Archief Joma

Aanmelden

woensdag 14 juni 2006

18 Siwan 5766

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 7

Door Zwi Goldberg

Toemat meet is toegestaan of opzijgeschoven (vervolg)

Rav Sjesjet verklaart dat de bron van zijn mening (zoals vermeld op de vorige daf), n.l. dat toemat meet alleen wordt opzij­ge­schoven als de gemeenschap tamee is, een Baraita is die zegt dat als het omer-mincha-offer in handen van de Kohen onrein wordt, er gezocht wordt naar een reine hoeveelheid gerst, waarmee het offer gebracht kan worden. [De omer-mincha was een gemeenschapsoffer dat op de tweede dag Pesach gebracht werd, en dat bestond uit een omer gerstemeel van de nieuwe oogst.] Dus de toema wordt opzijgeschoven, d.w.z. iets mag alleen in toema gebracht worden als de gemeenschap tamee is.

Rav Nachman antwoordt dat iedereen het ermee eens is, dat wanneer de rest van een offer gegeten wordt, het de voorkeur verdient om het offer in tahara te brengen [en dat is hier het geval, want ook als volgens R. Nachman een gemeenschapsoffer in toema gebracht mag worden, mag het niet in toema gegeten worden en van de omer wordt maar een klein gedeelte [een komets - handvol] op het altaar geofferd en de rest wordt door de Kohaniem  gegeten].

De Gemara vraagt: Een andere Baraita leert hetzelfde betreffende niet-eetbare offers: Wanneer een Kohen  het mincha offert dat hoort bij de stieren, rammen of lammeren [die als brandoffer of vredesoffer gebracht worden en waarbij een mincha [=meeloffer] gebracht wordt, dat in zijn geheel op het altaar verbrand wordt], en het wordt tamee in zijn handen, … dan brengen zijn collega’s een ander daarvoor in de plaats. Het gaat hier waarschijnlijk om de moesaf-offers en dat zijn gemeenschapsoffers en toch mag het mincha hier kennelijk niet in toema gebracht worden en wordt de toema alleen opzijgeschoven als de hele gemeenschap tamee is.

De Gemara antwoordt: Nee, ieder dier is hier een ander soort offer: De stieren worden geofferd als de gemeenschap door verkeerde voorlichting door hun leiders in dwaling een afgod gediend hebben, dan wordt er een stier geofferd. Dit is weliswaar een gemeenschapsoffer, maar het wordt niet op vaste tijden gebracht, en de dispensatie voor gemeen­schapsoffers in toema geldt alleen voor offers die op vast tijden gebracht worden. De rammen waar de Baraita het over heeft, zijn de rammen die de Kohen Gadol op Jom Kippoer offert en dat is een persoonlijk offer, geen gemeen­schapsoffer. En de lammeren waar de Baraita het over heeft, zijn de lammeren die bij de omer geofferd worden en het mincha  dat daar genoemd wordt, is de omer zelf, en daar wordt de rest van gegeten.

De Gemara vraagt aan Rav Nachman: Een Baraita zegt dat als het bloed van een offer tamee  is geworden maar de Kohen  werpt het desondanks onopzettelijk op het altaar, dan is het geldig, maar als hij het met opzet doet, wordt het offer niet geaccepteerd [volgens een decreet van de Rabbijnen, d.w.z. het vlees mag niet gegeten worden]. Dus kennelijk is toema niet toegestaan?

De Gemara antwoordt: Die Baraita gaat over een privé-offer.

De Gemara vraagt aan Rav Nachman: Waarom is de tsiets nodig om acceptatie te krijgen voor tamee offers, wanneer die in elk geval zijn toegestaan? [De tsiets van de Kohen Gadol (dat is zijn voorhoofdsplaat met de Sjeem Hasjem erop) heeft de capaciteit om offers die in toema zijn gebracht, acceptabel te maken. Het geldt voor iedere soort toema van het offer, niet voor toema van de Kohen.]

De Gemara antwoordt: Dat is nodig voor privé-offers en voor gemeenschapsoffers die geen vaste tijd hebben.

De Gemara richt zich nu tot het standpunt van Rav Sjesjet, die zegt dat een offer alleen in toema gebracht mag worden als de gemeenschap tamee is.

De Gemara vraagt: Een Baraita zegt: Tora (Exodus 28:38) zegt: „En zij [de tsiets] zal op het voorhoofd van Aharon zijn, opdat Aharon de misdaad van de heilige offers… zal opheffen.” Welnu, welke misdaad zal Aharon opheffen? Het is niet de zonde van piggoel [een offer waarbij degene die de avoda doet, in gedachte heeft dat het offervlees op een niet toegestane plaats zal worden gegeten], want daarvan staat geschreven (Lev. 19:7) dat het ongeldig is. En het is ook niet notar [een offer waarbij degene die de avoda doet, in gedachte heeft dat het offervlees buiten de toegestane tijd gegeten zal worden gegeten], want daarover staat geschreven (Lev. 7:18) dat het niet welgevallig is.

Daf 7b

Dus blijft alleen de misdaad van toema over en dat is redelijk want het is toegestaan om een offer in toema te brengen voor de gemeenschap. [Dus de Baraita is in overeenstemming met Rav Nachman]. Deze Baraita is een probleem voor Rav Sjesjet, want er staat expliciet dat het is toegestaan.

De Gemara concludeert dat de machloket tussen Rav Nachman en Rav Sjesjet al een machloket is tussen de Tannaïem Rabbi Sjim’on en Rabbi Jehoeda.

De machloket tussen R. Sjim’on en R. Jehoeda over de werking van de tsiets

Een Baraita

R. Sjim’on zegt: de tsiets zorgt voor acceptatie van het offer dat in overtreding gebracht werd, ongeacht of zij op het voorhoofd van de Kohen Gadol zit of niet.

R. Jehoeda zegt: de tsiets werkt alleen op het voorhoofd van de Kohen Gadol.

R. Sjim’on bewijst zijn gelijk: Op Jom Kippoer draagt de Kohen Gadol geen tsiets [als hij de avoda in het Heiligdom verricht, maar dan draagt hij de witte linnen kleren] en toch wordt de avoda geaccepteerd als die in toema verricht wordt.

R. Jehoeda antwoordt: De avoda van de Kohen Gadol heeft geen tsiets nodig, want hij doet dienst voor de gemeenschap en dan is hij vrijgesteld.

De Gemara concludeert hieruit dat R. Sjim’on blijkbaar ervan uit gaat dat toema opzijgeschoven wordt door de gemeenschap en dat de tsiets nodig is om acceptatie te verkrijgen voor gemeenschapoffers die in toema gebracht worden. En Rav Sjesjet volgt Rabbi Sjim’on. [Rambam paskent volgens Rabbi Sjim’on en Rav Sjesjet in Hilchot Biat HaMikdasj 4:14-15.]

Abbajjé zegt: Een gebroken tsiets werkt niet volgens alle meningen. Maar als de tsiets intact is maar niet op het hoofd van de Kohen Gadol dan werkt zij volgens R. Jehoeda niet, want er staat geschreven (Ex. 28:38): En zij [de tsiets] zal op het voorhoofd van Aharon zijn, opdat Aharon de misdaad van de heilige offers… zal opheffen.” Dus alleen als de tsiets op het voorhoofd van de Kohen Gadol zit, werkt zij. Maar R. Sjim’on bewijst dat dit onjuist geredeneerd is want hetzelfde vers gaat verder en zegt: „…en zij zal altijd op zijn voorhoofd zijn tot welgevallen…” Welnu, soms slaapt de Kohen Gadol en soms moet hij naar het toilet en dan moet hij de tsiets afdoen dus hij draagt de tsiets niet altijd, maar het woord altijd slaat op de acceptatie die er altijd is, ook als de Kohen Gadol de tsiets niet draagt!

Maar R. Jehoeda geeft een andere verklaring voor het woord altijd: de Kohen Gadol moet altijd aan de tsiets denken, als hij hem opheeft [door hem voortdurend te betasten (Rasji)], zoals men ook steeds zijn tefillien moet betasten, wanneer men die om heeft.