Daf Jomi Archief Traktaat Berachot

Aanmelden

Aan de orde van de dag

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Berachot 47a

Door Zwi Goldberg

1. Wie bewijzen wij eerbied of laten we voorgaan

(a) Een Baraita: We bewijzen een vooraanstaand persoon geen eerbied [d.w.z. we laten hem niet voorgaan] op de weg [d.w.z. men hoeft daar een belangrijker persoon geen voorrang te geven], nog bij het passeren van een [nauwe] brug, noch bij het wassen van vuile handen na de maaltijd.

(b) Ravin en Abbajjé waren op reis. Ravins ezel liep voor die van Abbajjé, maar Ravin liet Abbajjé niet voorgaan [hoewel die een groter geleerde was]. Abbajjé dacht: „Omdat hij uit Erets Jisraël komt, voelt hij zich groter en denkt dat hij mij niet hoeft te eren.” Toen ze een synagoge wilden binnengaan, liet Ravin Abbajjé voorgaan. Desgevraagd verklaarde Ravin: Rabbi Jochanan heeft gezegd dat men iemand alleen voor laat gaan bij een ingang, waar een mezoeza is, of die geschikt is voor een mezoeza [ook al zit daar nu geen mezoeza, zoals bij een synagoge].

(c) Rav Jehoeda citeert Rav: Men mag niet beginnen te eten voordat de botsea [degene die motsie maakt] van zijn brood gegeten heeft. [Dit geldt alleen als iedereen van dat ene brood eet, maar als iedereen zijn eigen brood heeft, mag men direct, nadat men de beracha hamotsie gehoord heeft, eten.] Rav Safra corrigeerde Rav Jehoeda: Rav heeft gezegd: men mag er niet van proeven voordat de botsea ervan geproefd heeft.

(d) Een Baraita: Wanneer twee mensen uit dezelfde schaal of van hetzelfde bord eten, en de één stopt met eten om wat te drinken, dan moet de ander ook stoppen met eten en wachten tot de ander verder eet. Maar drie mensen hoeven niet op elkaar te wachten. En degene die motsie maakt eet eerst van het brood, tenzij hij de eer daarvan aan een ander geeft [d.w.z. als hij een ander als eerste wil laten proeven van het brood dat hij aangesneden heeft en waarover hij motsie gemaakt heeft].

(e) Rabba bar bar Channa zei tegen zijn zoon: Een Baraita leert: Degene die het brood aansnijdt, mag dat niet doen voordat alle aanzittenden amein gezegd hebben. [De botsea mag het brood niet aansnijden voordat hij de beracha heeft uitgesproken en het amein van de aanzittenden aan tafel hoort bij de beracha (Rasji). Rav Chisda corrigeerde Rabba bar bar Channa: de botsea moet wachten totdat de meerderheid van de aanzittenden amein heeft gezegd, want wie zijn amein lang uitrekt of te laat zegt, zegt het verkeerd en heeft niets gezegd.

Hoe men amein zegt

Een baraita: Men zegt geen emein  maar amein, en ook geen amei, zonder dat de n aan het eind te horen is en ook geen verweesd amein [dat is als men amein zegt, zonder de beracha te hebben gehoord, terwijl men alleen anderen amein heeft horen zeggen (Rasji)]. Men zegt een beracha ook niet gehaast [alsof het een last is, i.p.v. dat men Hasjem bedankt (Rasji)]. Ben Azzai heeft gezegd: Wie een verweesd amein zegt, diens kinderen zullen wezen worden en wie een afgekorte amein zegt, diens dagen zullen verkort worden. Maar wie een duide­lijk en goed uitgesproken amein zegt [zonder het te lang uit te rekken (Rasji)], diens dagen zullen verlengd worden.

Zimmoen-bensjen

(a) Rav en Sjmoeël zaten samen te eten en Rav Sjimi bar Chia kwam laat en haaste zich met eten om nog mee te kunnen doen met de zimmoen. Rav zei: haast je maar niet, wij zijn al klaar met eten, je kunt niet meer meedoen. Maar Sjmoeël zei: wanneer ons nog een lekker dessert gebracht zou worden, zouden we dat zeker nog eten, dus wij zijn nog niet echt klaar [en Rav Sjimi kan met ons mee zimmoen bensjen].

(b) De studenten van Rav zaten aan de maaltijd en Rav Acha voegde zich later bij hen.

-  De studenten zeiden: een groot man is gekomen, hij zal de zimmoen maken.

- Rav Acha zei: als de gadol later komt, maakt hij niet de zimmoen maar iemand die al vanaf het begin bij de maaltijd aanwezigwas, maakt de zimmoen.

-  Maar de halacha is dat de gadol de zimmoen maakt, ook al komt hij aan het eind van de maaltijd.

Wie meetelt voor een zimmoen

(a) Onze Misjna zegt: wie demai gegeten heeft, telt mee voor zimmoen.

De Gemara vraagt: Maar het is toch verboden om demai te eten?

De Gemara antwoordt: Wanneer hij al zijn bezittingen hefker zou verklaren [d.w.z. als hij in het openbaar afstand zou doen van al zijn bezittingen], dan zou hij arm zijn, en dan zou hij demai mogen eten, dus mag hij meedoen aan de zimmoen. [Demai is landbouwproduct van een am haärets (iemand die niet zorgvuldig is met het vertienden) dat mogelijk niet vertiend is. Het werd door de Rabbijnen verboden, maar zij hebben het toegestaan aan de armen.] In een Baraita zegt Beit Sjammai dat een arme geen demai mag eten, maar Beit Hillel staat het toe. Dus deze regeling volgt Beit Hillel.

(b) Onze Misjna zegt verder: Wie maäser Risjon eet, waarvan troema is genomen, die telt mee voor zimmoen.

De Gemara vraagt: Waarom zou hij het niet mogen eten? [Dit is het voedsel voor de Levieten.]

De Gemara antwoordt: Dit geldt voor het geval dat de Leviet zijn tiende kwam halen, voordat de Kohen kwam voor zijn troema en voordat de troema hoefde te worden afgescheiden en als de Leviet troemat maäser afgescheiden heeft. En dit komt overeen met een uitspraak van Reisj Lakisj, dat als een Leviet maäser risjon neemt voordat troema is afgescheiden, terwijl het graan nog in de halmen staat [en er nog geen verlichting is om troema af te schei­den], dan is hij vrijgresteld van troema gedola, want de Leviet hoeft alleen maar troemat maäser af te scheiden en geen troema gedola. Maar als de Leviet zijn maäser krijgt van de graanhoop, voordat de Kohen zijn troema krijgt, dan moet hij wel troema gedola afscheiden, want van graan is dat wel verplicht, maar van de halmen niet.