Daf Jomi Archief Traktaat Berachot

 

Aan de orde van de dag

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Berachot 63b

Door Zwi Goldberg

Gedrag van de Geleerden (vervolg)

b. De Gemara vraagt:.Waarom waren de Geleerden zo fel op R. Chanina? [Ten slotte zou het na de Verwoesting van de Tempel toch toegestaan moeten zijn om buiten Israël de schrikkeljaren vast te stellen. Waarom mocht R. Chanina dat dan niet doen?]

c. De Gemara antwoordt: Omdat er geschreven staat (Jesjajahoe 2:3): „Want van Zion gaat Tora uit, en het woord van Hasjem uit Jeroesjalajiem.” [Dus ook na de Verwoesting mogen de schrikkeljaren alleen in Erets Jisraël berekend worden.

d. De Gemara vraagt: Een Baraita zegt: Als een Geleerde iets tamee of verboden verklaart, mag een andere Geleerde het niet tahor of toegestaan verklaren. We begrijpen dat de Geleerden die achter R. Chanina waren gestuurd, iets tamee verklaarden, wat hij tahor had verklaard [zij waren strenger], maar hoe konden zij tahor verklaren wat hij tamee had verklaard, in strijd met de Baraita?

e. De Gemara antwoordt: Zij permitteerden zich dit omdat zij meenden dat zij alles wat R. Chanina zei, moesten tegenspreken, om zijn gezag te ondermijnen. [Daarvoor waren zij tenslotte achter hem aan gestuurd.]

f. [Toen de Tempel verwoest was, verhuisde het Sanhedrin naar Javne.] Een Baraita vertelt: Toen de Geleerden in de „wijngaard van Javne” aankwamen, prezen zij hun gastheren. [De Gemara noemt de studiehal in Javne, waar het Sanhedrin zitting had, ‘wijngaard’, omdat de Geleerden daar in rijen achter elkaar zaten, zoals de rijen wijnstokken in een wijngaard (Rasji) (terwijl zij in Jeroesjalajiem in een halve cirkel zaten. Kennelijk was de hal in Javne daar niet groot genoeg voor).] Maar Rabbi Jehoeda, de eerste van de sprekers, opende zijn toespraak met woorden van lof voor diegenen die Tora leren. Hij gaf een uiteenzetting van het vers [Sjemot 33:7]: „En Mosjé nam de tent, en plaatste hem buiten het legerkamp en hij noemde het de Tent der Samenkomst en allen die Hasjem zochten, gingen naar de Tent der Samenkomst, die buiten het legerkamp was.” [Dit gebeurde na het incident met het gouden kalf. Hasjem kondigde toen aan dat Hij niet meer Zelf voor het volk zou uitgaan op hun tocht door de woestijn, maar dat Hij een engel zou sturen om hen te leiden. Mosjé vatte dit op als dat Hasjem zich hiermee van hem distantiëerde, en hij volgde dat voorbeeld door zich van het volk te distantiëren en de Tent buiten het kamp op te zetten.] R. Jehoeda verklaarde: De Tent was nooit verder dat 12 mil van de mensen verwijderd [want de Gemara bewijst in Eroevien 55b dat het legerkamp van de Israëlieten 12 mil breed was. Dus iemand hoefde nooit meer dan 12 mil naar het Misjkan te lopen], en Tora noemt de mensen die naar het Misjkan kwamen „zoekers van Hasjem.” Hoeveel te meer kunnen de Tora-geleerden die van andere steden over het hele land naar Javne zijn gekomen, dan ‘zoekers van Hasjem’ genoemd worden.

g. De Gemara verklaart een ander vers [Sjemot 33:11]: „En Hasjem sprak met Mosjé van aangezicht tot aangezicht.” R. Jitschak heeft gezegd: [Dit betekent niet dat Hasjem letterlijk met Mosjé sprak van aangezicht tot aangezicht, want in vs. 33:20 zegt G-d expliciet dat geen mens het gezicht van G-d kan zien. Echter:] Het betekent dat Hasjem tegen Mosjé zei: „Mosjé, laten wij, jij en Ik met elkaar praten met een vriendelijk gezicht, als we Tora leren, zoals men met elkaar spreekt van aangezicht tot aangezicht.” [Want in traktaat Ta’aniet 8a staat dat iemand geen Tora kan leren, tenzij zijn leraar hem een vriendelijk gezicht toont.]

h. R. Abahoe verklaart het vervolg van het vers [Sjemot 33:11]: „En hij [Mosjé] keerde terug naar het kamp” als volgt: Hasjem zei tegen Mosjé: „Nu je bent weggegaan uit het kamp, zullen de mensen denken: ‘de leraar [G-d] is boos op ons en zijn leerling [Mosjé] is ook boos op ons. Wie zal voor ons nu verzoening bij Hasjem vragen?’ Daarom, als je nu terug gaat naar het kamp, is dat goed, maar als je niet teruggaat, zal Ik Jehosjoea in jouw plaats aanstellen.” Hierop ging Mosjé terug.

i. Rava vult aan: de uitspraak van Hasjem was niet voor niets, want tenslotte werd Jehosjoea de leider van het volk. [Rava baseerde zijn uitspraak op wat er gezegd is in Sjabbat 55a: Een positieve uitspraak van Hasjem wordt nooit ingetrokken ten gunste van een negatieve uitspraak (zelfs al worden de voorwaarden voor de positieve uitspraak niet vervuld, zoals hier het geval was, want Mosjé ging terug naar het kamp, maar Jehosjoea werd toch de leider).]

j. De Gemara keert terug naar de toespraak van R. Jehoeda: Er staat geschreven [Dewariem 27:9]: „Haskeet – let op – luister Israël, op deze dag zijn jullie een volk geworden.” Echter dit werd gezegd aan het eind van de veertig jaar zwerven door de woestijn, maar reeds vele jaren daarvoor waren zij reeds een volk geworden, want bij Sinai zei Hasjem [Sjemot 6:7]: „En ik heb jullie voor Mij tot een volk genomen.” Dus waarom zei Mosjé pas na veertig jaar dat zij pas toen een volk waren geworden? Echter, het vers leert ons, dat op iedere dag dat iemand Tora studeert, deze hem even dierbaar is als op de dag dat deze gegeven werd op Sinai.

Rav Tanchoema, de zoon van R. Chia gaf steun aan deze uitspraak: „Dit is waar, want men zegt ’s ochtends en ’s avonds Sjema en als men dat een avond overslaat, veroorzaakt dat een gevoel alsof  hij nimmer Sjema gezegd heeft!”

k. In het hiervoor door R. Jehoeda aangehaalde vers staat ‘Haskeet.’ Dit betekent dat je groepen moet vormen [asoe kitot] die Tora leren, want men kan Tora alleen leren in groepsverband. En dat niet alleen, maar het vers [Jeremiahoe 50:36] zegt: „Er zal een zwaard getrokken worden tegen hen die alleen zijn, wenoaloe.” Dat betekent dat er een zwaard getrokken wordt tegen diegenen die in hun eentje Tora leren. En bovendien zullen zij dwaze fouten maken in hun uit­spraken, want noaloe betekent ‘dwaas worden,’ zoals er geschreven staat [in Jesjajahoe 19:13]: „De leiders van Tsoan noaloe – werden dwaas… zij hebben Egypte misleid.” Dus dwaas zijn is zondig, dus degenen die in hun eentje leren, zondigen ook nog!

l. Een ander verklaring van het woord Haskeet: het betekent dat men zich tot het uiterste moet inspannen bij de Tora-studie.

 De inspanning voor het Tora-leren

a. De Gemara vraagt: De leerschool van R. Jannai zei: Er staat geschreven (Misjlee 30:33): „Want als men melk uitperst, krijgt men boter en als men boosheid uitperst, krijgt men bloed en uit dubbele boosheid komt een dispuut voort.” Wat betekent dat?

b. De Gemara antwoordt: De creme van Tora is te vinden in wie de melk die hij opgezogen heeft, uitspuugt. [Dat wil zeggen als hij anderen de Tora onderwijst, die hij zelf geleerd heeft.]

c. En verder: als een leerling zich vol respect stil houdt, als zijn meester kwaad op hem is [om dat hij de les niet goed begrijpt], die zal hij het verschil leren tussen bloed dat tamee is [van een nidda] en bloed dat tahor is. [Dit betreft menstruatie-bloed. Er zijn verschillende tinten bloed en niet iedere kleur bloed maakt een vrouw tamee. Dit is erg moeilijke materie en wie geduldig de boosheid van zijn leraar over zich heen laat gaan, zal de verdienste hebben deze verschillen in het bloed te leren onderscheiden.]

d. En het uitpersen van dubbele boosheid wil zeggen dat als de leerling zich ook stil houd als zijn leraar voor de twee keer kwaad op hem is, dan zal hij ook de financiële wetten leren, die nog moeilijker zijn.

[M.a.w., het is de moeite waard als men zijn leraar kwaad maakt.

e. Rabbi Jismaël heeft gezegd (Bava Batra 175b): Wie wijs wil worden moet de financiële wetten leren, want die zijn zo overvloedig als een sproeiende fontein.

f. Er staat geschreven (Misjlee 30:32): „Wie zichzelf beschaamd maakt, zal worden opgebeurd, maar wie zich muilkorft, een hand op de mond.” R. Sjmoeël bar Nachmani heeft gezegd: Dit betekent dat ieder die bereid is zich beschaamd te maken [door zijn leraar vragen te stellen over Tora], die zal worden opgebeurd [hij zal grote kennis vergaren]. Maar wie zich muilkorft [en geen vragen stelt], die zal later zijn hand op zijn mond moeten leggen, wanneer hem iets gevraagd wordt over Tora, want hij zal het antwoord niet weten.

g. De Gemara keert terug naar de toespraken van de Geleerden in Javne.

1. R. Nechemja begon zijn toespraak met de gastheren lof toe te zwaaien. Hij verklaarde het vers (I Sjmoeël 15:6): „En Sjaoel zei tegen de Kenieten: ‘Ga weg, keer je af van de Amalekieten, opdat ik jullie niet samen met hen vernietig, en jullie zijn goed geweest voor de Israëlieten” als volgt: Wanneer het al als een goede daad beschouwd werd wat Jitro voor Mosjé uit eigenbelang gedaan had [Jitro, de schoonvader van Mosjé had Aharon en al de oudsten van Israël uitgenodigd voor een diner voor zijn eigen eer (zie Sjemot 18:12) en de Keinieten waren de nakomelingen van Jitro], hoeveel te meer is het dan niet lofwaardig wanneer de inwoners van Javne de Geleeerden geheel belangeloos in huis halen en te eten en te drinken geven!

2. Ook Rabbi Jossi begon zijn toespraak met lof voor de gastheren. Hij verklaarde daartoe Dewariem 23:8: „Verwerp de Edomiet niet, want hij is je broeder. Verwerp de Egyptenaar niet, want je was een inwoner in zijn land.” [Leden van sommige volken kunnen nimmer tot het Jodendom toetreden, maar Edomieten en Egyptenaren kunnen dat na een aantal generaties wel, wegens de genoemde redenen.] Wanneer de Egyptenaren al lof verdienen, terwijl zij de Israëlieten alleen voor hun eigen belang gastvrijheid aanboden, hoeveel te meer lof komt dan onze gastheren toe, die Tora-geleerden uitnodigen in hun huis en hen te eten en te drinken geven, zonder enig eigenbelang!

3. Ook Rabbi Eliëzer, de zoon van R. Jossi HaGelili begon zijn toespraak met lof voor de gastheren. Hij verklaarde II Sjmoeël 6:11-12: „En Hasjem zegende Oved Edom… wegens de Ark van Hasjem [die hij in zijn huis bewaakte].” Als Oved Edom al gezegend werd, omdat hij de Ark in huis hield, die niet at of dronk, hoeveel te meer lof komt dan toe aan de gastheren van Javne, die de Tora-geleerden in huis haalden, die wel aten en dronken. Hoeveel meer zegen komt hen toe!

De Gemara vraagt: Waarmee werd hij [Oved Edom] gezegend?

Rav Jehoeda bar Zevida antwoordt: Zijn vrouw en hun acht dochters baarden allemaal zeslingen, allen jongens (dus bij elkaar 54 jongens).