aan de Tempel schenkt, dan is dat voedsel hekdeesj en mag niet gegeten worden totdat het gelost is. Bij de lossing zet de eigenaar van het voedsel de waarde ervan plus een vijfde, opzij. Nu mag het voedsel gegeten worden en het geld is hekdeesj en eigendom geworden van de Tempel. Men mag het Tweede Tiende eten en ook voedsel dat Hekdeesj was, maar gelost is.

[4] Ma´aser Sjeni of iets dat gewijd was en gelost: Bijvoorbeeld als iemand wel de waarde [van de Hekdeesj] heeft gegeven maar die het vijfde [daaraan niet heeft toegevoegd]. Want de eigenaars [van Ma´aser Sjeni en Hekdeesj] moeten een vijfde toevoegen [zoals er staat in Wajjikra 27:31 en 17:15]. En de Tanna leert ons dat dit vijfde [de lossing] niet tegenhoudt (RAV). [Hoewel men een over­treding van Tora heeft begaan als men het vijfde niet heeft toegevoegd voor de lossing, is die lossing toch geldig, en het voedsel mag gegeten worden, en men moet daarover Birkat Hammazon zeggen en men telt mee voor Zimmoen]. 

[5] De bediende die twee mensen bediend heeft.

[6] Een Koetie: Eén  van de volken die de koning van Assyrië uit Koeta [een stad in Babylon] en andere landen bracht en hij zette hen in de steden van Sjomron [Samaria]. Zij gingen over tot het Jodendom uit angst voor de leeuw­en die hen opaten, zoals verteld wordt in het boek Melachiem [Koningen] II, 17:24-28. Zij hielden zich aan de Schriftelijke Leer, en al de voorschriften waaraan zij zich hiel­den, daarin waren zij nauwkeuriger dan Israël. Daarom werden zij vertrouwd ten aanzien van een klein aantal mitswot. Totdat men hen nader onderzocht, en men ontdekte dat zij een afgodsbeeld van een duif aanbaden op het topje van de Berg Geriziem. Vanaf dat moment werden zij volledig beschouwd als vreemden [niet-Joden] in alle opzichten. Daarom nodigt men een Koetie niet uit [voor de zimmoen] (RAV).

[7] Tewel: Graan waarvan geen troema en ma´aser is genomen.

[8] Of Ma´aser Sjeni of iets wat gewijd is en niet gelost:  producten die wel gelost waren, maar niet behoorlijk gelost volgens de halacha, of Ma’aser Sjeni dat buiten Jeruzalem werd gegeten.

[9] En dat is de halacha [Sj.A.O.Ch. 124:12].

[10].Een kabeitsa - ei grootte - is meer dan een kazajit. Hoewel een kazajit de normale hoeveelheid is in de meeste gevallen bij voed­sel, koos Rabbi Jehoeda hier de grotere hoeveelheid, omdat Tora zegt [in Dewariem 8:10]: „En je zult verzadigd zijn en [dan] zul je zegenen ....”. Daar Tora vereist dat men verzadigd moet zijn, ten einde verplicht te zijn om de Birkat Hammazon te zeggen, zou een grotere hoeveelheid voedsel hiervoor vereist zijn dan in andere situaties (Tosafot Jom Tow).