Archief Joma

Aanmelden

maandag 26 juni 2006

30 Siwan 5766

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 19

Door Zwi Goldberg

De kamers in het Beit HaMikdasj

Gemara De reden dat men de Kohen Gadol naar het Beit Avtinas bracht, was om hem de chafina te leren. Dat was een bepaalde techniek om een hand te vullen met het reukwerk dat geofferd werd.

Rav Pappa heeft gezegd: De Kohen Gadol had twee kamers, de Parhedrin-kamer en de Avtinas-kamer en de ene kamer was in het noorden van het Binnenplein en de andere in het zuiden, zoals een Misjna (Middot 5:3) leert:

Er waren zes kamers op het Binnenplein van de Tempel, drie in het noorden en drie in het zuiden:

1.    Lisjkat hamèlach – de zoutkamer, waar het zout voor de offers werd bewaard;

2.   Lisjkat haparva – de parva kamer, waar de huiden van de offers werden gezouten; op het dak van die kamer was een mikwe voor de Kohen Gadol op Jom Kippoer.

3.   Lisjkat hamedichien – de spoelkamer, waar de ingewanden van de offers werden gewassen, voordat zij op de spoeltafels buiten werden afgespoeld.

deze drie waren in het zuidelijk deel van het Binnenplein.

De drie kamers in het noorden waren:

4.      Lisjkat haëets – de houtkamer (volgens Rawa was die kamer voor de Kohen Gadol).

5. Lisjkat hagola – de diaspora-kamer, hier was een waterbron, waaruit het water voor de Binnenplein getapt werd.

6. Lisjkat hagaziet – de kamer van de gehouwen steen. Dit was de kamer van het Groot Sanhedrin, die de Kohaniem controleerden.

De Poorten van het Beit HaMikdasj

Een Misjna (Middot 1:4) leert: Er waren zeven poorten  naar het Binnenplein, drie in het noorden, drie in het zuiden en één in het oosten [volgens Rabbi Eliëzer ben Ja’akov. In Middot wordt een andere mening genoemd met 13 poorten]. De drie in het zuiden:

1.  De Vuurpoort [door deze poort werd het hout voor het altaar binnengebracht (RAV)].

2.  De Offerpoort [mogelijk werden hier de dagelijkse offers binnengebracht. Een andere verklaring: hier kwam Awraham binnen toen hij Jitschak wilde offeren. Nog een andere verklaring: door deze poort werden de eerstgeboren dieren binnengebracht.]

3.  De Waterpoort [Hier werd het water voor het Soekotfeest binnengebracht, er was een mikwe op het dak].

De poort in het oosten was de Nikanor-poort [de hoofdingang naar het Binnenplein. Deze poort wordt verderop besproken]. Rechts van deze poort was de Kamer van Pinchas de kleermaker [van de priester-kleding. De eerste priesterkleermaker heette Pinchas]. Links van de poort was de kamer van diegenen die de chawitien bereidden [dit waren meeloffers die gebakken waren in platte pannen].

De drie poorten in het noorden waren:      

1.  De Stralenpoort [dit was gebouwd als een paviljoen, zonder buitenmuur, waar de zonnenstralen dus vrij naar binnen kwamen]. Bovenop was een kamer, waar de Kohaniem de wacht hielden en de Levieten stonden beneden op wacht [dit was een erewacht]

2.   De Offerpoort [waar de allerheiligste offers door binnengebracht werden].

3.   Het Vuurhuis [dit is al eerder beschreven].

Op Jom Kippoer ging de Kohen Gadol vijf keer in het mikwe, vier keer boven de Parvakamer, maar de eerste keer boven de waterpoort, naast de kamer van de Kohen Gadol. [Dus behalve de kamer in het noorden van het Binnenplein had de Kohen Gadol ook nog een kamer in het zuiden, naast de waterpoort. De Gemara veronderstelt dat dit de kamer van Avtinas was en dat het Lisjkat Parhedrin naast de kamer van het Sanhedrin gelegen was, en zo paskent Rambam (Beit HaBechira 5:17)].

Daf 19b

Een eed in tranen

Onze Misjna vermeldt dat de Geleerden de Kohen Gadol een eed lieten afleggen, waarop beiden, de Kohen Gadol en de Geleerden in huilen uitbarstten. De Gemara vertelt dat de Kohen Gadol huilde, omdat hij ervan verdacht werd een Saduceeër te zijn [want hij moest de eed afleggen om te beloven dat hij de dienst niet zou doen volgens de ideeën van de Saduceeërs], en de Geleerden huilden omdat R. Jehosjoea ben Levi gezegd had dat wie iemand onschuldig van misdaden verdenkt, die wordt gegeseld.

Het gebeurde eens dat een Saduceeër de dienst deed en hij deed het volgens de incorrecte manier van de Saduceeërs. Zijn vader waarschuwde hem niet openlijk de Geleerden ongehoorzaam te zijn. Maar hij [de Kohen Gadol] was blij dat hij hen om te tuin had kunnen leiden. Er wordt vermeld dat hij spoedig daarna stierf.

Gebaren of tekens maken tijdens Sjema

Rav Chanan bar Rawa vertelde de uitspraak van Rabbi Zecharja ben Kewoetal in onze Misjna aan Chia bar Rav, maar hij sprak de naam uit als Kefoetal (met een F). Rav gebaarde hem dat het Kewoetal moest zijn.

De Gemara vraagt: Waarom gebaarde Rav en waarom zei hij het niet gewoon?

De Gemara antwoordt: Rav was midden in het zeggen van Sjema en dan mag je niet praten.

De Gemara vraagt: Maar dan mag men, volgens een Baraita, ook geen gebaren maken, noch met de ogen, noch met de lippen, noch met de handen. Dus hoe kon Rav dan gebaren?

De Gemara antwoordt: Dat geldt alleen voor de eerste paragraaf van Sjema [sommige commentatoren zeggen dat men voor profane onderwerpen tijdens geen van de drie paragrafen van Sjema gebaren mag maken, maar ten behoeve van een mitswa mag het wel tijdens de tweede en derde paragraaf]. Rav zei op dat moment een van de andere twee paragrafen.

Wedibarta bam

De Gemara gaat nog even door over het onderwerp Sjema.

In de eerste paragraaf van Sjema (Deut. 6:7) komen de woorden: „wedibarta bam” – en je zult erover spreken – voor. Dat wil zeggen: je zult de woorden van Sjema hardop zeggen, maar de tefilla – de Sjemoné Esré mag je niet hardop zeggen. En het betekent ook dat je over Tora moet vertellen, maar dat je niet over onbelangrijke onderwerpen moet praten, d.w.z. geen loze praatjes. Wie dat toch doet, overtreedt dit gebod om over Tora te praten en hij overtreedt het verbod om niet over onbelangrijke dingen te praten.

Hoe houden we de Kohen Gadol wakker

Misjna De Jonge Kohaniem klikten met hun vingers om de Kohen Gadol de hele nacht wakker te houden. Wanneer hij erg slaperig was, lieten zij hem staan en zij hielden hem de hele nacht bezig.

Gemara Zij vroegen hem bepaalde oefeningen te doen of rond te lopen. Zij hielden hem wakker met gezang van Psalmen dat zonder de zorgvuldige dienst van de Kohen Gadol, het Beit HaMikdasj niet zou kunnen blijven bestaan.

Sommige bewoners van Jeruzalem bleven de hele nacht wakker en leerden Tora, zodat de Kohen Gadol hen zou horen en ook zou wakker blijven.

Abba Sjaoel vertelt: In sommige plaatsen in de diaspora bleef men ook de hele nacht van Jom Kippoer wakker, ter nagedachtenis aan deze gewoonte uit de tijd van de Tempel. Op andere plaatsen zondigde men op deze nacht [door zich met vrouwen te vermaken (Rasji)], want „de zonde ligt voor de deur” (Gen. 4:7).

De Gemara vraagt: Wat zegt de Satan daarover?

De Gemara antwoordt: Die heeft op Jom Kippoer niets te vertellen, want de gamatria van het Hebreeuwse woord voor „De Satan” [Hee-Sien-Tet-Noen] = [5+300+9+50 =] 364, d.w.z. hij heeft toestemming op 364 dagen van het jaar om zijn aanklachten in te dienen, maar op de 365e dag, op Jom Kippoer heeft hij geen toestemming om een vervolging in te stellen. [Op die dag ziet Satan de Joden de hele dag zonder schoenen in witte kleren staan te bidden tot Hasjem, zonder eten, zonder drinken, alles net zoals de engelen doen en hij zegt tegen Hasjem: „De Joden zijn net engelen.” En dan vergeeft G-d hen hun zonden.