Daf Jomi Archief Traktaat Berachot

Home

Aan de orde van de dag

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Berachot 61

Door Zwi Goldberg

Berachot 61a

De manier waarop men davvent

Rav Hoena zei in naam van Rabbi Meïr: Laat iemand altijd met weinig woorden tot Hasjem spreken en laat hij zijn tefilla niet te lang uitrekken.

De vorming van de mens

a. Er staat geschreven (Ber. 2:7): „En toen vormde Hasjem G-d de mens, enz.” De  woorden: ‘En toen vormde ’ – wajjitser – is in het Hebreeuws ongebruikelijk met twee joeds geschreven, terwijl het normaal met één joed geschreven wordt. Rabbi Sjim’on ben Pazi verklaart: De twee joeds leren ons, dat als de mens zijn jetser hará – zijn slechte, dierlijke driften – volgt, dan zegt hij: „O wee, mijn Schepper” [want die zal mij straffen dat ik aan mijn driften toegeef]. En als hij de geboden van Hasjem volgt, zegt hij: „O wee voor mijn slechte neiging [die tracht mij te laten lijden].”

b. Een andere verklaring: R. Jeremijahoe ben Elazar heeft gezegd: „Hasjem heeft de eerste mens gevormd met twee gezichten [van een man en van een vrouw, die met hun ruggen aan elkaar vast zaten. Zij werden later van elkaar gescheiden en van de één werd Chava, de eerste vrouw gevormd], zoals er staat geschreven [Tehilliem 139:5]: „Van achteren en van voren heeft U mij geschapen.” [D.w.z. dat de eerste mens van achteren en van voren een gezicht had.]

c. Er staat geschreven (Ber. 5:2): „Mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen,” [d.w.z., in het meervoud] en er staat geschre­ven (Ber. 1:27 en 9:6): „Naar het beeld van G-d schiep Hij hem” [d.w.z., enkelvoud]. R. Abahoe verklaart de tegen­stelling: aanvankelijk was het de bedoeling om een man en een vrouw apart te scheppen [zoals ook bij de dieren de mannetjes en wijfjes apart geschapen werden, maar dan zouden de mensen net als de dieren met iedereen vrije seks hebben.] Ten slotte schiep G-d hen aan elkaar als één mens [en scheidde Hij hen daarna van elkaar, zodat zij zich aan elkaar zouden blijven hechten].

De voorbereidingen voor de eerste Choepa

De Gemara vraagt: Er staat geschreven (Ber. 2:22): „Hasjem God bouwde de zijde, die Hij van de mens had weg genomen, om tot een vrouw, en Hij bracht haar naar de mens.” Wat viel eraan om te bouwen als de eerste mens als man en vrouw geschapen was, dan was de eerste vrouw toch al gevormd?

R. Sjim’on ben Menasia antwoordt: Het betekent dat Hasjem de haren van Chava tot een vlecht bond en haar zo naar Adam bracht, want in sommige landen noemt met een kapper een bouwer.

R. Jeremia ben Elazar geeft een andere verklaring: Het leert ons dat Hasjem voor Adam alles regelde voor zijn huwelijk met Chava. En hiervan leren we dat een belangrijk persoon zich niet te min moet voelen om het huwelijk te organiseren van iemand die minder is dan hij, want Hasjem, zelfs Hasjem deed dit voor de mens, die oneindig veel kleiner is dan Hij.

Dat een man niet achter een vrouw hoort te lopen en niet achterlangs een synagoge

a. De Gemara vraagt: Wanneer de eerste mens aan de ene kant als man en aan de andere kant als vrouw was gebouwd, welke kant liep dan voorop?

Rav Nachmna bar Jitschak antwoordt: Het lijkt logisch dan de mannenfiguur voorop liep, want een Baraita leert: Een man hoort niet achter een vrouw op straat te lopen, zelfs niet als het zijn eigen vrouw is. [Het is verboden achter een vreemde vrouw te lopen (Sj.A.E.H. 21:1), omdat de man dan verleid kan worden wellustig naar haar te kijken. Het is niet verboden voor een man om wellustig naar zijn eigen vrouw te kijken, maar het is niet fatsoenlijk dat in het openbaar te doen en hoewel Adam niet naar Chava kon kijken, omdat zij achter zijn rug was, is het toch waarschijnlijk dat Adam voorop liep.]

b.  R. Jochanan heeft gezegd: Het is beter achter een leeuw te lopen dan achter een vrouw, maar het is beter achter een vrouw te lopen dan achter een afgodendienaar en het is beter achter een afgodendienaar te lopen dan achter een synagoge langs te lopen waar gedavvend wordt [zonder daar binnen te gaan en mee te davvenen, want het getuigt dat men dan G-d verwerpt, terwijl een afgodendienaar misschien nog wel G-d erkent, maar alleen ook nog andere goden naast Hem erkent (overeenkomstig Sj.A. O.Ch. 90:8)]. De Gemara vult aan dat dit verbod niet geldt voor iemand van wie het duidelijk is dat hij G-d niet verwerpt.

Berachot 61b

De goede en de slechte neigingen

a. Een Baraita: R. Jossi Haglili heeft gezegd: De tsaddikiem worden beheerst door hun goede neigingen, zoals er geschreven staat [Tehilliem 109:22]: „Mijn hart is een leegte in mij” [het hart symboliseert de slechte, dierlijke driften]. De rasjaïem – slechte mensen – worden beheerst door hun slechte neigingen, zoals er geschreven staat (Tehilliem 36:2): „[De slechte neiging in de vorm van] de overtreding spreekt tegen de booswicht [en zegt tegen hem:] ‘laat er geen vrees voor g-d zijn.’ ”  De beinoniem – middelmatige mensen – worden door beide beheerst [in hun hart voeren zij voortdurend strijd tegen hun slechte neigingen], zoals er geschreven staat [Tehilliem 109:31]: „Hij [G-d] staat rechts van de arme, om hem te redden van de heersers over zijn ziel.”

b. Rava zei: volgens deze maatstaf zijn wij beinoniem. Hierop zei Abbajjé: „De meester laat niemand leven!” [Want als Rava, die een groot tsaddiek was, zichzelf slechts als een beinonie beschouwde, wat bleef er voor de minderen dan over? Dat waren dan slechts rasjaïem die geen leven hebben in de Komende Wereld.]

c. Rava zei verder: De wereld is alleen geschapen voor de volmaakt rechtvaardigen of voor de volmaakt slechte mensen. [De Komende Wereld is geschapen voor de volmaakt rechtvaardigen, want zij krijgen hun beloning in de Komende Wereld en niet in deze wereld, en deze wereld werd geschapen voor de volmaakt slechten, want zij krijgen hun beloning voor de goede daden die zij doen in deze wereld, en zij krijgen geen beloning in de Komende Wereld (Rasji).]

d. Rava zei ook: Deze wereld was geschapen voor de slechte koning Achav ben Omri en de Komende Wereld is geschapen voor R. Chanina ben Dosa.

Hasjem liefhebben met heel je ziel

a. De Misjna zegt: Je zult Hasjem, je G-d, liefhebben met heel je hart en met heel je ziel en met heel je vermogen.

b. Een Baraita leert: R. Eliëzer vroeg: Waarom staat er zowel ‘met heel je ziel’ als ook nog: „Met heel je vermogen”? Voor iemand, wiens lichaam kostbaarder is dan zijn geld, staat er ‘met heel je ziel’ [zodat hij bereid moet zijn zijn leven op te offeren als van hem geëist wordt afgoden te aanbidden]. En voor iemand, wiens geld hem belangrijker is dan zijn lichaam, staat er: ‘met heel je vermogen’ [om hem te leren dat hij zijn geld moet opgeven voor de eer van Hasjem]. R. Akiva heeft gezegd: ‘met heel je ziel’ betekent dat men Hem moet liefhebben, zelfs al neemt Hij je ziel.

R. Akiva en de parabel van de vos en de vissen

Een Baraita: Toen Rabbi Akiwa de Romeinse ban op Tora-studie trotseerde door in het openbaar Tora te onderwijzen, werd hij uitgedaagd door Pappus ben Jehoeda, die hem aanspoorde voorzichtiger te zijn.

„Laat ik je een parabel vertellen,” antwoordde Rabbi Akiwa. „Een vos kwam eens langs een rivier, waar hij zag hoe de vissen als gekken heen en weer zwommen. Toen hij hen naar de reden hiervan vroeg, antwoordden de vissen dat zij vluchtten voor de netten die de vissers in het water hadden uitgespannen om hen te vangen.

De vos suggereerde daarop dat zij uit het water zouden komen, waar zij veilig bij hem zouden zijn op het droge, maar de vissen lachten hem uit.

„U wordt verondersteld de slimste van alle dieren te zijn,” riepen zij, „maar nu praat u toch dwaasheid. Wanneer we al zo bang zijn in onze natuurlijke omgeving – het water – hoeveel te meer zullen we dan in gevaar verkeren in een omgeving waar wij niet kunnen overleven!”

Voor ons Joden, vervolgde Rabbi Akiwa, is Tora onze natuurlijke habitat, Tora is ons leven, net zoals het water voor de vissen. Wanneer wij in gevaar verkeren terwijl wij in onze natuurlijke habitat zijn, hoeveel groter zal het gevaar zijn, wanneer we Tora verlaten!”

[Rabbi Akiwa’s gelijkenis met de vos als het symbool voor al diegenen in de Joodse geschiedenis die compromissen predikten en Tora verlieten om geaccepteerd te worden bij de niet-Joden, vindt een echo in het beroemde verhaal aan het eind van traktaat Makkot. Toen de leidende Geleerden van de generatie na de Verwoesting van het Beit HaMikdasj een vos zagen komen uit de ruïnes van het Heilige der Heiligen, huilden zij allen, behalve Rabbi Akiwa, die lachte. Hij verklaarde dat de Profeet Jesjajahoe de Verwoes­ting van de Tempel verbindt met de profetie van de verlossing. Er staat geschreven (Micha 3:12): „Daarom zal Zion worden omge­ploegd als een veld” en in Zecharja (8:4-5) staat geschreven: „Oude mannen en oude vrouwen zullen weer in de straten van Jeru­zalem zitten.” En Jesjajahoe brengt deze twee profetieën met elkaar in verband. Wel nu, zolang als de profetie van Micha niet was uitgekomen, vreesde ik dat de profetie van Zecharja ook niet zou uitkomen. Maar nu dat de profetie van Micha is uitgekomen, weet ik dat de profetie van Zecharja ook zal uitkomen.]

De marteldood van R. Akiva

De bovengenoemde Baraita vervolgt: Een paar dagen later werd Rabbi Akiva gearresteerd en gevangen gezet. Toen men Rabbi Akiva naar buiten bracht voor zijn executie, was het de tijd om Sjema te zeggen en zijn vlees werd met ijzeren kammen bewerkt. Maar Rabbi Akiva accepteerd het juk van het Koninkrijk van de Hemel [d.w.z. hij zei Sjema]. Zijn studenten vroeg hem: „Zelfs nu, rabbeinoe?” Hij antwoordde hen: „Mijn hele leven werd ik door dit vers in de war gebracht: ‘Met heel je ziel’ betekent: zelfs als Hij je ziel afneemt. Ik heb altijd gewacht op die gelegenheid. Nu ben ik in de gelegenheid, zal ik dan de mitswa niet doen?” Rabbi Akiva rekte het woord ‘Echad’ uit totdat zijn ziel uit hem getrokken was. Uit de hemel klonk de echo van een stem: „Hoe fortuinlijk is R. Akiva, dat je ziel afscheid nam terwijl je ‘Echad’ zei.” Daarop verschenen de dienstdoende engelen voor Hasjem en zeiden: „Dit is de Tora en dit is de beloning!?” G-d antwoordde hen: „De beloning van de Rechtvaardigen is niet in deze wereld maar in de Komende Wereld!” Opnieuw was een echo van een stem uit de hemel te horen: „R. Akiva is klaar voor de Komende Wereld.”

Respect voor het Mikdasj

a. Men mag zich niet lichthoofdig gedragen bij de oostpoort van de Tempelberg, want die is gelegen tegenover het Heilige der Heiligen. Dit geldt vanaf een hoog uitkijkpunt, van waaruit men de Tempel kan zien liggen op een afstand.

b. Dit geldt alleen als er een Tempel is en men die inderdaad kan zien.

c. Een Baraita: Als iemand in de provincie Jehoeda zich moet ontlasten, mag hij niet met zijn gezicht naar het oosten of naar het west zitten, maar alleen naar het noorden of zuiden. Echter in de provincie Galilea [die ten noorden van de Tempel ligt] gaat men alleen met zijn gezicht naar het oosten of naar het westen gericht zitten.

d. R. Akiva meent dat men bij het zich ontlasten met het bovenstaande rekening moet houden, ongeacht of men in of buiten Erets Jisraël woont, d.w.z. dat men nooit gaat zitten in de richting van de Tempel. [De Sj.A. O.Ch. 3:5 zegt: „Wanneer men zich op een open plek ontlast, waar geen muren zijn, dan gaat men zitten met zijn gezicht naar het zuiden en zijn rug naar het oosten of omgekeerd (volgens sommigen is het omgekeerde verboden en het is goed hier zorgvuldig in te zijn M.B. 9), maar men gaat niet zitten tussen het oosten en het westen. (De reden is dat de Sjechina in het westen rust M.B. 10).]