Archief Joma

Aanmelden

vrijdag 16 juni 2006

20 Siwan 5766

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 9

Door Zwi Goldberg

Inleiding (Uit onze vertaling van Misjna Demai, binnenkort verkrijgbaar)

Om het volgende onderwerp te begrijpen is een inleiding nodig  die de wetten van de afscheiding van troemot [priester­heffingen] en ma'aserot (tienden) behandelt.

Land- en tuinbouwproducten waarvan geen troemot en ma'aserot is afgescheiden heten tewel en die zijn verboden voor zowel Israëlieten als Kohaniem. De straf op overtreding van dit gebod is de dood door de Hemel.

De volgorde van de afscheiding van troemot en ma'aserot is als volgt:

1. Eerst wordt Troema Gedola [de grote troema] afgescheiden van het product (zie Dewariem. 18:4). Tora geeft niet aan hoeveel daarvan moet worden afgescheiden. De Geleerden hebben hiervoor een minimum hoeveelheid vastgelegd: een vijftigste (2%) voor de gemiddelde persoon. Troema mag alleen gegeten worden door Kohaniem. Een ander dan een priester die troema eet, is de dood schuldig door de Hemel.

2. Het volgende dat moet worden afgescheiden is ma’aser - een tiende van wat er is overgebleven, en dat wordt aan de Levieten gegeven. Dit is de Ma’aser Risjon [het eerste tiende], en dat mag ook door een Israëliet worden gegeten.

De Levieten moeten van de ma’aser risjon die zij gekregen hebben een tiende afscheiden voor de priesters. Dit is de Troema Ma’aser, waar het vers (Num. 18:26-28) het over heeft. Troemat ma’aser is net als troema gedola verboden voor niet-priesters.

3. Nadat hij de ma’aser risjon heeft afgescheiden, moet de eigenaar van de rest van zijn product ma’aser sjeni afschei­den, dat hij mee naar Jeruzalem neemt en daar moet opeten. Hij mag het ook loskopen en het geld mee naar Jeruzalem nemen, waar hij het spendeert aan voedsel.

4. Bovengenoemde procedure wordt uitgevoerd in het eerste, tweede, vierde en vijfde jaar van de zevenjarige Sjemita-cyclus. In het derde en zesde jaar echter wordt ma’aser ani [het tiende voor de armen] afgezonderd in plaats van de ma’aser sjeni.

Vele amei haärets (ongeletterden) waren onzorgvuldig met deze wetten, en zonderden van hun producten alleen troema gedola af, omdat de straf op het eten daarvan, de dood is. Daarom worden de producten van de amei haärets demai” genoemd, d.w.z., het is twijfelachtig of de tienden voor de Levieten werden afgezonderd. Volgens een Baraita in Sota 48a heeft Jochanan de Kohen Gadol ingesteld dat ma’aser risjon en ma’aser sjeni moeten worden afgescheiden van producten die afkomstig zijn van een am haärets, nadat hij ontdekt had dat men alleen maar troema gedola afscheidde.

Echter daarvoor geldt dat de bewijslast rust op de eiser (d.w.z. dat ma’aser risjon en ma’aser ani niet aan de Leviet, resp. de arme gegeven hoeft te worden, omdat het aan twijfel onderhevig is of zij dat niet reeds van de originele eigenaars (de verbouwers) gekregen hebben. Daarom moeten de Levieten en armen die het opeisen, met bewijzen komen dat zij daar nog recht op hebben en het nog niet gekregen hebben.

Bakkers hoeven alleen troemat ma’aser en challa af te scheiden

We leren in een Misjna in Demai 2:4: De geleerden hebben de bakkers1 niet verplicht af te scheiden2, behalve troema ma'aser3 en challa4. De reden waarom de bakker geen troemat gedola hoeft af te scheiden, werd hierboven in de inleiding verklaard. Maar waarom hoeft de bakker geen ma’aser sjeni af te scheiden?

Ulla antwoordt: Omdat de parhedrin [de controleurs van de koning)] de bakkers dwongen lage prijzen te vragen voor hun brood [zodat zij zelf hoge belastingen op het brood konden innen, zonder dat daardoor de prijs van het brood te hoog zou worden], waardoor de bakkers weinig verdienden. De Geleerden wilden daarom de bakkers niet verder belasten met de door de Rabbijnen ingestelde verplichting om ma’aser sjeni af te zonderen.

De 18 Hoge Priesters in de Eerste Tempel en de 300 Hoge Priesters in de Tweede Tempel

Wat betekent (Spreuken 10:27): „De vrees voor Hasjem verlengt de dagen, maar de jaren van de booswicht zullen verkort worden”? „De vrees voor Hasjem verlengt de dagen” slaat op de 18 Hoge Priesters die gediend hebben in de 410 jaar dat de Eerste Tempel stond; „De jaren van de booswichten worden verkort” slaat op de meer dan 300 Hoge Priesters die gediend hebben in de 420 jaar dat de Tweede Tempel stond. Sjim’on HaTsaddik regeerde 40 jaar, Jochanan de Kohen Gadol regeerde 80 jaar, Jisjmaël ben Pabi regeerde 10 jaar en R. Elazer ben Charsom 11 jaar, dus deze vier bijelkaar regeerden 141 jaar, zodat voor de overige 296 Hoge Priesters 279 jaar overbleef, dat is gemiddeld minder dan een jaar per Kohen Gadol. [De reden voor dit alles was dat de Hoge Priesters in de Tweede Tempel hun functie met geld kochten van de Koning. Zij waren slecht en regeerden daarom kort en leefden ook kort.

De reden waarom de Heiligdommen werden verwoest

R. Jochanan ben Torta heeft gezegd: De reden dat het Misjkan te Sjilo werd verwoest, is de immoraliteit en het gebrek aan eerbied voor de offers door de zonen van Eli. Rabbi Sjmoeël bar Nachmani verklaart: Zij vonden de duif-offers die de vrouwen na hun bevalling brachtten, niet interessant genoeg (daar viel weinig aan te eten) en ze stelden de offers daarvan uit, waardoor de vrouwen bij het Misjkan bleven overnachten en zij die nacht niet naar hun mannen terug keer­den. Dat gaf bovendien de indruk dat zij ontucht pleegden met deze vrouwen.

Daf 9b

En verder stalen zij het vlees van de offers die de Israëlieten brachten, en aten dat op, voordat zij de offerdelen op het altaar hadden gebracht, waarmee zij een gebrek aan eerbied voor de offerdienst toonden.

De Eerste Tempel werd verwoest ten gevolge van afgoderij, immoreel gedrag en bloedvergieten. De afgoderij slaat op het afgodsbeeld dat Koning Menasje in de Heichal plaatste (Rasji). Dat er immoreel gedrag was, blijkt uit het vers (Jesjajahoe 3:16): „Hasjem zei: Omdat de dochters van Zion hooghartig zijn en wandelen met uitgestrekte nek en uitdagende ogen, op hoge hakken trippelend en gif spuitend met hun voeten.” Zij gedroegen zich uitdagend, maakten zich groter dan zij waren door naast een kleinere vriendin te lopen en op hoge hakken en uitdagend naar jonge mannen te kijken die zij bespoten met bedwelmende parfum, die in hun schoenen verborgen zat.

En het bloedvergieten slaat op de vele moorden (o.a. op de Profeet Jesjajahoe) door Koning Menasje.

De Tweede Tempel werd verwoest wegens sinat chinam – zinloze haat. Kennlijk weegt zinloze haat op tegen de drie hals-misdrijven afgoderij, immoreel gedrag en bloedvergieten, want die kwamen in de tijd van de Tweede Tempel niet voor. [Het woord sinat chinam, dat wij hier met ‘zinloze haat’ vertaald hebben, is eigenlijk meer dan dat. Wanneer twee mensen niet tegen elkaar spreken, zonder dat er sprake is van uitgesproken haat, dan is dat volgens de Chafeets Chaim al de sinat chinam waar de Gemara het over heeft. Het ontstaat uit afgunst, zoals de afgunst van de ongeletterde voor de Tora-Geleerden.]

De Gemara vraagt of er dan geen sinat chinam was tijdens de Eerste Tempel, zoals het vers uit Jechezkel 21:17 suggereerd, hetgeen volgens R. Elazar betekent dat de mensen in die tijd met elkaar aten en dronken maar elkaar in de rug staken met tongen als messen.

De Gemara antwoordt: Dat waren alleen de leiders van het volk, niet het volk zelf.

R. Jochanan en R. Elazar zeiden beiden: De vroege generaties [in de tijd van de Eerste Tempel] deden hun misdaden in het openbaar, zij deden zich niet mooier voor dan zij waren en daarom werd het einde van hun ballingschap ook geopenbaard. Maar de zondaren van de latere generaties [in de tijd van de Tweede Tempel] begingen hun misdaden in het geheim en daarom werd het einde van hun ballingschap niet onthuld [en het is voor ons nog steeds een mysterie wanneer dat einde zal komen].

De Gemara vraagt: Wiens misdaden waren ernstiger, die van de eerste generaties of die van de latere generaties?

De Gemara antwoordt: Kijk naar de Tempel! [De Eerste Tempel werd hersteld na 70 jaar, de Tweede Tempel is na bijna 2000 jaar nog niet hersteld!]

Aantekeningen

1. De bakkers waren chaweriem. (RAV = Rabbi Ovadia miBartinura).

2. Af te scheiden van producten die zij gekocht hadden van amei haärets, hetgeen demai is. (RAV).

3. Behalve van troema en ma'aser: Dat is slechts een honderdste, maar zij verplichtten hen niet ma’aser sjeni af te scheiden omdat de agenten van de koning hen dwongen hun product goedkoop te verkopen. Daarom wilden de Geleerden hen niet nog meer lastigvallen met ma’aser sjeni dat men in Jeruzalem moet eten, en dat gold speciaal als zij het verkochten aan een chawer, want het is de koper die de verplichting heeft om ma’aser sjeni af te scheiden. Echter, wanneer de bakker het verkoopt aan een am haärets, dan moet hij wel ma’aser sjeni afscheiden, voordat hij het verkoopt (RAV).

4. Challa: Van het deeg, dat is 1/48ste, dat men aan de kohaniem moet geven. Maar zij waren wel verplicht ma'aser sjeni af te scheiden.