Archief Joma

Aanmelden

maandag 19 juni 2006

23 Siwan 5766

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 12

Door Zwi Goldberg

Synagoge en de wetten van Nega’iem (vervolg)

De Gemara onderaan de vorige daf vroeg: kan een synagoge werkelijk tsara’at krijgen en moet die werkelijk een mezoeza hebben?

De Gemara geeft een ander antwoord: Beide synagogen in beide Baraitot hebben het over een synagoge waar niemand in woont, maar de ene Baraita heeft het over een synagoge in een stad, waar zoveel mensen komen dat men kan stellen dat de synagoge van niemand is en dus geen tsara’at kan krijgen en geen mezoeza nodig heeft, terwijl de ander Baraita het heeft over een synagoge in een klein dorp. Een dergelijke synagoge verschilt niet van een privé-huis.

De Gemara werpt tegen: Een Baraita leert dat de gebouwen in Jeruzalem niet vatbaar zijn voor toema ten gevolge van tsara’at, maar Rabbi Jehoeda heeft gezegd dat hij geleerd heeft dat alleen de Tempel in Jeruzalem niet bevattelijk is voor toema ten gevolge van tsara’at [dus synagogen zouden dat in Jeruzalem (beslist een stad) wel tsara’at kunnen aannemen]?

De Gemara antwoordt: De Tanna kamma meent dat Jeruzalem niet onder de stammen verdeeld was, [maar bestemd was als een Tempel-stad, een heilige stad die aan alle stammen toebehoort, zodat het niet voldoet aan Leviticus 14:34: „Wanneer jullie gekomen bent in het land Kena’an, dat Ik jullie in bezit geef, en Ik de ziekte tsara’at heb bezorgd aan een huis in het land dat jullie bezitten.” Dus de Tanna kamma meent dat Jeruzalem niet behoort tot het land dat een stam bezit, maar dat gezamelijk bezit is.] R. Jehoeda echter meent dat Jeruzalem wel is verdeeld onder de stammen [daarom zijn gewone gebouwen in Jeruzalem wel vatbaar voor toema en tsara’at maar synagogen en de Tempel niet, want zij behoren niet aan privé-personen].

De exacte plaats van de Tempel

Een Baraita zegt: De Heichal [48], het Heiligdom [50], het Heilige der Heiligen [55]  en een deel van Jehoeda behoorden aan Benjamin en het altaar stond op dat deel [van Benjamin]. [Zie tekening. Het grijs gearceerde deel was van Benjamin. Dus de grond van Benjamin liep door tot het noord-oostelijke punt van het altaar, zodat het altaar op de grond van Benjamin stond, maar de grond van Jehoeda liep aan de zuidkant van het altaar door tot één amma vóór de westzijde van het altaar, zodat de oploop van het altaar op het grondgebied van Jehoeda lag. Ook de basis van het altaar lag geheel in het gebied van Benjamin en de basis liep niet door in het gebied van Jehoeda.]

Dus de Baraita deelt kennelijk de mening dat Jeruzalem en de Tempelberg wel toegewezen waren aan de stammen, namelijk aan Benjamin en Jehoeda.

Een andere Baraita zegt echter: Men mag geen huizen verhuren in Jeruzalem, want het zijn niet hun eigen huizen [want de huizen zijn het eigendom van het hele Joodse volk en de huiseigenaren moeten de pelgrims die naar Jeruzalem komen gratis onderdak geven] en daarom krijgen de herbergiers de huiden [van de offerdieren van de pelgrims als beloning voor hun gastvrijheid] en zij mogen die zelfs met geweld afnemen [als de gasten ze niet vrijwillig willen geven]. Dus deze Baraita meent dat Jeruzalem van iedereen is.

We hebben gezien dat er een tegenstelling is tussen twee Baraitot, of synagogen wel of niet toemat tsara’at kunnen aannemen en we hebben daar drie verklaringen voor gekregen. De Gemara valt nu de laatste verklaring aan, die onderscheid maakt tussen synagogen in steden en in dorpen. Het vers in Leviticus 14:35 heeft het namelijk over „hij, aan wie het huis toebehoort.” Dat wil zeggen dat alleen een huis van iemand specifiek getroffen kan worden door tsara’at en daar niemand van een synagoge, zelfs niet in een dorp, kan aanwijzen welk deel van hem persoonlijk is, zijn dus synagogen in dorpen uitgesloten vsn tsara’at.

De Gemara concludeert dat de verklaring voor de tegenstelling tussen de Baraitot de eerste twee verklaringen zijn, d.w.z. of het meningsverschil tussen R. Meïr en de Geleerden of een Synagoge een mezoeza moet hebben, of de ene Baraita heeft het over een synagoge met een woning en de andere heeft het over een synagoge zonder woning.

De installatie van de plaatsvervangende Kohen Gadol

[We hebben op daf 5a geleerd dat de Kohen Gadol geïnstalleerd word hetzij door  hem te zalven met de speciale zal­vings­olie, die nog door Mosjé Rabbeinoe bereid was, of door hem de acht speciale gouden kledingstukken aan te trekken en hem daarin een Tempeldienst te laten doen. In de tijd van de Tweede Tempel was er geen zalvingsolie meer en kon een Kohen Gadol dus alleen worden geïnstalleerd met behulp van de acht gouden kledingstukken. Maar die mag de Kohen Gadol alleen maar dragen wanneer zijn dienst dat voorschrijft.]

De Gemara vraagt hoe de plaatsvervangende Kohen Gadol wordt geïnstalleerd wanneer de eerste Kohen Gadol ongeschikt wordt na het dagelijks ochtendoffer. Wanneer hij ongeschikt werd vóór het dagelijks offer, dan kan de plaatsvervangende Kohen Gadol na het aantrekken van zijn gouden kleren direct dat offer brengen. Maar na dat offer begint de Jom Kippoer-dienst, en die wordt verricht in de gewone witte kleren die iedere Kohen draagt.

De Gemara antwoordt: Hij wordt geïnstalleerd met zijn wit linnen gordel, want die is op Jom Kippoer anders dan die van de gewonen Kohaniem. Leviticus 16:4 zegt dat de Kohen Gadol op Jom Kippoer een linnen gordel draagt. En in Exodus 39:29 staat dat de Kohen Gadol de rest van het jaar een gordel draagt van wol en linnen. Maar waaruit de gordel van de gewonen Kohaniem bestaat is niet duidelijk en daarover bestaat dus een meningsverschil. Volgens sommigen dragen die ook gordels van wol en linnen (en dan is de linnen gordel van de Kohen Gadol inderdaad een kledingstuk wat hem doet onderscheiden van de gewonen Kohaniem, maar volgens degenen die zeggen dat de gewone Kohaniem een zuiver linnen gordel droegen is er geen verschil. [Wanneer wij zouden weten dat de plaatsvervangende Kohen Gadol met een linnen gordel werd geïnstalleerd, zou het duidelijk zijn dat de gewone Kohaniem een gordel droegen van wol en linnen en dan zou er geen meningsverschil over bestaan. Dat meningsverschil is er wel, dus kan het niet zijn dat de Kohen Gadol met een linnen gordel werd geïnstalleerd.]

Een ander antwoord (Abbajjé): Hij draait, gekleed in zijn gouden kleren, een deel van het offervlees van het tamied met een vork om op het altaar en dat is een Tempeldienst, want als een niet-Kohen dat doet, krijgt hij de doodstraf door de Hemel.

Daf 12b

Een derde antwoord: Alleen al zijn uitvoering van de Jom Kippoer-dienst is voldoende voor zijn installatie, want dat mag alleen een Kohen Gadol doen.

De samenstelling van de avneet – gordel

Rebbi en Rabbi Elazar de zoon van R. Sjim’on hebben een meningsverschil over de avneet [gordel] van een gewone Kohen. De één zegt hij was van linnen en de ander zegt hij was van linnen en wol, dus kilajim.

Een Baraita: Rebbi zegt: het verschil tussen een gewone Kohen en een Kohen Gadol is hun avneet. R. Elazar zegt: er is geen verschil.

De Gemara vraagt: Dus Rebbi zegt dat de avneet van de Kohen Gadol kilajim was en van een gewone Kohen linnen?

De Gemara antwoordt: Gedurende de rest van het jaar draagt de Kohen Gadol acht kledingstukken en een gewone Kohen maar vier, dus als Rebbi zegt dat het enige verschil de avneet is, heeft hij het niet over de rest van het jaar, maar over Jom Kippoer, wanneer ook de Kohen Gadol slechts vier kledingstukken draagt. En dan draagt hij een linnen avneet, dus kennelijk is Rebbi van mening dat de avneet van de gewone Kohen kilajim is en het is R. Elazar die meent dat de gewone Kohen een gordel van zuiver linnen draagt.

De Gemara verwerpt dit: Nee, misschien heeft Rebbi het over de vier kleren van de gewone Kohen, die de Kohen Gadol de rest van het jaar ook draagt, behalve zijn vier extra speciale kleren. Dus deze Baraita leert ons hier niets over.

Het antwoord komt van Rawin uit Erets Israël: Rebbi heeft gezegd dat de avneet van een gewone Kohen kilajim is en Rabbi Elazar heeft gezegd dat die van linnen is.

Als de ongeschikte Kohen Gadol weer geschikt wordt

Wat gebeurt er als een Kohen Gadol tijdelijk ongeschikt wordt en een ander wordt aangesteld in zijn plaats en de oorspronkelijke Kohen Gadol vervolgens opnieuw geschikt wordt voor zijn dienst?

Een Baraita: Rabbi Meïr zegt: De eerste Kohen Gadol keert terug naar zijn dienst [neemt dus de plaats weer in van de vervanger], en de plaatsvervanger behoudt alle mitswot van het Hoge Priesterschap [hij mag zijn haar niet laten groeien, hij mag niet met een weduwe trouwen, hij mag zich niet verontreinigen aan een dode van zijn naaste familie, enz.]. Rabbi Jossi zegt: de eerster Kohen Gadol keert terug in zijn functie, maar de plaatsvervanger mag niet meer dienst doen, noch als Kohen Gadol, want dat maakt de oorspronkelijke Kohen Gadol jaloers, en noch als een gewone Kohen, want we verlagen niet in heilige aangelegenheden.