Archief Joma

Aanmelden

donderdag 19 februari 2006

2 Sjewat 5766

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 3

Door Zwi Goldberg

Voor zes wetten is Sjeminie Atsèret een apart feest

Het Slotfeest – Sjeminie Atsèret – is in feite het sluitstuk van het Soekot-feest. Echter, in zes opzichten vormt het een apart feest, aangegeven door de beginletters van die zes gevallen ‘p-z-r k-sj-v’ waarvan de betekenis volgens Rasji is:

Païs – loterij. Tijdens elk van de zeven dagen van Soekot rouleerden alle 24 misjmarot voor de offerdienst van één van de stieren voor de moesaf van die dag, maar op Sjemini Atsèret werd de misjmar afwezen door het lot.

Zeman – tijd. Op Sjemini Atsèret wordt de beracha Sjèhèchianoe gezegd, zoals op andere feesten.

Règel – pelgrimfeest. Het feest heeft een eigen naam, Sjemini Atsèret en geen Soekot en men zit dan niet meer in de soeka.

Korban – offer. Op Sjemini Atsèret worden andere, d.w.z. minder offers gebracht dan op Soekot.

Sjier lied. Op Sjemini Atsèret werd er door de Levieten een ander lied gezongen met een ander onderwerp dan tijdens Soekot.

Beracha – zegening. Op Sjemini Atsèret zegende het volk de koning.

Jom Kippoer is de enige feestdag met afzondering

De Gemara vraagt: Misschien bedoelt Tora met die ene feestdag per jaar waarop de Kohen Gadol afgezonderd moet worden Sjawoe’ot?

Antwoord: Wij verbinden een dag waarop één stier en één ram geofferd wordt (Jom Kippoer) met een dag in Tora waarop eveneens één stier en één ram geofferd geofferd werden (de Inwijding van het Misjkan) en dat sluit Sjawoe’ot uit, want dan worden er twee rammen geofferd.

De offers op Jom Kippoer

Driemaal wordt in Tora gesproken over de offers op Jom Kippoer:

a) Wajjikra 16:3: En hiermee zal Aharon naar het Heiligdom komen, met een stier als zondoffer en een ram als brandoffer.

b) Wajjikra 16:5: En voor de gemeente Israël zal hij twee geitebokken nemen als zondoffer en één ram.

c) Bamidbar 29:8: Jullie zullen als brandoffer brengen voor Hasjem… één stier [en] één ram als moesaf-offer.

Hoeveel rammen werden er geofferd op Jom Kippoer, twee of misschien zijn die welke in Wajjikra 16:5 en in Bamidbar  29:8 genoemd worden, dezelfde, en werd er dus maar één ram geofferd op Jom Kippoer (behalve die van de Kohen Gadol, genoemd in Wajjikra  16:3). Wanneer er op Jom Kippoer twee rammen geofferd werden, is er wat dat betreft geen verschil met de offers van Sjawoe’ot en dan wordt met de afzondering van de Kohen Gadol misschien Sjawoe’ot bedoeld.

Volgens Rebbi werd er door de gemeenschap maar één ram geofferd op Jom Kippoer en zijn die welke in Wajjikra 16:5 en Bamidbar 29:8 genoemd worden, dezelfde rammen. Volgens Rabbi Elazar, de zoon van Rabbi Sjim’on waren het twee verschillende rammen, echter, ze werden met verschillende bedoelingen gebracht: de één, welke genoemd wordt in Bamidbar  29:8 is een extra (moesaf) offer, toegevoegd aan het dagelijks offer.  Het andere, genoemd in Wajjikra 16:5 wordt gebracht als een verplichting voor de dag. De twee rammen op Sjawoe’ot echter worden samen gebracht, met de twee broden die op die dag geofferd worden. Dus we kunnen zeggen dat op Jom Kippoer, net als bij de inwijding van het Misjkan één stier en één ram geofferd werd bij moesaf.

Misschien is de afzondering bedoeld voor Rosj Hasjana?

De Gemara suggereert nu dat de afzondering van de Kohen Gadol ten behoeve van de verzoening Rosj Hasjana bedoeld wordt.

R. Abahoe antwoordt: Wij verbinden de dag waar de dieren betaald worden door degene die offert (de Inwijding) met de enige andere dag waar de offers betaald worden uit de zak van degene die offert (Jom Kippoer, wanneer de Kohen Gadol zijn eigen offers moet betalen), en niet met een dag waarop de offers betaald worden met gemeenschapsgeld zoals Rosj Hasjana.

Hoe weten wij dat de Kohen Gadol het zelf moet betalen?

Antwoordt: van Wajjikra 9:2: „En Hij zei tegen Aharon: ‘Neem voor jou een jonge stier als chataat en een ram als ‘ola’. Dat betekent dat Aharon die dieren zelf moest betalen.

Daf 3b

Rabbi Josjia zegt: In Sjemot 27:20 staat geschreven: „En jij zult de Israëlieten gebieden dat zij voor jou zullen nemen zuivere gestoten olijfolie…” en dat betekent uit de gemeenschapskas. En Rabbi Jonatan zegt: in beide gevallen betekent voor jou dat men het moet nemen uit de gemeenschapskas. En in Sjemot 27:20 is de betekenis dat G-d als het ware tegen Mosjé zegt: „Neem het geld voor de ketoret uit de gemeenschapskas en Ik zal het beschouwen alsof het uit je eigen zak komt” (Rasji). Dus volgens Rabbi Jonatan was de Kohen Gadol niet verplicht zijn offers zelf te betalen?

De Gemara weerlegt dit standpunt: In Wajjikra 16:6 staat expliciet: „En hij [Aharon] zal de stier die van hem is, als chataat brengen…” Hiervan leren wij dat Aharon en de Kohen Gadol de offers uit hun eigen zak moesten betalen.

Dus de dienst van de Inwijding van het Misjkan staat in verband met Jom Kippoer en niet met Rosj Hasjana of Sjawoe’ot.

Nog meer argumenten dat de Inwijding in verband staat met Jom Kippoer

Rav Asji: Wij verbinden dagen met één chataat en één ‘ola met elkaar, zoals de Inwijding en Jom Kippoer en niet met dagen als Sjawoe’ot en Rosj Hasjana, waar beide offers brandoffers [‘olot] zijn.

Ravina: Alleen de diensten van de Inwijding en Jom Kippoer mogen uitsluitend door de Kohen Gadol worden gedaan, alle andere offerdiensten kunnen ook door gewone priesters gedaan worden.

Eén afzondering of twee?

Het vers van Leviticus 8:34: Evenals men op deze dag gedaan heeft, zo heeft Hasjem geboden om te doen, om te verzoenen voor jullie diende op daf 2a als bron voor de vereiste van de afzondering zowel op Jom Kippoer als voor de dienst van de para adoema. Niet iedereen is het daar mee eens:

Rabbi Jochanan leerde dat „om te doen, om te verzoenen” allebei betrekking heeft op Jom Kippoer, en niet dat men daaruit kan afleiden dat de Kohen ook voor de dienst van de para adoema moet worden afgezonderd.

Rabbi Jehosjoea ben Levi daarentegen leert dat „om te doen” slaat op de dienst voor de para adoema en „om verzoening te doen” slaat op Jom Kippoer.

De Gemara vraagt zich nu af hoe R. Jochanan de verplichting van afzondering voor de dienst van de para adoema kan ontkennen, wanneer de Misjna in Traktaat Para 3:1 expliciet zegt: Zeven dagen voor de verbranding van de para zondert men de Kohen die het verbrandt, af. [Rabbi Jochanan was een Amora en die kon moeilijk tegen een Misjna ingaan].

De Gemara verklaart: Volgens Rabbi Jochanan is dat een verplichting die niet uit Tora volgt, maar door de Rabbijnen is opgelegd [omdat die Kohen opzettelijk tamee gemaakt werd, zoals op daf 2 verklaard werd, maakten de Rabbijnen andere verzwaringen (Rasji), om te voorkomen dat deze dienst te licht zou worden opgevat]. En de verklaring van Rabbi Jochanan op daf 2a waarin hij zegt dat „om te doen” op de dienst van de para adoema slaat en „om te verzoenen” op Jom Kippoer, daar citeert Rabbi Jochanan zijn leraar, maar hijzelf was daar niet mee eens (en elders vertelt Ravin dat R. Jochanan dit gezegd heeft uit naam van zijn leraar R. Jisjmael).

Rabbi Jochanan en Reisj Lakisj over de bron van de afzondering

Reisj Lakisj stelt een vraag aan R. Jochanan betreffende de essentie van de afzondering op Jom Kippoer: Elk onderdeel van de dienst zoals die in Tora over de Inwijding van het Misjkan genoemd wordt, was essentiëel en wanneer daarvan iets werd weggelaten, zou de dienst ongeldig geweest zijn. Betekent dat niet dat ook elk onderdeel voor de dienst op Jom Kippoer essentiëel is en dat wanneer de Kohen Gadol niet wordt afgezonderd, de dienst ongeldig is? Maar onze Misjna zegt niet dat de reserve-Kohen Gadol ook afgezonderd moet worden, dus kennelijk is die afzondering niet essentiëel?

Kennelijk vecht Reisj Lakisj de bron van de afzondering op Jom Kippoer (de Inwijdingsdienst) aan.

R. Jochanan vraagt daarom aan Reisj Lakisj waar hij die bron dan van afleidt.

Reisj Lakisj antwoordt: Van Mosjé’s afzondering voordat hij de Har Sinai opging, zoals geschreven staat in Sjemot 24:17: En de heerlijkheid van Hasjem rustte op de Berg Sinai, en de wolk bedekte hem [Mosjé] gedurende zes dagen en Hij riep Mosjé op de zevende dag. [Dus Reisj Lakisj verklaart dat de wolk Mosjé zes dagen bedekte, niet de berg.] Dat betekent dat ieder die het Kamp van de Sjechina binnengaat, zes dagen afgezonderd moet worden [dus niet wegens de offers van Jom Kippoer.

Maar onze Misjna heeft het over zeven dagen afzondering, niet zes!

De Gemara antwoordt: Onze Misjna volgt de mening van Rabbi Jehoeda ben Beteira, die bang is dat de Kohen Gadol de dag voor zijn afzondering gemeenschap had met zijn vrouw en dat zij daarbij onverwachts ongesteld werd, zodat de Kohen Gadol nu  zeven dagen tamee is.