Archief Joma

Aanmelden

woensdag 29 juni 2006

2 Tamoez 5766

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 21

Door Zwi Goldberg

Nogmaals de Gèwer

We hebben gezien dat er een meningsverschil is over de betekenis van het woord gèwer en dat R. Sjila meent dat het de roep van de haan betreft. Een Baraita steunt hem: Men moet niet op reis gaan vóór de roep van de gèwer want dat is levensgevaarlijk. R. Jehoeda zegt: men moet wachten totdat de gèwer driemaal geroepen heeft. En over welke haan heeft men het hier? Over een gewone haan. [Dus de gèwer is een haan.]

De tien wonderen van het Mikdasj

Op de pelgrimsdagen [Pesach, Sjawoeot en Soekot], wanneer de Joden naar de Tempel kwamen, stonden zij daar opeengeperst en desondanks kon iedereen zich languit ter aarde werpen en men had daarvoor voldoende ruimte en vulde zelfs de ruimte achter het Heiligdom. [zie nr. 59 op het diagram van de inleiding. De Israëlieten stonden op de Israëlieten-binnenplaats (nr. 19 van het diagram), maar op deze dagen mochten zij ook op de Ezrat Kohaniem – de binnenplaats voor de Kohaniem – komen (volgens Rasji alleen aan de zijkanten) tot achter het Heiligdom.] Dit was één van de tien wonderen van de Tempel, zoals een Misjna (Awot 8:8) vertelt: Er kwamen tien wonderen voor in het Beit HaMikdasj:

1.   Geen vrouw had ooit een miskraam tengevolge van de geur van het offervlees [die geur was om van te watertanden].

2.   Het offervlees raakte nimmer bedorven [ondanks dat het soms wel twee dagen in het warme klimaat van Israël lag (zonder koelkast!)].

3.   Er waren geen vliegen op de Binnenplaats, waar geslacht werd.

4.   De Kohen Gadol had nimmer een nachtelijke zaadlozing op Jom  Kippoer.

5.   Er werd nooit iets ongeldigs gevonden aan de Omer [een mincha-offer op de tweede dag van Pesach, van het eerste graan van de nieuwe oogst], noch in de twee broden [die op Sjawoe’ot geofferd werden], noch in de Toonbroden.

6.   Zij stonden opeengeperst en konden  zich desondanks royaal languit ter aarde werpen.

7.   Niemand werd in Jeruzalem ooit door een slang of schorpioen gebeten.

8.   En niemand klaagde ooit dat het te vol was in Jeruzalem, om er te overnachten.

9.   De regen doofde nimmer het vuur op het altaar.

10. De rook van het altaar ging altijd recht omhoog, ondanks de wind.

Een Baraita noemt nog enkele wonderen: De brokstukken van gebroken Tempel-vaatwerk, de as van het Altaar en de as van de Menora werden op wonderbaarlijke wijze in de grond geabsorbeerd.

Rabbi Jehosjoea ben Levi noemt nog een wonder: De Toonbroden waren na een week op de tafel te hebben gelegen, nog even vers als op de vorige Sjabbat.

Nog een groot wonder: R. Levi vertelde: De ruimte die de Heilige Ark innam, was niet inbegrepen in de afmetingen van het Heilige der Heiligen. [Het Heilige der Heiligen mat 20ª20 amma en de Ark, die 2½ª1½ amma mat, stond in het midden op een afstand van 10 amma van alle zijwanden van het Allerheiligste [zie tekening] dus kennelijk nam de Ark geen plaats in.

Rabbenai zei: Ook de Cheroebiem namen geen plaast in [I Koningen 6:23 vermeldt dat Koning Salomo twee olijfhouten Cheroebiem gemaakt had, die elk twee vleugels hadden van elk 5 amma lang en dat de spanwijdte van de beide vleugels van een Cheroebijn 10 amma was van vleugel-tip tot vleugel-tip. Dus kennelijk namen de lichamen van de cheroebiem geen ruimte inbeslag!]

Daf 21b

Nog een wonder

Rav Osjaja vermeldt: Koning Salomo had allerlei soorten gouden fruitbomen geplant en zij brachten allen op hun tijd vruchten  voort, en wanneer de wind blies, vielen de bladen af [en de Kohaniem verkochten de gouden vruchten en maakten daar hun levensonderhoud van (Joma 39b).

De onbeweeglijk rookkolom

De Gemara vraagt: De Misjna in Awot die hierboven werd aangehaald, zegt: De rook van het altaar ging altijd recht omhoog, ondanks de wind. Maar was er dan rook? Een Baraita leert: Het vuur op het Altaar had de vorm van een liggende leeuw, het was zo helder als de zon, het was substantiëel, het verbrandde zowel vochtige als droge voorwerpen en het produceerde geen rook. [Toen Salomo de Tempel inwijdde, kwam het vuur uit de hemel en bleef daar branden (II Kronieken 7:1). Het had de vorm van een liggende leeuw.] Dus de Baraita en de Misjna spreken elkaar tegen?

De Gemara antwoordt: Het vuur uit de hemel produceerde geen rook, maar het vuur van de mensen kwam niet uit de hemel, maar werd door de Kohaniem op het Altaar gebracht, zoals vermeld staat (Lev. 1:7): „En de zonen van Aharon de Kohen brachten het vuur op het Altaar.”

Vijf verschillen tussen de Tweede en de Eerste Tempel

De volgende vijf dingen waren afwezig in de Tweede Tempel:

1. De Ark, het deksel van de Ark en de Cheroebiem.

2. Het vuur uit de hemel.

3. De Sjechina.

4. De Heilige Geest van de Profetie.

5. De Oeriem WeToemiem [het perkament met de Naam van G-d erop geschreven, dat in de Chosjen – borstplaat – van de Kohen Gadol zat en dat onder bepaalde omstandigheden door de Kohen Gadol geraadpleegd werd].

De Gemara vraagt: Dus er was in de Tweede Tempel geen vuur uit de hemnel, maar de verklaring van de Baraita zegt dat er wel vuur uit de hemel was?

De Gemara antwoordt: Er was wel vuur uit de hemel, maar het verteerde de offers niet. [Aards vuur moest de offers verbranden.]

De zes soorten vuur

Een Baraita leert: Er zijn zes soorten vuur:

1. Vuur dat eet, maar dat niet drinkt. Dit is gewoon vuur dat geen vloeistoffen verbrandt.

2. Vuur dat drinkt, maar dat niet eet. Dit is de koorts van zieke mensen, die hen dorstig maakt.

3. Vuur dat eet en drinkt. Dit is het vuur van de Profeet Eliahoe, want er staat (I Koningen 18:38): „En het likte het water in de groeve op.”

4. Vuur dat de meeste voorwerpen verteert. Dit is het vuur op het Altaar.

5. Vuur dat vuur afstoot. Dit is het vuur van de engel Gabriël [In Pesachiem 118a] wordt verteld dat Gabriël het vuur in de oven doofde, waarin Chananja, Misjaël en Azarja waren gegooid door Neboechadnetsar.]

6. Vuur dat vuur verteert. Dit is het vuur van de Sjechina. [In Sanhedrin 38b wordt veteld, dat G-d tijdens de Schepping opstandige vuur-engelen vernietigde.]

De rook van het altaar

De Misjna in Awot die hierboven werd aangehaald zegt: De rook van het altaar ging altijd recht omhoog, ondanks de wind. Maar zie wat R Jitschak Avdimi zegt in een Baraita:  Op de avond na Sjemini Atsèret keek iedereen naar de rook  van het Altaar. Als het naar het noorden dreef, was dat een teken dat er veel regen zou vallen het komende jaar en dan waren de armen blij en de rijken bedroefd. [Veel regen maakt de lucht vochtig en doet het graan in de magazijnen rotten, dat drukt de prijzen omlaag en dat is goed voor de armen maar slecht voor de rijke graanhandelaren (Rasji)]. Als het naar het zuiden dreef, zou er weinig regen vallen, en dat was goed voor de rijken maar slecht voor de armen, want dan bleef het graan droog [en de prijzen hoog (Rasji)]. Als de rook naar het oosten dreef, was iedereen blij [want dan kwam er gematigde regen en gematigde graanprijzen]. Als de rook naar het westen dreef, was iedereen bedroefd [de rook dreef naar het westen ten gevolge van een oostenwind, die droog is en droogte veroorzaakt, de oogst vernielt en daar is niemand mee gebaat (Rasji)].

De Gemara vraagt: Dus de rook was wel gevoelig voor de wind?

De Gemara antwoordt: De rook wuifde heen en weer als palmbomen, maar de rook werd niet verspreid.

Over windrichtingen

De Gemara vraagt: Hierboven werd gezegd dat als de rook naar het oosten dreef [ten gevolge van een westenwind], dan was iedeeen blij en als de rook naar het westen dreef [t.g.v. een oostenwind], dan was iedereen bedroefd. Maar zie de volgende Baraita: Oostenwind is altijd goed, westenwind is altijd slecht. Noordenwind is goed voor graan dat al voor eenderde gegroeid is, maar het is slecht voor olijfbomen, terwijl zuidenwind slecht is voor het graan maar goed is voor de olijfbomen. Dat spreekt elkaar toch tegen?

De Gemara antwoordt: Dat is geen probleem. De laatste Baraita heeft het over Babylonië en de eerste Baraita heeft het over Erets Jisraël!

HADARAN ALAJICH  SJIWAT JAMIEM

WIJ ZULLEN NAAR U TERUGKEREN, SJIWAT JAMIEM[1]

[1] Sjiwat jamiem – zeven dagen (van afzondering van de Kohen Gadol).