Daf Jomi Archief Traktaat Berachot

Home

Aan de orde van de dag

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Berachot 63a

Door Zwi Goldberg

Daf 62b

Het Beit HaMikdasj  

De Misjna zegt: Het is verboden te spugen op de Tempelberg op grond van een kal wachomer-argument.

R. Jehosjoea ben Levi heeft gezegd: Wie, ook vandaag nog, spuugt op de Tempelberg, is als iemand die in Zijn oog spuugt, want er staat geschreven [I Koningen 9:3]: „En Mijn ogen en Mijn hart zullen daar alle dagen zijn.” [Alle dagen wil zeggen: ook na de Verwoesting.]

Een Baraita: Iemand mag niet de Tempelberg betreden met zijn staf in zijn hand, met zijn schoenen aan zijn voeten, noch met zijn geld in zijn zakdoek geknoopt of in een bundel buiten zijn kleding hangend [maar wel als zijn geld onzichtbaar onder zijn kleding zit], en men mag er geen kapandria van maken en spugen is er verbo­den wegens een kal wachomer van de wet op schoenen. Immers, Hasjem gebood Mosjé zijn schoenen uit te trekken , toen hij het brandende doornbos naderde. Schoenen zijn niet oneerbiedig. Maar spugen is wel oneerbiedig, dus dat is zeker verboden.

R. Jehosjoea ben Levi leidt dit als volgt af: Mordechai mocht niet in het voorhof van Koning Achasjverosj komen, omdat hij rouwkleding aan had, iets wat niet weerzinwekkend is, en toch was het verboden daarmee voor een koning van vlees en bloed te verschijnen. Hoeveel te meer dat men niet mag spugen op de Tempelberg, hetgeen wel weerzinwekkend is voor de Koning der koningen.

Rava zegt: Maar men mag wel schoenen dragen in een synagoge, dus mag men daar ook spugen.

Rav Pappa, en anderen zeggen Ravina, en weer anderen zeggen Rav Ada bar Masna werpen tegen: Het is verboden om de Tempelberg te gebruiken om de weg af te snijden en dat is ook verboden voor een synagoge. Zo is het ook verboden daar te spugen!

Berachot 63a

Want zoals spugen een strengheid is op de Tempelberg, vergeleken met schoenendragen, hetgeen daar verboden is, laat het ook een strengheid en verboden zijn in een synagoge, zoals daar het maken van een wegafsnijding verboden is.

Rava antwoordt: Een synagoge is wat dit betreft meer vergelijkbaar met iemands woning: zoals iemand wel bezwaar zal maken als men zijn huis gebruikt om de weg af te snijden, zo is dat ook verboden in een synagoge, maar zoals men thuis geen bezwaar maakt tegen het dragen van schoenen en het spugen, zo heeft men daar ook geen bezwaar tegen in een synagoge. [Maar de heiligheid van de Tempelberg is groter dan die van een synagoge en daarom is het dragen van schoenen en het spugen daar verboden.]

Berachot in de Tempel

De Misjna op Daf 54a zegt: Ieder die een beracha zei in de Eerste Tempel, sloot die af met: „Ad Olam – tot de wereld.” Toen de Tsadokiem [Saduceeërs] het geloof trachtten te vernielen, en zeiden dat er maar één wereld is, stelde Ezra in dat men in de Tempel voortaan zou eidigen met „min ha’olam we’ad ha’olam – van de wereld tot de wereld.”

De Gemara vraagt: Waarom zo’n lange afsluiting?

De Gemara antwoordt: Omdat we geen Amein zeggen in het Beit HaMikdasj [maar „Baroech Sjem kewod Malchoto le’olam wa’ed – gezegend is de Naam van de eer van Zijn Koningschap voor eeuwig en altijd” en bij zo’n lang antwoord hoort een lange beracha].

Groeten

De Misjna op Daf 54a vervolgt met te zeggen dat iemand een ander groet met de Naam van Hasjem, waarna de Misjna daar verschillende bewijzen van brengt.

De Gemara vraagt: Nadat de Misjna verteld heeft dat Boaz die groet gebruikte, waarom heeft de Misjna dan nog meer bewijzen nodig?

De Gemara antwoordt: Misschien handelde Boaz op eigen initiatief en mogen we niet van hem leren. Daarom ver­meldt de Misjna dat ook een engel Gidon zo aansprak [Sjoftiem 6:12], en Boaz baseerde zich daarop.

De Gemara werpt tegen: Misschien zei die engel niets anders dan wat Hasjem hem opdroeg te zeggen?

De Gemara antwoordt: Er is een gezegde dat men een Tora-geleerde niet mag beschamen door te veronderstellen dat zijn gewoonten nergens op gebaseerd zijn. Zij hebben de autoriteit om dergelijke dingen in te stellen, zoals er geschreven staat [Tehilliem 119:126]: „Het is tijd om te handelen voor Hasjem; zij hebben Uw wet geannuleerd.” [D.w.z. dat de Tora-geleerden het recht hebben om soms de geboden van Hasjem op te heffen, ten einde Zijn wil te doen.]

Rava heeft gezegd: dit vers [Tehilliem 119:126] kan op twee manieren gelezen en verklaard worden:

1. Van begin tot eind: Het is tijd voor Hasjem om te handelen, want ze hebben Uw wet geannuleerd.

2. Van eind tot begin: Ze hebben Uw wet geannuleerd, want het was tijd om te handelen voor Hasjem.

Baraita: Hillel heeft gezegd: Wanneer de Geleerden hun kennis niet met anderen delen, vespreidt dan je kennis. Wanneer zij wel hun kennis verspreiden, houd jij je dan in (en wees nederig ter ere van Hasjem, en annuleer het gebod van Tora om Tora-kennis te verspreiden). En in een generatie die Tora liefheeft, verspreidt Tora (en je zult daar zelf geen Tora-kennis door verliezen), maar in een generatie die Tora niet liefheeft, verspreidt daar geen Tora, maar houdt je kennis voor je en vermeerder die (want door Tora aan diegenen voor te zetten die haar verwerpen, doet met Tora on-eer aan (Rasji). [Dus onder dergelijke omstandigheden moet men het gebod om Tora te verspreiden annuleren.]

Bar Kapara heeft gezegd: Als handelswaar goedkoop is, koop het dan [want later zal de prijs stijgen. Hier wordt mee bedoeld dat als de generatie Tora niet waardeert, vergaar dan zelf kennis]. In een plaats waar niemand de halacha kan vaststellen, stel jij ze dan vast [ook als dat betekent dat je eigen groei in Tora daardoor geremd wordt].

Abbajjé: Hieruit volgt dat in een plaats waar wel iemand is die Tora-regels kan vaststellen, houd jij je dan afzijdig.

Adviezen om welvaart te verkrijgen

a. „Ken Hasjem op al je wegen, dan zal Hij je pad rechtmaken” (Misjlee 3:6).

Rava verkaart: Dat betekent ook bij je overtredingen, d.w.z. dat je een overtreding mag maken ten behoeve van Hem.

b. Bar Kapara zei: Leer je zoon een makkelijk vak [dat niet verleidt tot diefstal en dat niet veel investering verëist], zoals het borduren van kleding.

c. Rebbi zei:  1. Haal niet te veel vrienden in huis, want dat leidt tot ruzie.

2. Men moet geen vreemde opzichter over zijn huis aanstellen, want als Josef niet als zodanig was aangesteld, dan had dat incident met Protifars vrouw zich niet voorgedaan.

3. Parasjat Nazir is naast die over de wetten van de Sota geschreven, om ons te leren dat ieder die een Sota ziet in haar schande, een nazir moet worden [want het is de wijn die de sota zover gebracht heeft].

d. R. Chizkia heeft gezegd: De afdeling over de sota is naast de afdeling over troema en ma’aser geschreven om ons te leren, dat wie geen troema en ma’aser afscheidt, om dat aan de Kohen of Leviet te geven, die wordt uiteindelijk door zijn vrouw naar de Kohen gebracht en zal hem nodig hebben en ten slotte zal hij zo arm worden, dat hij zelf afhankelijk wordt van de tienden voor de armen.

e. Rav Nachman bar Jitschak zei: Wie deze giften [aan de Kohaniem en Levieten] wel geeft, zal op den duur rijk worden.

f. Rav Hoena bar Berechia zei: Ieder die de Naam van Hasjem verbindt aan zijn ellende, diens inkomen zal worden verdubbeld. [Men verbindt G-ds naam aan zijn ellende door te bidden Baroech dajan èmet  – gezegend is de ware rechter – of door om genade te vragen (Rasji).]

Gedrag van Geleerden

a. R. Avihoe heeft gezegd: Toen Chanina, de zoon van R. Jehosjoea’s broer naar het buitenland ging, om schrikkeljaren en de de lengte van de maanden vast te stellen, werden R. Jossi ben Kefar en de zoon van Zecharja ben Kevoetal achter hem aan gezonden om te protesteren.

– Chanina vroeg hen: waarom zijn jullie gekomen?

      – Zij antwoordden: Om van u Tora te leren.

– Hierop maakte Chanina publiekelijk bekend dat dit twee grote geleerden waren en dat hun voorouders in het Mikdasj gediend hadden.

– Vervolgens begonnen zij Chanina in alles tegen te spreken: wat hij tahor verklaarde, verklaarden zij tamee en omgekeerd.

–   Chanina riep toen om dat zij bedriegers waren.

–  De Geleerden wierpen tegen: U heeft ons al als Grote Geleerden bekend gemaakt, dat kunt u niet meer intrekken.

–  Chanina vroeg nu: Waarom spreken jullie mij tegen?

–  Omdat u schrikkeljaren en de lengte van de maanden in het buitenland vaststelt.

–  Chanina: Maar dat deed Rabbi Akiva ook [volgens een Misjna in Jevamot 122a], dus kennelijk is dat toegestaan.

–  De Geleerden: hij liet niemand achter in Erets Jisraël die zo groot was als hij, daarom mocht hij dat doen.

– Chanina: Ik ben ook de grootste geleerde!

– De Geleerden: De leerlingen die u achterliet, zijn uitgegroeid tot grote Geleerden, die u voorbij zijn gegaan. Zij hebben ons achter u aan gestuurd. Wanneer u hiermee niet stopt, zullen we u excommuniceren en we zullen er voor zorgen dat alle Joden in de diaspora afgodendienaren worden en u zult hun leider zijn en niemand zal een deel hebben in de Komende Wereld.

–  Hierop jammerde het hele volk: We hebben wel een deel in de Komende Wereld!