Daf Jomi Archief Traktaat Berachot

Aanmelden

Aan de orde van de dag

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Berachot 60

Door Zwi Goldberg

Sjèhèchianoe (vervolg)

Wanneer men een nieuw kledingstuk gekocht heeft, waarvoor men sjèhèchianoe gezegd heeft, en vervolgens brengt men dat kledingstuk terug en ruilt het voor een ander kledingstuk, dan zegt men niet opnieuw sjèhèchianoe. Maar als men een nieuw kledingstuk koopt, terwijl men iets dergelijks al heeft, dan zegt men de beracha wel [en zo is de halacha, zie Sj.A. O.Ch. 223:3].

De beracha Dajan Emet

Onze Misjna [op daf 54a] zegt: Men moet de beracha Dajan Emet [ware rechter] zeggen voor iets slechts dat lijkt op iets goeds.

De Gemara geeft een voorbeeld van iets slechts dat lijkt op iets goeds: Wanneer iemands land wordt overstroomd. Hoewel daar iets goeds in zit, want het water zet sediment af op zijn land, waardoor zijn land verbeterd wordt [want dat maakt zijn land vruchtbaarder (Rasji)], is de overstroming nu een tegenspoed [want het vernietigt de oogst. Daarom moet men de beracha Dajan Emet zeggen].

De beacha HaTov weHaMetiev

De Misjna gaat verder en zegt: En men moet de beracha HaTov weMetiev [Die goed is en Die goed doet] zeggen voor iets goeds dat lijkt op iets slechts.

De Gemara geeft een voorbeeld: Als men een grote som geld vindt, en iemand anders ziet dat, dan is het mogelijk dat die ander het aan de koning vertelt, die het van de vinder opeist en hem in de gevangenis gooit, op verdenking dat hij iets achterhoudt. Maar nu is het iets gunstigs voor hem, dus zegt hij HaTov weHaMetiev.

Een nodeloze beracha

a. Als iemands vrouw zwanger is en hij zegt: „Moge het Zijn wil zijn dat mijn vrouw een zoon krijgt,” dan is dat een nodeloze beracha [want het geslacht van de foetus wordt gedurende de eerste veertig dagen gevormd, zoals uit een Baraita blijkt:] Gedurende de eerste drie dagen na de geslachtsgemeenschap moet men bidden dat het zaad zich met een eitje verenigt en een embryo vormt. Van daar tot veertig dagen bidt men dat het een zoon (of dochter) wordt. Tot de zesde maand moet men bidden dat het kind levensvatbaar is en na de zesde maand bidt men dat het kind gezond geboren wordt.

b. Wanneer iemand onderweg is en hij hoort geschreeuw in zijn dorp en hij zegt: „Moge het Zijn wil zijn, dat het niet uit mijn huis komt,” dan is dat een nodeloze beracha [want het kwaad is al geschied].

De Gemara vertelt hoe Hillel de Oude niet bang was voor slechte tijding: hij had vertrouwen in Hasjem.

De Gemara vertelt van Tora-studenten die bang waren en door hun leraar vermaand werden dat zij niet voldoende vertrouwen hadden in Hasjem. Maar er staat geschreven [Misjlei 28:14]: „Prijzenswaardig is de man die altijd vreest.”

R. Jisjmaël verklaart: Hier wordt bedoelt dat men altijd bang moet zijn om de Tora, die hij geleerd heeft, te vergeten. Men moet alleen bang zijn voor Hasjem.

Wie in gevaar geraakt

Abbajjé heeft gezegd: wie in een gevaarlijke situatie geraakt, moet niet over het gevaar praten en bidden dat hem geen narigheid zal overkomen, want dat maakt de Satan alleen maar wakker, zoals een Baraita leert: Men moet nimmer de deur openen voor de Satan [men moet geen slapende honden wakker maken].

Een gebed om gezond te blijven

Rabbi Jisjmaël heeft gezegd: Er staat geschreven [Sjemot 21:19]: „Hij zal hem doen genezen.” [Dit vers gaat over twee mannen die vechten. Als er een daarbij gewond raakt, moet de ander betalen voor de medische uitgaven.] Hiervan leren we dat het is toegestaan om een arts te raadplegen, zodat die hem kan genezen. Want zonder deze verklaring zou het een arts verboden zijn iemand te behandelen uit vrees dat hij de zieke nog erger ziek maakt, of zelfs schuldig is als de patient sterft. En men zou dan kunnen zeggen: Hasjem heeft hem ziek gemaakt, wie heeft het recht hem te genezen?

De beracha na genezing

Wanneer men van zijn ziekte genezen is, zegt men: Baroech Rofee chinam – Gezegend is de genezer die gratis is. [Wij zeggen: Baroech Rofee choliem – Gezegend is de genezer van zieken. Dit volgt de Gra].

Berachot 60b

De beracha bij het verlaten van het toilet

Bij het verlaten van het toilet zegt men: „Gezegend bent U… Die de mens gevormd heeft met wijsheid en hem geschapen heeft met vele openingen en holtes, … Die iedereen geneest en Die wonderbaarlijke dingen doet.” [De bouw, samenstelling en werking van het menselijk lichaam is een waar wonder.]

De dagindeling van een Jood

Wanneer men gaat slapen zegt men de eerste paragraaf van Sjema en de beracha Hamapiel [het nachtgebed op blz. 357 van de siddoer]. Wanneer men de volgende ochtend wakker wordt, zegt men: „Elokei Nesjama” [blz. 4 v.d. siddoer].

Wanneer men ’s ochtends het gekraai van de haan hoort, zegt men: „…Die de haan instinct heeft gegeven…” [blz. 5 e.v.]

Wanneer men zijn ogen opent, zegt men: „Die de blinde ziende maakt.”

Wanneer men rechtop in zijn bed gaat zitten, zegt men: „Die de gevangenen vrij maakt.”

Wanneer men zich aankleedt, zegt men: „Die de naakten kleedt.”

Wanneer men rechtop gaat staan, zegt men: „Die de gebukten opricht.”

Wanneer men zijn voeten op de grond zet, zegt men: „Die de aarde over het water heeft uitgespreid.”

Wanneer men gaat lopen, zegt men: „Die de mens richting geeft bij zijn gaan.”

Wanneer men zijn schoenen aantrekt, zegt men: „Die voor mij alles maakt wat ik nodig heb.”

Wanneer men zijn riem om doet, zegt men: „Die Israël uitrust met sterkte.”

Wanneer men zijn hoofd bedekt [met een kipa], zegt men: „Die Israël met pracht kroont.”

Wanneer men zijn talliet met tsietsiet omdoet, zegt men: „Die ons geboden heeft ons te omhullen met tsietsiet.”

Wanneer men tefillien op zijn arm bindt, zegt men: „Die ons geboden heeft tefillien te leggen.”

Wanneer men tefillien op zijn hoofd bindt, zegt men: „Die ons geboden heeft omtrent de tefillien.” [Dit is de gewoonte volgens de Rama van de Asjkenaziem. Sefardiem en Chassidiem volgen de Beit Josef, de Rambam en Rasjba, die zeggen dat de beracha „Die ons geboden heeft tefillien te leggen”  voor beide tefillien geldt en dat men de beracha „Die ons geboden heeft omtrent de tefillien” alleen zegt als men tussen het leggen van beide tefillien gesproken heeft.

Wanneer men zijn handen wast, zegt men: „Die ons geboden heeft onze handen te wassen.”

Wanneer men zijn gezicht wast, zegt men: „Die de slaap van mijn ogen verwijdert.”

[Tegenwoordig zegt men al deze berachot in de Beit Knesset, als onderdeel van het ochtendgebed, ter voorkoming van verwarring, en dus niet als men de bovengenoemde handelingen verricht. Zie Sj.A.O.Ch. 46].

Daarna zegt men: „Moge het Uw wil zijn… dat U ons went aan Uw Tora, enz.” [blz. 6 onderaan siddoer].

Dat men Hasjem zegent voor het slechte zoals men Hem zegent voor het goede

Onze Misjna zegt: men zegent Hasjem voor de slechte dingen, zoals men Hem zegent voor de goede dingen.

Rava verklaart: Dit leert ons dat we narigheid met vreugde moeten accepteren.

De Gemara noemt verschillende verzen uit Tanach waarop deze uitspraak gebaseerd is, o.a.:

1. „Over goedheid en rechtvaardigheid zal ik zingen” (Tehilliem 101:1). De rechtvaardigheid is de straf die we krijgen voor onze overtredingen en ook daar zingen we dus over.

2. „De beker van de redding hef ik op en de Naam van Hasjem zal ik uitroepen”  (Tehilliem 116:3), d.w.z. als narigheid mij treft, zal ik de Naam van Hasjem aanroepen.

3. „Hasjem heeft gegeven, Hasjem heeft genomen, gezegend is de Naam van Hasjem” (Ijov 1:21).

Een Baraita leert: Men moet zich gewennen om te zeggen: alles wat de Albarmhartige doet, doet Hij ten goede.

Rabbi Akiva was eens op reis. Toen hij een zekere stad bereikte, zocht hij onderdak, maar niemand wilde hem dat geven. Hij zei: „Alles wat de Albarmhartige doet, is ten goede.” Hij ging in het veld slapen. Hij had een haan [om hem te wekken (Rasji)], een ezel en een kaars bij zich. De wind kwam en blies zijn kaars uit. Een kat kwam en vrat zijn haan op. Een leeuw kwam en doode zijn ezel. Rabbi Akiva zei: „Alles wat de Albarmhartige doet, is ten goede.” Die nacht kwam er een roversbende die de stad uitmoordde. Rabbi Akiva zei: „Heb ik het niet gezegd: alles wat de Albarmhartige doet, is ten goede.”