Archief Joma

Aanmelden

maandag 12 juni 2006

16 Siwan 5766

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 5

Door Zwi Goldberg

De Gemara keert terug naar het dispuut tussen Reesj Lakisj en R. Jochanan (onderaan daf 4b)

We mogen concluderen dat beiden ermee instemmen dat alles wat geschreven is over de parasjat Miloe’iem [de Inwijding van Aharon en zijn zonen] essentiëel is.

Het dispuut tussen R. Jochanan en R. Chanina over wat essentiëel is voor de Miloeiem

Er is een machloket tussen R. Jochanan en R. Chanina welke details van de Miloe’iem essentiëel zijn. De een zegt dat alles wat geschreven staat over de inwijdingsdienst, daarvoor essentiëel is, en de ander zegt dat alleen wat essentiëel is voor toekomstige generaties, ook essentiëel is voor de Miloeïem-dienst. [De Gemara probeert nu te analyseren wie bij welke uitspraak hoort (Rasji).]

Uit de discussie tussen R. Jochanan met Reesj [Rabbi Sjimon ben] Lakisj valt te concluderen dat R. Jochanan degene is die meent dat alle details essentiëel zijn. Reesj Lakisj vroeg aan R. Jochanan dat als de afzondering geleerd wordt van de Miloeïem dienst, dan is het ook essentiëel voor Jom Kippoer. Uit het feit dat R. Jochanan daar geen commentaar op gaf, kunnen we afleiden dat hij het daar mee eens was. Dus meent hij dat alle details, die bij de Miloeïem genoemd worden, essentiëel zijn. En R. Chanina is dus degene die zegt dat niet alles essentiëel was.

Vraag: Wat is de halachische consequentie van de machloket tussen R. Jochanan en R. Chanina?

Antwoord 1: Het verschil is de Semicha, waarvan R. Jochanan zegt dat het essentiëel is voor de Miloeïem en volgens R. Chanina is het dat niet, want het is niet essentiëel in de toekomst. Want een Baraita leert dat er weliswaar geschreven staat (Leviticus 1:4): „En hij zal leunen [semicha]… en het [de verzoening] zal geaccepteerd worden,” maar de verzoe­ning wordt verkregen door het werpen van het bloed op het altaar. Dus de semicha is niet essentiëel.

Antwoord 2: Het verschil is de tenoefa – het wuiven [met bepaalde offers, zoals met het borststuk en de rechter dij van de Sjelamiem wordt naar voren en naar achteren en naar boven en naar onderen gewuifd in de Tempel]. Volgens de een (J. Jochanan) is de tenoefa essentiëel voor de Inwijdingsdienst, volgens de ander niet, want een Baraita leert dat volgens Leviticus 14:21 een arme metsora een schaap moet nemen voor de tenoefa om verzoening te verkrijgen. Maar we weten dat verzoening wordt verkregen door het bloed op het altaar. Dus het is niet essentiëel.

Antwoord 3: Het verschil is de zeven dagen afzondering. Volgens de een (R. Jochanan) is dat essentiëel voor de Inwijdingsdienst, volgens R. Chanina niet want we hebben in onze Misjna geleerd dat men een andere Kohen voorbe­reidt op de dienst van de Kohen Gadol met Jom Kippoer, zonder dat hij afgezonderd wordt.

Antwoord 4: Het verschil is de extra kleren en de zalving gedurende de zeven dagen van afzondering. Volgens R. Jochanan was dit essentiëel voor de Inwijdingsdienst, volgens R. Chanina niet. En hoe weten wij dat zeven dagen extra kleren en zeven dagen zalving niet essentiëel is voor de Jom Kippoer dienst? Omdat er geschreven staat (Lev. 16:32) omtrent de Jom Kippoer-dienst: „Dan zal de priester die men zalven zal en die men wijden zal tot priester in plaats van zijn vader, verzoening doen.” Hier staat niet dat hij zeven dagen moet ingewijd en gezalfd moet worden; kennelijk is één dag voldoende. Maar het is wel een Mitswa lechatchila, dat wil zeggen dat men a priori het wel moet doen.

Vraag: Na alle bewijzen dat al deze geschilpunten niet essentiëel zijn, waarop baseert degene zich dan die zegt dat het wel essentiëel is?

Antwoord: Op het vers (Exodus 29:35): „En zo zul je met Aharon en zijn zonen doen.” Het woordje zo duidt erop dat het essentiëel is.

Daf 5b

Tsoewetietsiewetie – tsiewa

Hoofdstuk 10 van Wajjikra handelt over de achtste dag van de Inwijding. Op die dag stierven de beide zonen van Aharon, Nadav en Avihoe, zodat Aharon en zijn beide overige zonen Itamar en Elazar in een staat van aninoet verkeerden [een oneen is iemand wiens naaste familie die dag is overleden maar nog niet begraven]. Desondanks zei Mosjé tegen hen dat zij het Mincha moesten eten, ondanks dat oneniem normaliter geen kedosjiem mogen eten, want, zo voegde hij daar in vers 13 aan toe: „kie cheen tsoewetie – want zo is mij bevolen”. Vervolgens gaf hij hen instructies welke beweging zij met de offers moesten maken, „kaäsjer tsiewa Hasjem – zoals Hasjem geboden heeft” (10:15). Aharon dacht echter dat hij en zijn zonen dat niet mochten eten vanwege hun aninoet en toen Mosjé ontdekte dat zij zijn instructies niet gevolgd hadden, werd hij boos en verweet hij hen dat zij niet gedaan hadden „kaäsjèr tsiewetie – zoals ik geboden heb” (10:18). [Rasji zegt hierop dat Mosjé er extra aan toevoegde dat Hasjem hem geboden had zo te doen, omdat het hier een uitzonderingstoestand betrof. Vandaar het woord tsoewetie  – zo is mijn bevolen.]

De broek van de Kohaniem

De Tora vertelt (Exodus 29:5-6) hoe Mosjé Aharon op elk van de zeven Inwijdingsdagen kleedde in de speciale kleren van de Kohen Gadol, maar, merkt de Gemara op, daar wordt de broek niet bijgenoemd. De Gemara verklaart: Die zin begint met het woordje „En.” Dat duidt op een verband met het voorgaande, waar in vers 28:42 wel de broeken genoemd worden. Dus ze horen er wel bij.

Het aankleden van de Kohaniem

De Gemara vraagt: In welke volgorde kleedde Mosjé Aharon en diens zonen aan?

De Gemara antwoordt: Waar maak je je druk om? Wat gebeurd is, is gebeurd. Wat maakt dat voor verschil uit?

Vraag: De vragensteller verdedigt zijn vraag: Dat is van belang om te weten hoe in de toekomst, als de Tempel wordt herbouwd, de Kohaniem aangekleed moeten worden?

Antwoord: Wanneer de Tempel herbouwd wordt en Aharon en zijn zonen weer op zullen staan, zal Mosjé ook bij hen zijn en dan vragen we het hem!

De Gemara veklaart dat er een tegenstrijdigheid lijkt te zitten in twee Tora-verzen over dit onderwerp. In Exodus 29:9 wordt Mosjé geboden: „En je zult Aharon en zijn zonen omgorden.” Dit lijkt te betekenen dat Mosjé Aharon en zijn zonen tegelijkertijd omgordde, zonder onderbreking daar tussen in. [Rasji zegt: niet tegelijker tijd, maar aldus: eerst kleedde hij Aharon helemaal aan, behalve diens gordel. Daarna kleedde hij de zonen van Aharon helemaal aan, zonder hun gordels. Daarna omgordde hij Aharon en daarna de zonen.] Echter in Leviticus 8:7 e.v. lezen wij hoe Mosjé Aharon volledig aankleedde op die bewuste dag, inclusief de gordel en pas daarna (vs. 13) kleedde en omgordde hij de zonen. Dus dat lijkt in tegenstelling met het gebod van Hasjem?