Archief Joma

Aanmelden

vrijdag 23 juni 2006

27 Siwan 5766

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 16

Door Zwi Goldberg

Het Lisjkat hatelaïem – de kamer van de lammeren

We hebben onderaan de vorige daf geleerd dat een Misjna in Traktaat Tamied 30a zegt dat het Lisjkat hatelaïem [de kamer van de lammeren] in de noord-westelijke hoek van het vuurhuis was, terwijl een andere Misjna (in Traktaat Middot 1:6) zegt: De zuid-westelijke kamer was de kamer van de lammeren, de zuid-oostelijke kamer was de kamer waar de toon-broden gemaakt werden, in de noord-oostelijke kamer hadden de Chasjmoneeërs de stenen van het altaar opgeborgen [die door de Griekse bezetters waren verontreinigd] en door de noord-westelijke kamer daalde men af naar het mikwe. [Op de tekening in de inleiding tot dit traktaat is te zien dat de beide zuidelijke kamers van het vuurhuis binnen het Tempel-complex gelegen waren en dat was ook nodig, want de lammeren en de toonbroden waren heilig en mochten de heilige grond van het Beit HaMikdasj niet verlaten. Maar de beide noordelijke kamers lagen buiten het Tempel-complex, want de stenen van het vroegere altaar waren verontheiligd en mochten dus niet in het Beit HaMikdasj bewaard worden. En verder sliepen de Kohaniem ’s nachts in het vuurhuis en wanneer zij dan een nachtelijke zaadlozing hadden, waren zij onrein en mochten het Beit HaMikdasj niet betreden. Daarom verlieten zij het vuurhuis door de noord-westelijke kamer, waaronder een mikwe was, waarin zij zich konden reinigen.]

De Gemara vraagt: In ieder geval spreken de beide misjnajot elkaar tegen wat betreft de kamer van de lammeren?

De Gemara antwoordt: Rav Hoena zegt: De Misjna in Middot is van Rabbi Eliëzer ben Ja’akov (Rasji zegt dat alle anonieme misjnajot  in Middot van R. Eliëzer ben Ja’akov zijn) en hij verschilt van mening met de Misjna in Tamied.

Het Ezrat nasjiem met de vier kamers

Een Misjna in Traktaat Middot (2:5) beschrijft het Ezrat nasjiem [de binnenplaats voor de vrouwen] met zijn vier kamers (die geen van allen een dak hadden): De vrouwen-binnenplaats was [van oost naar west (Rasji)] 150 amma lang en [van noord naar zuid (Rasji)] 135 amma breed. Er waren daar vier kamers:

in het zuid-oosten was de kamer voor de naziers, waar zij hun haren knipten en hun offers kookten;

in het noord-oosten was de kamer waar het hout voor het altaar werd opgeslagen en daar werd het hout nagekeken op wormen, want hout met wormen erin was ongeschikt voor het altaar;

in het noord-westen was de kamer van de metsoraïem [waar de mensen die de ziekte tsara’at hadden gehad maar nu weer gezond waren verklaard, zich voorbereidden op hun offers. Er was een mikwe in die kamer];

De functie van de zuidwestelijke kamer was R. Eliëzer ben Ja’akov vergeten, maar Abba Sjaoel wist het nog: daar werd de wijn en de olie opgeslagen.

De Gemara concludeert: Kennelijk is Rabbi Eliëzer ben Ja’akov de anonieme Tanna van Traktaat Middot.

De muren rondom de Tempelberg

Ook uit de volgende Misjna (Middot 2:4) blijkt dat R. Eliëzer ben Ja’akov de anonieme Tanna van Traktaat Middot is: Alle muren rondom de Tempelberg waren hoog [de toegangspoorten daarin waren 20 amma hoog en de muren zelf waren 40 amma hoog volgens Tos. Jesjaniem], behalve de oostelijke muur, zodat de Kohen die de Rode Koe verbrandde op de Olijfberg [die ten oosten lag van de Tempelberg] de ingang van de Heichal kon zien wanneer hij het bloed van de Rode Koe sprenkelde [want er staat geschreven in Numeri 19:3-4: „…en men zal haar (de Rode Koe) voeren naar buiten de legerplaats en haar daar … slachten. Dan zal de… priester van haar bloed zeven maal spatten in de richting van de voorzijde van de Tent der Samenkomst.” Dat was in de woestijn en dat spatten moest dus later gebeuren in de richting van de Heichal.]

Verder leren we in Traktaat Middot (2:3) dat alle toegangspoorten tot de Tempel en binnen het Tempelcomplex 20 amma hoog waren en dat de vloer van de Ezrat Nasjiem 6 amma hoger was dan die van de Tempelberg, waar de Kohen stond die de Rode Koe verbrandde. Verder leren we in Middot (2:5) dat de vloer van de Israelieten-binnenplaats 7˝ amma boven de vloer van de Ezrat nasjiem lag, dus 13˝ amma boven de vloer van de Tempelberg. En ten slotte leert nog een andere Misjna in Middot (3:6) dat de vloer van de Heichal nog eens 6 amma hoger lag dan de vloer van de Israëlieten-binnenplaats, dus 19˝ amma boven de Tempelberg.

Rabbi Eliëzer ben Ja’akov nu, zegt in Misjna 2:6 dat er tussen de binnenplaats van de Israëlieten en de binnenplaats van de Kohaniem nog een verhoging was van één amma, zodat de vloer van de Heichal 20˝ amma boven de Tempelberg lag. Het gevolg is, dat de Kohen die de Rode Koe op de Tempelberg verbrandde, niet door de poorten (die allemaal in een rechte lijn achter elkaar lagen) de ingang tot de Heichal kon zien volgens R. Eliëzer ben Ja’akov, maar over de muur heen moest kijken. En daarom moest die oostelijke muur lager zijn dan de andere muren. Zie tekening.

Dus alleen volgens Rabbi Eliëzer ben Ja’akov hoeft de oostelijke muur lager te zijn dan de andere muren, om er overheen te kunnen kijken en onder de muur van de Tempel door. Want volgens de Rabbijnen ligt de vloer van de Heichal maar 19˝ amma boven de Tempelberg en kan de Kohen dus onder de poort door de Heichal zien. Dus de anonieme misjnajot  in Traktaat Middot zijn van R. Eliëzer.

De plaats van het altaar

Rav Adda bar Ahava heeft gezegd dat de anoniema Misjna, die zegt dat de oostelijke muur lager is dan de andere muren, de mening van Rabbi Jehoeda weergeeft.

Daf 16b

Want een Baraita leert: Rabbi Jehoeda heeft gezegd dat het altaar precies in het midden van de binnenplaats stond en 32 ammot breed was [zodat het altaar het gezichtsveld van de Kohen die buiten stond, blokkeerde, wanneer die onder de poort door keek en daarom moest hij over de lagere muur heen kijken, om over het altaar heen de Heichal te kunnen zien.

De Gemara werpt tegen: De binneplaats [van de Kohaniem en de Israëlieten] was 187 amma lang en  135 amma breed.  Het altaar en de oploop naar het altaar was bij elkaar 62 amma lang.  De afstand van het altaar tot de ringen[1] was 8 amma, de ringen namen een afstand van 24 amma in beslag en tussen de ringen en de tafels[2] was 4 amma, tussen de tafels en de dwergpilaren[3] ook 4 amma en tussen de dwergpilaren en de noordelijke muur was 8 amma. [Alles bij elkaar dus 110 amma.] In Jechezkel 40 staat dat de tafels zelf 4 amma in beslag namen, dus totaal 114 amma. Blijft over  135 - 114 = 21 amma over. Dat, zegt de Baraita, werd verdeeld tussen de ruimte tussen de oploop en de zuidelijke muur en de ruimte die de dwergpilaren in beslag namen, elk dus 10˝ amma. Dat betekent dus dat de noordelijke altaarwand op een afstand van 72˝ amma van de zuidelijk wand lag. De Misjna in Middot 2:3 zegt dat alle poorten 10 amma breed waren. De Heichal stond in het midden tussen de noord- en de zuid-muur en de deur van de Heichal stond ook in het midden, dus die nam de ruimte in beslag van 62˝ amma van de zuid-muur tot 72˝ amma van de zuid-muur. Dus de noordrand van de basis van het altaar lag op dezelfde lijn als de noordkant van de deur van de Heichal. Maar de basis lag één amma rondom het altaar, dus het altaar zelf van één amma korter en zo kon de Kohen over de basis heen nog net door de deur van de Heichal kijken, onder de buitenpoort door. Dus de Misjna geeft niet de mening van Rabbi Jehoeda weer, maar de anoniema misjnajot in Traktaat Middot zijn van Rabbi Eliëzer ben Ja’akov.

 

 

 

 

 

Het Tempelplein met het Heiligdom, het altaar, de ringen, tafels en dwergpilaren.

Zie ook het diagram van de Tweede Tempel in de inleiding tot dit traktaat.


 

[1]. De ringen waren de slachtringen, (zie nr. 33 van het diagram van de Tweede Tempel in de inleiding tot dit traktaat), waar een offerdier, dat geslacht werd, aan werd vastgeboden met zijn kop, zodat het niet kon bewegen.

[2]. Na het slachten werden de ingewanden op de tafels afgespoeld.

[3]. De dwergpilaren hadden haken, waaraan de geslachte dieren werden opgehangen als zij werden gevild.