Archief Joma

Aanmelden

woensdag 21 juni 2006

25 Siwan 5766

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 14

Door Zwi Goldberg

Als de Kohen Gadol oneen is (vervolg)

[De Baraita onderaan de vorige daf blijkt in strijd te zijn met de verklaring van Rawa over de betekenis van de uitspraak van Rabbi Jehoeda in de Baraita daarvóór.] Daarom verandert Rawa zijn verklaring: R. Jehoeda bedoelt dat de Kohen Gadol-oneen van huis gehaald wordt en de hele dag geen dienst mag doen, om te voorkomen dat hij van het offervlees zal eten.

De Gemara werpt tegen dat onze Misjna vertelt dat R. Jehoeda een andere vrouw voor de Kohen Gadol wil reserveren, zodat, wanneer zijn eerste vrouw overlijdt, en hij dus oneen is, hij door kan gaan met de dienst.

De Gemara antwoordt (Rawa): Onze Misjna gaat over Jom Kippoer, een algemene vastendag, dus dan is er geen reden om de Kohen Gadol geen dienst te laten doen als oneen maar als de Kohen Gadol op een gewone dag oneen wordt, mag hij geen dienst doen volgens R. Jehoeda, ter voorkoming dat hij van het offervlees zou eten.

De Gemara vraagt: Waarom wordt de Kohen Gadol een oneen als zijn vrouw overlijdt, hij is zojuist van haar gescheiden?

De Gemara antwoordt: Officiëel wel, maar het was toch zijn vrouw en daar zal hij verdriet van hebben.

De zeven dagen van afzondering

Ter voorbereiding op zijn uitzonderlijke taak moest de Kohen Gadol in de zeven dagen van afzondering voor Jom Kippoer de meeste van de handelingen van Jom Kippoer oefenen, opdat hij daar op die dag bedreven in zou zijn.

Misjna Alle zeven dagen [van afzondering] gooit de Kohen Gadol het bloed  van het dagelijks offer [op het altaar], verbrandt hij de kruiden [op het gouden kruiden-altaar in het Heiligdom], maakt hij de lampen gereed [door ze schoon te maken] en hij offert hij de kop en de achterpoot [van het dagelijks offer].

Hij mag op alle andere dagen van het jaar alle offers brengen die hij wil en hij heeft het eerste recht om van het offer­vlees te eten.

Als iemand tamee wordt door de haza’a (sprenkelen)

Op daf 8a hebben we geleerd dat volgens Rabbi Meïr de Kohen Gadol gedurende de zeven dagen van afzondering iedere dag besprenkeld werd met het water van de Rode Koe. Maar een Baraita leert: rabbi Akiwa zegt: wanneer [het water van de Rode Koe] gesprenkeld wordt op iemand die tamee is, dan wordt hij tahor, maar wanneer het gesprenkeld wordt op iemand die tahor is, dan wordt hij tamee [tot de avond]. Welnu, deze Misjna is waarschijnlijk niet volgens R. Akiwa. Anonieme misjnajot zijn in het algemeen afkomstig van R. Meïr. Dus wordt de Kohen Gadol iedere dag gesprenkeld en is hij iedere dag tamee. Hoe kan hij dan offers brengen?

De Gemara verklaart R. Akiwa’s standpunt: Tora (Numeri 19:19) zegt: „En de reine zal op de onreine spatten.” Waar­om staat er „op de onreine”? Dat is toch overbodig, het is toch duidelijk dat er op een onreine gespat wordt. R. Akiwa leidt daaruit af dat als men op een reine spat, hij onrein wordt.

Maar de andere Geleerden redeneren als volgt: Het is verboden om met de Rode Koe of diens as gewoon werk te ver­richten en als dat toch gebeurt, is de Rode Koe of zijn as onbruikbaar geworden. Wanneer men van het ontzondigings­water met de as op een levend dier sprenkelt, is dat ongeldig, want een levend dier kan niet tamee worden, de sprenkeling is dus nutteloos en het water en de as dat nog aan de hyzop zit, waarmee gespat werd, is onbruikbaar geworden want er is mee „gewerkt.” Dus wanneer men spat op iets of iemand die tahor is, heeft het spatten geen effect. Als de Kohen Gadol tahor was, blijft hij dus tahor volgens de Geleerden.

De Gemara vraagt: Wat heeft R. Akiwa daar op ter zeggen?

De Gemara antwoordt: R. Akiwa zegt: dat wat Koning Salomo gezegd heeft (Prediker 7:23): „Ik zei: ik zal wijs zijn, maar het is ver van mij [om te begrijpen],” dat slaat op het onverklaarbare verschijnsel dat als men op een onreine sprenkelt, hij rein wordt, maar als men op een reine sprenkelt, hij onrein wordt. Dat is volgens R. Akiwa het bewijs.

De Gemara vraagt: Hoe verklaren de Geleerden de uitspraak van Koning Salomo?

De Gemara antwoordt: Degene die sprenkelt en degene op wie gesprenkeld wordt, blijven, resp. worden tahor, maar degene die het water nodeloos aanraakt wordt tamee tot de avond, en degene die de schaal met het sprenkel-water draagt voor een ander doel dan om er een onreine mee te sprenkelen, wordt tamee, zelfs al raakt hij het water zelf niet aan, mits de schaal voldoende inhoud heeft, opdat men het topje van de hysop erin kan dopen.

daf 14b

Hierboven werd verondersteld dat onze Misjna niet de mening van R. Akiwa volgt en bovenstaande discussie legde uit waarom niet. Echter Abbajjé meent dat de Misjna wel het standpunt van R. Akiwa kan volgen: Men sprenkelde de Kohen Gadol pas tegen het eind van de middag, nadat hij alle offers in tahara gebracht had, waarna hij in het mikwe ging en wanneer het dan avond werd, was hij weer rein en kon hij de volgende dag weer alle offers in reinheid brengen!

De volgorde van de ketoret en de lampen

De Gemara vraagt: Onze Misjna zegt: verbrandt hij de kruiden en hij maakt de lampen gereed. Kennelijk in deze volgorde, maar een Misjna in Traktaat Tamied (3:9) keert de volgorde om. Hoe zit dat?

De Gemara antwoordt: De Misjna in Tamied geeft de mening van de Geleerden en onze Misjna geeft de mening weer van Rabbi Sjim’on Iesj HaMitspa, die ook elders bepaalde diensten in de Tempel omdraaide.

De Gemara wijst nu op een tegenstelling binnen ons traktaat Joma:

Een Misjna op daf 25a leert: De tweede loting bepaalde [o.a.] wie de as van de menora wegruimde, etc. De volgende Misjna [op daf 26a] leert dat bij de derde loting werd vastgesteld wie het reukwerk op het binnen-altaar mocht brengen. Dus kennelijk werd eerst de menora gereed gemaakt en daarna werden de kruiden verbrand, precies andersom als onze Misjna zegt.

De Gemara antwoordt (Abbajjé): De lampen van de Menora werden in twee stappen gereed gemaakt: eerst werden vijf lampen schoongemaakt, daarna werd een andere avoda gedaan en daarna werden de overgebleven twee lampen schoongmaakt. Onze Misjna heeft het over de eerste vijf lampen, en de Misjna op daf 26a heeft het over de andere twee lampen.

De Gemara vraagt: Maar verderop (33a) staat dat het werpen van het bloed op het altaar de avoda was die tussen het schoonmaken van de vijflampen en de twee lampen plaatsvond, en niet het verbranden van de ketoret?

De Gemara antwoordt: Wat daar op daf 33a staat, is de mening van Abbajjé en Abba Sjaoel, en onze Misjna geeft de mening van de Geleerden weer.

Een Baraita toont inderdaad aan dat er een machloket is tussen Abba Sjaoel en de Rabbanan over dit punt: De Geleerden zeggen: Men maakt eerst vijf lampen schoon, verbrandt dan de ketoret en daarna maakt men de overige twee lampen schoon. Maar Abba Sjaoel zegt: Eerst de vijf lampen, dan het bloed op het altaar, dan de twee lampen en pas daarna vebrandt men de ketoret.