Archief Joma

Aanmelden

zondag 18 juni 2006

22 Siwan 5766

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 11

Door Zwi Goldberg

Mezoezot aan de poorten

Een Baraita vertelt: Geen van alle poorten [die toegang gaven tot het Beit Hamikdasj (Rasji)] hadden een mezoeza[1], behalve de Nikanor-poort want die was tegenover de Parhedrin-kamer. [De Nikanor-poort was de enige toe­gangspoort aan de oostkant van het Beit HaMikdasj en was genoemd naar degene die de deuren van die poort aan het Beit HaMikdasj geschonken had.]. De Gemara verklaart: de reden waarom de Nikanor-poort een mezoeza moest hebben, was omdat hij toegang gaf tot een woning en iedere poort die toegang geeft tot een woning moet een mezoeza hebben want er staat geschreven (Deuteronomium 6:9, 11:20): „En je zult ze schrijven aan de deurposten van je huis en je poorten.” Een Baraita verklaart: Dat wil zeggen, zowel de poorten van huizen, poorten van binnenplaatsen, provinciepoorten, als stadspoorten  moeten een mezoeza hebben [zie ook Sj.A. J.D. 286:1].

De Gemara voegt hieraan toe, dat ondanks het feit dat een synagoge normaliter geen mezoeza hoeft te hebben [zoals verderop zal worden besproken, omdat er niemand woont], de synagoge wel van een mezoeza moet worden voorzien wanneer de toegang tot de sysnagoge tevens de toegang is tot de woning van de sjammasj[2] [zie ook Sj.A. J.D. 286:3].

 De Gemara vraagt: Waarom was er dan geen mezoeza aan de poort van de stad Mechoza?

De Gemara antwoordt: Een Baraita leert: De mezoeza van een privépersoon moet tweemaal in de zeven jaar gecontroleerd worden, de mezoeza van een gemeenschap moet tweemaal in de vijftig jaar gecontroleerd worden [zie ook Sj.A. J.D. 291:1]. Die controle was gevaarlijk in Mechoeza, want de autoriteiten hadden daar reeds eerder een controleur van de mezoezot beboet en zij beschuldigden de Joden van hekserij met de mezoezot.

R. Elazar vraagt verbaasd hoe het mogelijk is dat iemand die een mitswa doet, geschaad wordt?

De Gemara antwoordt: Wanneer gevaar waarschijnlijk is, moet men daarop verdacht zijn en er rekening mee houden en mag niet er niet op rekenen dat de mitswa bescherming biedt, zoals blijkt uit I Sjmoeël 16:2, waar Sjmoeël door G-d was opgedragen om David tot koning te gaan zalven en Sjmoeël antwoordt: „Hoe kan ik gaan? Als Sjaoel dat hoort, zal hij mij doden.”

De gebouwen die wel en die welke geen mezoeza behoeven

Een Baraita leert: Een stal, een houtopslagplaats en magazijnen hoeven geen mezoeza. De Gemara voegt eraan toe dat een vertrek waar vrouwen zich baden, eveneens is vrijgesteld van een mezoeza en zegt dat de Baraita het heeft over ruimten waar vrouwen zich baden, want anders moet men daar wel een mezoeza bevestigen. Er blijkt een machloket te zijn tussen de Tannaïem of de in de Baraita genoemde ruimtes een mezoeza moeten hebben of niet. [De halacha zegt dat ze dat niet hoeven en ook een badhuis (en een badkamer en toilet) en een mikwe hoeven geen mezoeza (zie Sj.A.J.D. 286:2)].

Daf 11b

Poorten die wel en die welke geen mezoeza hoeven

Een Baraita leert: Zes poorten zijn vrijgesteld van een mezoeza: een hooischuur, een veestal, een houtopslagplaats, een magazijn , een poort met een ronde boog, een poort die van boven open is [d.w.z. zonder bovendorpel] en een poort die minder dan tien tefachiem hoog is.

Over de poort met een ronde boog is een machloket: Rabbi Meïr eist daar wel een me­zoeza voor, de Rabbijnen stellen dat vrij, maar als het rechte deel van de poort 10 tefa­chiem (of meer) hoog is, moet er ook volgens R. Meïr een mezoeza [zie tekening rechts].

Eén van de vereisten van een poort (of deur) voor een mezoe­za is dat hij minstens 10 tefachiem hoog en 4 tefachiem breed is. Volgens Rabbi Meïr is het niet nodig dat de poort over de hele hoogte 4 tefachiem breed is, maar de poort moet min­stens over een hoogte van 3 tefa­chiem 4 tefachiem breed zijn [zie tekening links], en als de muur om de poort ruimte heeft om de opening te vergroten tot een rechthoek van 4ª10 tefachiem, dan moet deze poort een mezoeza hebben. Maar de Geleerden zeggen dat het niet hoeft want er is geen opening van 4ª10 tefachiem.

Andere bouwsels

Een Baraita leert: Een synagoge, een huis van een vrouw [waar alleen een vrouw in woont] en een huis waar partners in wonen vereisen een mezoeza.

De Gemara verklaart: de Tora zegt (Deuteronomium 6:9, 11:20): „…je huis” [in het Hebreeuws staat het in de manlijke vorm], dus je zou kunnen denken dat alleen een huis van mannen een mezoeza moet hebben. Daarom komt te Baraita vertellen dat ook vrouwen een mezoeza verplicht zijn.

De Gemara vraagt: Hoe weten we dan dat vrouwen ook verplicht zijn?

De Gemara antwoordt: Omdat het volgende vers (11:21) zegt: „Opdat je dagen veel zullen zijn en de dagen van je kinderen.” Welnu, ook vrouwen hebben dat nodig, dus geldt het ook voor hen.

De Gemara vraagt: Waarom staat er dan „je huis” en waarom staat er dan niet gwoon „een huis”?

De Gemara antwoordt: Dat leert: Men stapt met zijn rechter voet het eerst zijn huis binnen en daar, aan de rechterkant van de ingang van het huis moet de mezoeza bevestigd worden.

Een soortgelijke Baraita: Een synagoge, een huis bewoond door partners en een huis van een vrouw kunnen tsara’at krijgen.

De Gemara vraagt: Waarom zou een huis, bewoond door partners geen tsara’at kunnen krijgen?

De Gemara antwoordt: Omdat er staat geschreven (Leviticus 14:35): „Dan komt hij, aan wie [mnl.] het toebehoort, naar de priester…” en er staat niet: „Dan komen zij aan wie (mv.) het huis toebehoort.” Dus men zou kunnen denken dat het alleen voor een enkele bewoner geldt.

De Gemara vraagt: Misschien geldt het inderdaad alleen voor een enkele bewoner?

De Gemara antwoordt: Het geldt voor de bewoner die zijn huis en zijn voorwerpen voor zichzelf wil houden en ze niet wil uitlenen aan anderen als die anderen daarom vragen, maar hij zegt: ik heb niets. Dan straft De Heilige, geze­gend is Hij, hem met tsara’at van zijn huis en dan moet hij al zijn voorwerpen naar buiten brengen, zoals er geschreven staat in het volgende vers, zodat iedereen kan zien dat hij de voorwerpen wel had, maar ze niet wilde uitlenen.

De Gemara vraagt: En kan een synagoge werkelijk tsara’at krijgen en moet die werkelijk een mezoeza hebben?

De Gemara antwoordt: De Baraitot die zeggen dat een synagoge tsara’at kan krijgen en een mezoeza moet hebben, geven de mening weer van Rabbi Meïr, maar de Rabbijnen zeggen in twee Baraitot dat alleen een huis dat het privé eigendom is van iemand [of van partners (Ritva)] tamee kan worden door tsara’at maar een synagoge behoort aan de gemeenschap. En een synagoge hoeft alleen maar een mezoeza wanneer er ook een woning voor de sjammasj in is, anders niet. En wanneer er een woning in de synagoge is, kan de synagoge ook tamee worden door tsara’at.


 

[1] mezoeza – een klein rolletje perkament waarop de afdelingen Deuteronomium 6:4-9 en 11:13-21 staan geschreven en die op de rechter deurpost van huizen, poorten en kamers bevestigd wordt.

[2] sjammasj – koster van de synagoge.