Archief Joma

Aanmelden

donderdag 22 juni 2006

26 Siwan 5766

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 15

Door Zwi Goldberg

Abba Sjaoel en Rabbanan over nerot en ketòret

We hebben op de vorige daf gezien dat er een machloket is tussen Abba Sjaoel en de Rabbanan over de volgorde van de dienst in het Beit HaMikdasj.

De Gemara vraagt: Waarop baseert Abba Sjaoel zich?

De Gemara antwoordt: Op Exodus 30:7: „Elke morgen, als hij de lampen reinigt, zal hij het [reukwerk] in rook doen opstijgen.” [Dus nadat alle lampen gereinigd zijn wordt het reukwerk geofferd.]

De Gemara vraagt: En hoe verklaren de Geleerden dit vers?

De Gemara antwoordt: Het geeft geen volgorde aan, maar betekent dat als de laatste twee lampen worden aangesto­ken, de rook van het reukwerk moet opstijgen en dus voor die tijd al moet zijn geofferd. En het bewijs hiervoor is Exodus 27:21: „Aharon en zijn zonen zullen het [de lampen van de Menora] in orde doen zijn van de avond tot de morgen.” Dat betekent dat er geen andere dienst is van de avond tot de ochtend. Hieruit volgt dat ook het verbranden van de ketòret in de namiddag gebeurt vóór het aansteken van de lampen en dat het vers in Ezxodus 30:8: „En als Aharon in de namiddag de lampen aansteekt, zal hij het [reukwerk] in rook doen opgaan” niet kan betekenen dat hij eerst de lampoen aansteekt en pas daarna het reukwerk offert. En net zomin als dit vers een volgorde aangeeft, net zomin geeft vers 30:7 een volgorde aan.

De Gemara vraagt: Wat doet Abba Sjaoel met dit bewijs?

De Gemara antwoordt: Wat voor het namiddag reukwerk geldt, hoeft niet te gelden voor het ochtend reukwerk. Dus we kunnen daar geen conclusie uittrekken, en vers 30:7 bewijst dus dat ’s ochtends eerst de lampen worden aangestoken en daarna het reukwerk wordt verbrand.

De Gemara (Abbajjé) heeft de tegenstelling tussen de beide misjnajot over de volgorde van het aansteken van de lampen en het verbranden van het reukwerk verklaard door te veronderstellen dat de ene mijsna spreekt over de vijf lampen en de andere over de twee overige lampen.

De Gemara (Rav Pappa) geeft nu een andere verklaring voor deze schijnbare tegenstelling: het weerspiegelt het meningsverschil tussen de Rabbanan (onze misjna) en Abba Sjaoel (de misjna op 25a).

De Gemara werpt tegen: Een Misjna op daf 31b spreekt dit tegen, want daar staat duidelijk dat Aharon eerst het dagelijks offer (gedeeltelijk) slachtte [een andere Kohen maakte het werk voor hem af], waarna hij het reukwerk offerde en de lampen klaarmaakte. Deze misjna volgt kennelijk de mening van de Geleerden. Het lijkt onlogisch dat binnen één traktaat een misjna op daf 14a volgens de Rabbanan gaat, een misjna op daf 25a volgens Abba Sjaoel en op 31a weer volgens de Rabbanan?

De Gemara antwoordt: Rav Pappa meent dat dit inderdaad zo is.

De Gemara vraagt: Waarom kan Rav Pappa de verklaring van Abbajjé niet accepteren?

De Gemara antwoordt: De Kohen Gadol maakte eerst de vijf lampen klaar en daarna de resterende twee lampen. Het is onlogisch dat de misjna eerst (op daf 14a) over de twee lampen spreekt en pas daarna (op daf 25a) over de vijf lampen.

De Gemara vraagt: En hoe verklaart Abbajjé dat?

De Gemara antwoordt: In dit eerste hoofdstuk van ons traktaat wordt niet de volgorde van de diverse diensten besproken, maar de handelingen waarin de Kohen Gadol zich moet bekwamen. De volgorde wordt pas in het tweede en derde hoofdstuk behandeld.

Zerikat dam hatamied[1]

We hebben geleerd dat de Kohen het bloed van het tamied [dagelijks offer] tegen de noord-oost hoek en tegen de zuid-westhoek van het altaar gooit, net als bij een ola [brandoffer]. En we hebben geleerd dat Rabbi Sjim’on Iesj Hamitspa in een Baraita zegt: inderdaad, de Kohen werpt het bloed eerst tegen de noord-oosthoek van het altaar, dan loopt hij om het altaar heen maar als hij bij de zuid-west hoek gekomen is, gooit hij het bloed eerst tegen de westelijk wand van het altaar en pas als hij de hoek om is gooit hij het tegen de zuidelijke wand van het altaar. [Dit is volkomen verschillend dan bij alle  ander offers: daar wordt het bloed òf aangebracht zoals de Geleerden zeggen, hetgeen gebeurt bij brand-, schuld-, dank- en vredesoffers, of het wordt met de vinger op de vier hoornen van het altaar aangebracht bij het zondoffer.]

De Gemara vraagt: Waarop baseert R. Sjim’on Iesj Hamitspa zich?

De Gemara antwoordt: Hij baseert zich op Numeri 28:15 dat spreekt over het tamied-offer op Rosj Chodesj, waarvan Rabbi Jochanan zegt dat het bloed ervan op de door R. Sjim’on Iesj Hamitspa tegen het altaar geworpen wordt, zodat de zerikat hadam deels lijkt op die van een ola en deels op die van een chataat.

De Gemara vraagt: Waarom gooit R. Sjim’on de eerste portie bloed niet onder de lijn van het altaar tegen de noord-oosthoek [zoals bij een ola] en gooit hij de tweede portie, die tegen de twee zijkanten gegooid worden, niet boven de lijn, zoals bij een chataat?

De Gemara antwoordt: Zoiets komt nergens voor!

De Gemara noemt een paar voorbeelden waarbij wel boven en onder het altaar gespat wordt, maar de Gemara werpt ze.

Daf 15b

Zerikat dam hatamied (vervolg)

De Gemara vraagt over de procedure die R. Sjim’on Iesj Hamitspa noemt: Waarom spat de Kohen eerst volgens de spatting van een ola en daarna volgens de spatting van een chataat en niet andersom?

De Gemara antwoordt: Omdat het tamied een ola-offer is [zoals genoemd wordt in Numeri 28:3], daarom gaat dat voor.

Een andere vraag over het spatten: Waarom spat de Kohen eerst op de noord-oostelijke hoek van de basis van het altaar en daarna op de zuid-westelijke hoek, waarom niet eerst op de zuid-oostelijke hoek en daarna op de noord-westelijke hoek?

De Gemara antwoordt: In de eerste plaats, als de Kohen om het altaar loopt, moet hij zijn gezicht steeds naar het altaar gericht houden, dus hij loopt zijdelings. Verder moet een Kohen bij iedere Tempeldienst als hij zich omdraait altijd rechtsom draaien. De Kohen begint bij de oploop naar het altaar en moet dan dus beginnen bij de zuid-oostelijke hoek van het altaar, om steeds rechts om het altaar [tegen de klok in] te lopen, met zijn gezicht naar het altaar. De bloedspatting moet op de basis van het altaar gebeuren. Maar de basis die om het altaar loopt, bevindt zich alleen volledig aan de noordzijde en aan de westzijde van het altaar en slechts één amma  aan de oostzijde van de noord-oosthoek en één amma aan de zuidzijde van de zuid-west hoek, dus de zuid-oosthoek heeft helemaal geen basis [zie tekening]. Dus de bloedspatting kan niet op de zuid-oosthoek gebeuren en de eerste hoek die de Kohen tegenkomt bij zijn rondgang om het altaar is de noord-oosthoek. En daar het bloed tegen alle wanden van het altaar moet gespat worden, moet de volgende spatting op de tegenover gelegen hoek plaatsvinden, dat is de zuid-westhoek.

Een laatste vraag over het spatten: Hoe weten we dat de spatting van het ola ook moet gebeuren volgens de spatting van het chataat? Misschien moest de spatting van het chataat gebeuren mede op de manier van het ola?

De Gemara antwoordt: Het vers [Numeri 28:15] luidt: „En een geitebok als  chataat [zondoffer] ter ere van Hasjem bij het dagelijks offer [tamied] zal het geofferd worden en het plengoffer daarbij.” Dat betekent dat men aan het dagelijks offer, dat een ola is, de spatting van het zondoffer moet toevoegen en niet omgekeerd.

Waar was het Lisjkat hatelaïem?

Een Misjna in Traktaat Tamied 30a zegt dat het Lisjkat hatelaïem [de kamer van de lammeren] in de noord-westelijke hoek van het vuurhuis was. [Het vuurhuis was een gebouw dat in de noordelijke muur van de Tempel gebouwd was, en gedeeltelijk op het terrein van de Tempel lag, en gedeeltelijk daarbuiten (zie nr. 36 op de tekening van de inleiding). In het vuurhuis brandde permanent een vuur, waar de Kohaniem, die altijd op blote voeten moesten lopen, zich konden warmen en waaraan het vuur van het altaar kon worden aangestoken. In het vuurhuis waren in de vier hoeken vier vertrekken die uitkwamen op de centrale hal. In een van die kamers werden altijd zes lammeren gereed gehouden, die geïnspecteerd waren en geschikt waren om te worden geofferd.] Een andere Misjna (in Traktaat Middot 1:6) zegt echter dat de kamer van de lammeren de zuid-westelijke kamer was. De Misjnajot spreken elkaar tegen?


 

[1] Het werpen van het bloed van het dagelijks offer tegen het altaar.