Archief Joma

Aanmelden

dinsdag 13 juni 2006

17 Siwan 5766

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 6

Door Zwi Goldberg

De bigdei kehoena van Aharon en zijn zonen

We hebben op de vorige daf geleerd dat men uit één van de daar genoemde psoekiem misschien zou kunnen concluderen dat Mosjé Aharon en zijn zonen tegelijk aankleedde.

De Gemara vraagt nu hoe iemand kan beweren dat Mosjé zoiets deed? Ten slotte staat er geschreven (Leviticus 8:7): „En hij omgordde hem,” in het enkelvoud, terwijl in vers 13 staat: „En hij omgordde hen,” in het meervoud. Dus kleedde hij tweemaal aan.

De Gemara antwoordt: Hier wordt niet bedoeld dat hij tweemaal aankleedde, maar dat de beide gordels verschillend waren: die van de Kohen Gadol van linnen met wol en die van een gewone Kohen van alleen linnen.

De Gemara vraagt: En hoe kan iemand beweren dat Mosjé Aharon en zijn zonen niet tegelijkertijd aankleedde? Er staat toch geschreven (in Exodus 29:9): „En je zult hen omgorden,” hetgeen suggereert tegelijkertijd?

De Gemara antwoordt: Dat vers leert ons dat beide gordels van hetzelfde makelij zijn [d.w.z. dat beide gordels sja’atnez zijn. Het is een machloket van de Tannaiem of ook de gordel van de gewone Kohaniem sja’atnez is. Dit wordt verderop in de Gemara behandeld].

De Gemara vraagt: Waarom dan staat het eerst in het enkelvoud en dan in het meervoud?

De Gemara antwoordt: Omdat hij eerst Aharon omgordde en daarna diens zonen.

De Gemara vraagt: Maar hoe is het fysiek mogelijk om Aharon en zijn zonen tegelijk aan te kleden?

De Gemara antwoordt: Het gebeurde niet precies tegelijkertijd, maar na elkaar, maar er was geen pauze tussen.

De afzondering van de Kohen Gadol

De Gemara keert terug naar het onderwerp van de Misjna, waar staat: Zij zonderen de Kohen Gadol af, enz.

De Gemara vraagt: Waarom doen zij dat?

De Gemara antwoordt: Wat een vraag! Omdat dit volgt uit wat er gebeurde bij de Inwijding van de Kohaniem volgens R. Jochanan, of wat er gebeurde op Sinai volgens Resj Lakisj, zoals al uitgebreid werd besproken!

De Gemara herstelt de vraag: We bedoelen: waarom wordt hij afgezonderd van zijn huis (= vrouw)? Waarom kan hij niet thuis blijven?

De Gemara antwoordt: Wij zijn bang dat hij gemeenschap zal hebben met zijn vrouw, terwijl na afloop daarvan blijkt dat zij nidda is [en dan is hij zeven dagen tamee en kan de Jom Kippoer-dienst niet doen. De Gemara gaat er hierbij vanuit, dat de vrouw daarmee haar man tamee maakt, waar niet iedereen mee eens is].

De Gemara vraagt: Dit antwoord betekent dat het de mening van Rabbi Akiwa volgt, die meent dat een vrouw die nidda is, de man die met haar gemeenschap heeft, tamee maakt, want de andere Geleerden menen dat zij degene die met haar gemeenschap heeft, niet tamee maakt [voor zeven dagen als zij niet wist dat zij nidda was, maar slechts voor die ene dag, tot de avond].

De Gemara antwoordt (Rav Chisda): Nee, het kan ook zijn dat dit de andere Geleerden volgt maar de Geleerden maken onderscheid tussen de tijd die verlopen is tussen de gemeenschap en het moment waarop ontdekt wordt dat de vrouw nidda is. Wanneer onmiddelijk na de gemeenschap blijkt dat de vrouw nidda was, dan zijn de Geleerden het met Rabbi Akiwa eens, dat de man zeven dagen tamee is, maar wanneer het pas enige tijd daarna ontdekt wordt, dan verschillen zij met hem van mening.

R. Zeira trekt een conclusie uit de zeven dagen van afzondering: Het houdt in dat de toema van iemand die gemeen­schap heeft met een nidda niet zo streng is als de toema van de nidda zelf, want zij kan zich pas op de avond na de zevende dag in het mikwe reinigen, terwijl hij dat al kan doen op de zevende dag zelf. [Anders zou  de Kohen Gadol acht dagen moeten wachten, voordat hij dienst kan doen, niet zeven dagen.]

R. Sjimi uit Nehardea antwoordt: Hij wordt een uur voor zonsondergang [vóór de zeven dagen voor Jom Kippoer] afgezonderd en dat telt als een hele dag, dus hij wordt wel tamee als een nidda.

De Gemara werpt tegen: Maar een Misjna (Zawiem 5:11) zegt dat er wel verschil is: Ieder die in het mikwe moet, doet dat overdag, behalve een nidda en een vrouw die bevallen is, die gaan na nacht in het mikwe.

De Gemara antwoordt: De Misjna bedoelt met ‘een nidda’ ook iedereen die met een nidda gemeenschap gehad heeft.

De Gemara werpt tegen: Een Baraita zegt: iemand die een zaadlozing heeft gehad is te vergelijken met iemand die een sjèrets heeft aangeraakt [en beiden kunnen zich op dezelfde dag dat zij verontreinigd werden, zich reinigen] en iemand  die gemeenschap heeft gehad met een nidda is te vergelijken met de toema van een dode [en iemand die tamee is door een dode mag zich op de zevende dag na de aanraking in het mikwe reinigen. Dus kennelijk mag de man die met de nidda gemeenschap had, dat ook].

De Gemara antwoordt: Nee, het betekent wat anders. Het betekent dat die laatste twee zeven dagen tamee zijn, in tegenstelling tot de eerste twee, die beiden maar één dag tamee zijn.

De Gemara werpt tegen: Dat kan niet de bedoeling van de Baraita zijn, want de lengteduur van de toema staat precies beschreven in Tora: Betreffende toemat meet (Numeri 19:14): „Wanneer een mens sterft in een tent, dan zal al wat in de tent is zeven dagen onrein zijn,” en vers 16: „Ieder die een dode op het veld aanraakt, zal zeven dagen onrein zijn.” En betreffende nidda (Leviticus 15:24): „En wanneer iemand gemeenschap met haar (een nidda) zal hebben… dan zal hij zeven dagen onrein zijn.” Dus dat hoeft de Baraita ons niet te vertellen [en die wil ons dus vertellen dat ze zich allebei overdag in het mikwe kunnen reinigen].

Daf 6b

De Gemara antwoordt: Nee, je moet de Misjna helemaal uitlezen, want daar staat nog: behalve dat wie gemeenschap heeft met een nidda strenger is [zijn verontreiniging is zwaarder dan die van een toemat meet] in dat opzicht, dat hij [degene die gemeenschap had met een nidda] ook het bed en de stoel waarop hij zit, tamee maakt in een lichtere graad [zelfs als hij dat bed of die stoel niet direct aanraakt, maar als hij ligt of zit op een mat, terwijl een toemat meet alleen iets door aanraking kan verontreinigen].

De Gemara doet een laatste poging om aan te tonen dat Rav Sjimi ongelijk heeft als hij zegt dat iemand die gemeenschap heeft met een nidda net als zij tamee wordt en pas na nacht in het mikwe mag:

Rav Chia heeft geleerd in een Baraita: Een manlijke of vrouwelijke zav of metsora, een man die gemeenschap heeft men een nidda en iemand die tamee is door een lijk dompelen zich allen overdag onder [in een mikwe], maar een nidda en een vrouw die bevallen is gaan pas na nacht in het mikwe.

Dit is een afdoende weerlegging van het argument van Rav Sjimi.

Afzondering van de Kohen Gadol voor toemat meet [onreinheid door aanraking met een dode]

De Gemara vraagt: Misschien moeten we de Kohen Gadol ook afzonderen van toema van een dode [want misschien komt iemand hem bezoeken in die zeven dagen en overlijdt die bezoeker in de aanwezigheid van de Kohen Gadol]?

De Gemara antwoordt: Rav Tachlifa, de vader van Rav Hoena zei in naam van Rawa: Toemat meet is toegestaan voor de gemeenschap [d.w.z., hoewel Tora iemand verbiedt om offers te brengen als hij tamee is, is er een uitzondering voor toemat meet bij gemeenschapsoffers en de Gemara zegt verderop (50a) dat een persoonlijk offer dat op een voorge­schreven vaste tijd moet gebracht worden, dezelfde din heeft als een gemeenschapsoffer. Dus de persoonlijke offers van de Kohen Gadol (de chataat-stier en de ram als ola) zijn ook te beschouwen als gemeenschapsoffers en die mag hij dus, volgens deze mening, ook brengen in een toestand van toemat meet. En dus hoeft hij daarvan niet te worden afge­zonderd.

De Gemara vraagt (Ravina): Misschien betekent ‘Toemat meet is toegestaan voor de gemeenschap’ alleen dat wanneer heel de gemeenschap of de meerderheid daarvan toemat meet is, men gemeenschapsoffers mag brengen [en we moeten de Kohen Gadol dus afzonderen van toemat meet]?

De Gemara antwoordt: Een onverwachte toema van een dode komt zelden voor, maar de toema van het huis [= van een vrouw die onverwacht nidda wordt] komt wel vaker voor. [Daarom moet de Kohen Gadol wel van zijn huis afgezonderd worden, maar niet van een toemat meet.

Toemat meet is toegestaan of opzijgeschoven

Rav Nachman zegt: toemat meet is toegestaan voor de gemeenschap [voor gemeenschapoffers] – Rav Sjesjet zegt: het wordt alleen opzijgeschoven door de gemeenschap [als de gemeenschap tamee is].

Het praktische verschil daartussen is alsvolgt: Wanneer er in een familiegroep van Kohaniem zowel reine als onreine Kohaniem zijn, dan moeten de reine Kohaniem de dienst verrichten en de onreinen niet, zelfs geen gemeenschapsoffers. Wanneer alle leden van een familiegroep van Kohaniem tamee zijn, dan mogen de onreine Kohaniem volgens R. Nachman de offers brengen [want gemeenschapsoffers mogen volgens hem in toemat meet gebracht worden], maar volgens R. Sjesjet moet men Kohaniem van een andere familie zoeken die de offers kunnen brengen [want volgens hem mogen offers alleen in een toestand van  toemat meet gebracht worden als de hele gemeenschap tamee is].

Een andere verklaring voor het praktische verschil tussen deze twee meningen: Zelfs als er reine en onreine Kohaniem in een familiegroep zijn, dan zegt Rav Nachman dat ook de onreinen mogen dienst doen, want de Albarmhartige heeft alle gevallen van toemat meet toegestaan bij gemeenschapsoffers.