Archief Joma

Aanmelden

donderdag 19 februari 2006

2 Sjewat 5766

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 8

Door Zwi Goldberg

R. Jehoeda en R. Sjim’on over de acceptatie door de tsiets

Vraag: Nadat de Gemara het standpunt van R. Jehoeda heeft uiteengezet, bespreekt het nu R. Sjim’ons standpunt, die beweert dat de tsiets altijd voor acceptatie zorgt: Waarom staat er dan geschreven (Ex. 28:38): En zij [de tsiets] zal op het voorhoofd van Aharon zijn, opdat Aharon de misdaad van de heilige offers… zal opheffen”?

De Gemara antwoordt: Die pasoek komt volgens R. Sjim’on eenvoudig vertellen dat de plaats van de tsiets het voorhoofd van de Kohen Gadol is.

De Gemara vraagt: En van waar leert R. Jehoeda dit?

De Gemara antwoordt: Van het eind van dit vers, waar nogmaals herhaald wordt: „Het zal altijd op zijn voorhoofd zijn.”

De Gemara vraagt: Is dat dan niet ook voldoende voor R. Sjim’on?

De Gemara antwoordt: Ja, dat is het.

De Gemara vraagt: Wat doet R. Sjim’on dan met: „En zij [de tsiets] zal op het voorhoofd van Aharon zijn, opdat Aharon de misdaad van de heilige offers… zal opheffen”?

De Gemara antwoordt: Dat leert dat de tsiets alleen effectief is als die intact en niet gebroken is.

De Gemara vraagt: En vanwaar leert R. Jehoeda dat de tsiets niet effectief is als hij gebroken is?

De Gemara antwoordt: Van de woorden „zijn voorhoofd.”

En R. Sjim’on ziet geen betekenis in het verschil tussen „zijn voorhoofd” of „het voorhoofd.”

Nogmaals toemat meet is vrijgesteld of opzijgezet

De Gemara keert terug naar de vraag of toemat meet is toegestaan voor gemeenschapsoffers of alleen wordt opzijgezet als de hele gemeenschap (of de meerderheid daarvan) onrein is.

Een Baraita leert: Rabbi Meïr zegt: Iedere dag van hun zeven dagen afzondering worden beiden [de Kohen Gadol voor Jom Kippoer en de Kohen die de rode koe gaat slachten] besprenkeld met de as van de vorige rode koeien [om hen te reinigen van eventuele toemat meet). Rabbi Jossi zegt: Alleen op de derde en de zevende dag worden ze besprenkeld. R. Chanina segan hakohaniem[1] zegt: De kohen die de rode koe gaat verbranden wordt alle zeven dagen van zijn afzondering besprekeld, de Kohen Gadol wordt voor Jom Kippoer alleen op de derde en zevende dag besprenkeld.

De Gemara veronderstelt dat R. Meïr meent dat toemat meet alleen opzijgezet wordt, en dus moet men streng zijn met de reiniging van de Kohen Gadol, want iedere dag van de zeven dagen afzondering kan de derde of zevende dag zijn, sedert de dag waarop hij tamee werd. En R. Jossi meent dat toemat meet is vrijgesteld voor gemeenschapsoffers en het sprenkelen is strikt genomen niet nodig, maar we doen het als een choemra [verzwaring], omdat ook Aharon besprekeld werd tijdens de miloeïem [inwijding].

De Gemara verwerpt dit: Aharon werd alle zeven dagen besprenkeld, dus dan zou R. Jossi ook eisen dat de Kohen Gadol alle zeven dagen besprenkeld wordt. Maar iedereen is het ermee eens dat toemat meet alleen opzijgezet wordt door de gemeenschap. Hun verschil is dat R. Meïr meent dat zij onmiddellijk na het besprenkelen in het mikwe moeten, en dus moeten zij alle zeven dagen besprenkeld worden, want iedere dag kan de derde of de zevende dag zijn na de verontreiniging en dan moeten de Kohaniem in het mikwe. Maar R. Jossi meent dat het geen mitswa  is om op tijd in het mikwe  te gaan, maar dat het voldoende is als ze op de zevende dag in het mikwe gaan en dus geeft het volgens hem niet wanneer zij besprenkeld waren.

Het verbod op het uitwissen van de Sjeem Hasjem

Er staat geschreven (Deuteronomium 12:3-4): „…en jullie zult hun naam [van de afgoden] doen verloren gaan van die plaats. Maar jullie zullen dat niet doen met Hasjem jullie G-d.” Hieruit leren we dat het verboden is de naam van Hasjem uit te wissen. Dat heeft verstrekkende gevolgen. Bijvoorbeeld wanneer iemand de Sjeem Hasjem op zijn lichaam geschreven heeft, mag hij niet baden. En als hij in het mikwe moet voor een mitswa, moet hij de plaats waar de Sjeem Hasjem  staat geschreven, bedekken met riet. Maar Rabbi Jossi zegt dat hij gewoon mag baden, als hij de Naam maar niet afschrobt.

Wat is de basis van hun meningsverschil? De Tanna Kamma meent dat men niet onmiddelijk in het mikwe hoeft, maar hij kan rustig zoeken naar het riet om de Naam af te dekken. En R. Jossi meent dat hij wel onmiddellijk in het mikwe moet, en als wij hem verplichten eerst naar riet te zoeken, stelt hij het mikwe misschien uit tot de volgende dag.

We zien dat het standpunt van R. Jossi hier in strijd is met zijn standpunt hierboven. Dus de redenering klopt niet.

De Gemara geeft nu een andere verklaring voor het meningsverschil tussen R. Meïr en R. Jossi. Het is volgens beide Tannaïem  een mitswa om onmiddellijk na het einde van de toema zich in het mikwe te reinigen en dus moet de Kohen Gadol voor Jom Kippoer en de Kohen die de rode koe verbrandt, iedere dag in het mikwe, want dat kan het einde zijn van zijn toema. R. Meïr meent dat hetzelfde geldt voor de besprenkeling en R. Jossi meent dat dit niet nodig is.

De mening van R. Chanina de Segan HaKohaniem

Rabbi Chanina Segan HaKohaniem stelt de sprenkeling niet gelijk aan de verplichting van het mikwe, en daarom hoeven noch de Kohen Gadol voor Jom Kippoer, noch de Kohen die de rode koe verbrandt, dagelijks besprenkeld te worden, en de reden dat de Kohen die de rode koe verbrandt toch dagelijks besprenkeld wordt, is alleen een choemra.

Daf 8b

Het verschil in afzondering tussen de Kohen Gadol voor Jom Kippoer en de Kohen die de rode koe verbrandt

Een Baraita: Het enige verschil tussen de Kohen die de rode koe verbrandt en de Kohen Gadol op Jom Kippoer is dat de eerste niet door anderen mag worden aangeraakt en de laatste wel. [De Kohen Gadol wordt geïsoleerd om te voorkomen dat hij hooghartig zal worden, dus er is geen reden om hem niet aan te raken. Maar de Kohen die de rode koe verbrandt, wordt geïsoleerd om aan de Tsaduceeërs te laten zien dat deze Kohen rein moet zijn (zie daf 2a) en dus zijn wij ook hierin streng en mag hij niet worden aangeraakt om zijn tahara te demonstreren.

De Gemara concludeert dat deze Baraita niet de mening van Rabbi Chanina Segan HaKohaniem kan zijn, want die heeft nog meer verschillen opgenoemd. Het moet dus de mening van R. Meïr of R. Jossi weergeven.

Worden ze op de vierde dag van de afzondering besprenkeld?

Vraag 1: Rabbi Jossi de zoon van R. Chanina vraagt waarom de Kohen op de vierde dag besprenkeld wordt. Dat kan niet de derde dag na zijn verontreiniging zijn, want hij bevindt zich al vier dagen in afzondering, en in die tijd werd hij niet verontreinigd. Het kan wel de zevende dag na zijn verontreiniging zijn, maar het heeft geen nut om hem dan te besprenkelen als hij niet ook op de derde dag na zijn verontreiniging besprenkeld was en dat was hij niet, want dat was de dag voor hij in afzondering ging. Voor alle overige dagen is er geen probleem.

Vraag 2: Een Misjna in Pesachiem (65b) zegt dat de Rabbijnen het verboden hebben om op Sjabbat te besprenkelen. Dus hoe kan de Kohen op alle zeven dagen van zijn afzondering besprenkeld worden?

De Gemara antwoordt (op beide vragen): Het betekent dus dat de Kohen op alle dagen behalve op Sjabbat en behalve op de vierde dag werd besprenkeld. De Kohen Gadol moet zeven dagen voor Jom Kippoer worden afgerzonderd, dus te beginnen op 3 Tisjri. Wanneer de vierde dag van zijn afzondering niet op Sjabbat valt, wordt hij dus twee van de zeven dagen niet besprenkeld. Maar we kunnen de Kohen die de rode koe verbrandt, afzonderen wanneer wij willen en dat doen we daarom op een woensdag, zodat de vierde dag van zijn afzondering op Sjabbat valt en hij maar één dag sprenkeling hoeft te missen!

De Parhedrin-kamer

Hoe kwam de Parhedrin-kamer aan die naam? Een Baraita geeft het antwoord: Rabbi Jehoeda zegt: de kamer waarin de Kohen Gadol werd afgezonderd heette niet parhedrin-kamer maar de kamer heette eerst de kamer van de balwatei [hetgeen betekent: de kamer van de aristocraten]. [In die tijd waren de Hoge Priesters nog aristocraten, de aanzienlijken van het volk.] Later werd de Kohen Gadol die niet meer gekozen vanwege zijn aanzien maar vanwege zijn geld waarmee hij deze functie kocht [door de koning te betalen. Deze Kohaniem waren slechte mensen en bleven niet langer dan een jaar in functie en ieder jaar moest er dus een nieuwe Kohen Gadol worden aangesteld]. En voor iedere nieuwe Kohen Gadol moest de kamer gerestaureerd worden, [aangepast aan zijn smaak]. Dus de kamer was nu vergelijkbaar met de kamer van de koninklijk aangestelde  minsis­ters en daarom werd hij nu  de parhedrin kamer genoemd [de kamer van de aangestelde ministers].


 

[1] De Segan Hakohaniem was de vice-Kohen Gadol en de op één na hoogste in rang onder de Kohaniem.