Archief Joma

Aanmelden

dinsdag 27 juni 2006

1 Tamoez 5766

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 20

Door Zwi Goldberg

Troemat hadèsjen – de verwijdering van de as

Na afsluiting van het onderwerp van de voorbereidingen van de Kohen Gadol, gaat de Misjna over tot de eerste dienst van de dag:

Misjna Ieder dag werd as van het altaar verwijderd [de troemat hadèsjen] met de roep van de gèwer, of vlak daarvoor of vlak daarna. [Een Kohen schepte iets van de as van het altaar en deponeerde dat aan de voet van het altaar, waar het in de grond verdween (Rasji). De „roep van de gèwer” wordt verderop verklaard.]

Op Jom Kippoer deed de Kohen Gadol dit vanaf middernacht en op feestdagen werd het gedaan na de eerste nachtwake. [De wacht van de engelen is ’s nachts verdeeld in drie groepen, die ieder G-ds lof zingen, dus ook de nacht is verdeeld in drie gelijke delen (Traktaat Berachot 3a).]

Op feestdagen was het Binnenplein reeds gevuld met Joden, nog vóór de roep van de gèwer.

Gemara Een Misjna (Zewachiem 86a) leert: Ledematen [van offerdieren] die [tengevolge van de grote hitte] uit elkaar barsten en van het altaar springen vóór middernacht, moeten op het altaar worden terug gelegd, en de wet van me’ila[1] geldt ervoor [d.w.z. men mag er geen onrechtmatig gebruik van maken]. Na middernacht hoeven zij niet terug gelegd worden en geldt me’ila er niet  meer voor.

De Gemara vraagt: Hoe weten wij dit?

De Gemara antwoordt (Rav): Dat leren we van een vers in Tora, [Volgens Rasji bedoelt Rav het vers van Leviticus. 6:2: „…dit is het brandoffer op de brandstapel op het altaar, heel de nacht, tot de ochtend, en het vuur zal brandend gehouden worden.” En dat betekent, dat ledematen die van het altaar afvallen, daarop terug gelegd moeten worden, want ze moeten heel de nacht op het altaar liggen.] en het volgende vers (ib. 6:3): „De Kohen … zal de as dat het brandoffer verbrand heeft, wegnemen.” Dat betekent, vervolgt Rav, dat de eerste helft van de nacht, tot middernacht, de ledematen op het altaar moeten blijven liggen en wat eraf valt, moet terug gelegd worden, en de tweede helft van de nacht, na middernacht, is bestemd voor de verwijdering van de as.

De Gemara werpt tegen (Rav Kahana): Wanneer het een Tora-gebod is dat men de as pas na middernacht mag verwijderen, hoe kan onze Misjna dan zeggen dat het op Jom Tov aan het eind van de eerste nachtwake [dat is vóór middernacht] gebeurde en op werkdagen pas na de roep van de gèwer? De verklaring van Rav kan dus niet goed zijn!

Daf 20b

Rav Jochanan geeft een ander antwoord: Het woord „tot de ochtend” in vers 6:2 is overbodig, want „heel de nacht” is al tot de ochtend. Die extra woorden leren ons dat wat na middernacht van het altaar valt, al verbrand is en als as beschouwd kan worden en de woorden „heel de nacht” hebben ook betrekking op de verwijdering van de as, wat dus ook heel de nacht mag gebeuren. Daarom hebben de Geleerden bepaald dat de Kohen Gadol de as op Jom Kippoer al vanaf middernacht verwijdert, zodat hij gedurende de dag voldoende tijd heeft om de uitgebreide Jom Kippoer-dienst te doen. Op werkdagen is er voldoende tijd om het ’s ochtends omstreeks de tijd van de roep van de gèwer te doen en op feestdagen, wanneer er veel Joden aanwezig zijn om hun offers te brengen, wordt de as al vóór middernacht, aan het eind van de eerste nachtwake verwijderd.

De roep van de gèwer

De Gemara vraagt: Wat is de roep van de gèwer?

Eerste antwoordt (Rav): De roep van een man.

Tweede antwoord R. Sjila): De roep van de haan. [Het woord lasjechwie in de ochtend-beracha die we elke dag zeggen: „Asjèr natan lasjechwie bina, enz. – Die de lasjechwie  begrip heeft gegeven…” heeft eveneens een dubbele betekenis: het kan ‘hart’ of ‘haan’ betekenen.]

Een Baraita steunt Rav: Gewini de omroeper riep iedere ochtend: „Kohen  naar jullie dienst, Levieten naar jullie platform [waarop zij zongen tijdens de dienst van de Kohaniem] en Israëlieten naar jullie plaatsen [er waren altijd een aantal Israëlieten in de Tempel aanwezig op het Ezrat Jisraël (zie nr. 19 van het diagram van de Tempel in de inleiding] als afgevaardigden van het volk, want de eigenaars van een offer moeten er altijd bij aanwezig zijn en de gemeenschap was de eigenaar van de dagelijkse offers].  En zijn stem kon drie parsaot[2] ver gehoord worden.

En een andere Baraita leert: Als de Kohen Gadol uitriep tijdens de Jom Kippoer-dienst: „Ana Hasjem” [alstublieft, Hasjem], dan werd zijn stem tot jericho gehoord, en dat ligt op een afstand van 10 parsaot.

Dus de Baraita steunt Rav, dat de gèwer een man was.

Drie geluiden reizen van het ene eind van de wereld naar het andere

Een Baraita: Drie geluiden reizen van het ene eind van de wereld naar het andere einde: het geluid van de bal van de zon,  het geluid van de Romeinse menigten en het geluid van de ziel als die het lichaam verlaat. En sommigen zeggen: ook de geluiden van de geboorte. Maar de Rabbijnen baden tot G-d om medelijden te hebben met de ziel, wanneer die het lichaam verlaat en zij verwijderden dat geluid.


 

[1]. Me’ila – onrechtmatig gebruik of profijt van Tempel-eigendom of de verwijdering daarvan uit het Tempel-complex. 

[2]. Parsa [mv. parsaot] lengtemaat van ongeveer 1 km.