Archief Joma

Aanmelden

donderdag 29 juni 2006

3 Tamoez 5766

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 22

Door Zwi Goldberg

De wraak van een Talmied Chacham

De Gemara vraagt: Waarom werd Sjaoel gestraft en als koning afgezet?

De Gemara antwoordt: Omdat Koning Sjaoel afzag van zijn eer als koning.

De Gemara licht dit nader toe: Een Talmied Chacham mag niet vergeten als hij beledigd is en hij moet een wrok in zijn hart blijven koesteren tegen zijn aanvaller.

De Gemara werpt tegen: De volgende pasoek  spreekt dat tegen: „Je zult geen wraak nemen en geen wrokgevoelens hebben” (Lev. 19:11). Een Baraita licht dat toe: Als Re’uween aan Sjim’on zijn sikkel te leen vraagt en dat weigert Sjim’on, en de volgende dag komt Sjim’on en wil een bijl lenen van Re’oeween, en Re’oeween zegt: ‘nee, want jij wilde mij je sikkel niet lenen’, dan is dat wraak nemen [en dat is verboden]. En als Levi een hakmes te leen vraagt van Jehoeda en Jehoeda zegt: Nee! en de volgende dag komt Jehoeda en vraagt om een overhemd van Levi en Levi zegt: ‘hier is het, ik ben niet zoals jij,’ dat is wrokgevoelens hebben.  Dus het is verboden wrok te koesteren?

De Gemara antwoordt: Dat geldt alleen voor financiële zaken. Maar als een Talmied Chacham beledigd is, is Tora beledigd. Dat mag hij niet vergeten. Hij mag zelf geen wraak nemen. G-d zal voor hem wraak nemen. En als hij ziet dat iemand anders zijn belager aanvalt, moet hij niet tussenbeide komen, want hij moet dan begrijpen dat hij de straf van de Hemel uitvoert.

Het opsteken van vingers in de loterij

De Gemara vraagt: Hoeveel vingers stak iedere Kohen op?

De Gemara antwoordt: Een Braita: Zij [de Kohaniem] mogen één vinger opsteken, niet twee, maar een zieke Kohen, die niet in staat is één vinger op te steken, zonder ook een tweede vinger op te steken, mag er twee opsteken, maar die Kohen wordt toch als één Kohen geteld.

Moord op het Tempelplein

De Misjna vertelde dat het eens gebeurde dat een Kohen zijn collega van de helling naar het altaar afduwde, zodat hij zijn been brak. De Gemara vertelt van nog een incident: Het gebeurde eens dat twee Kohaniem gelijk de helling naar het Altaar oprenden. Toen één van de twee de vier ammot eerder naderde dan de ander, stak de achterste hem met een mes in zijn hart. De vader van de jongen kwam en zag dat zijn zoon nog lag te kronkelen op de grond met het mes nog in zijn lichaam. Daarop concludeerde de vader dat het mes dan ten minste nog niet tamee was. [De vader was kennelijk meer bezorgd voor de tahara van de Tempel-voorwerpen dan voor het leven van zijn zoon. Dit gebeurde tegen het eind van de Tweede Tempel-periode toen er zoveel bloedvergieten voorkwam, dat de mensen daar onverschillig voor waren geworden.]

De Gemara vraagt: Wanneer het incident van de moord eerder gebeurde dan dat met het gebroken been, waarom werd de loting dan niet na de moord ingesteld en wanneer de moord na het gebroken been gebeurde, wat deden die twee Kohaniem dan op die helling, ze hadden toch al geloot?

De Gemara antwoordt:  De moord gebeurde eerder, maar de Geleerden dachten dat dit een incidentele gebeurtenis was. Pas toen er voor de tweede keer iets dergelijks gebeurde, begrepen zij dat het een gevaarlijke race was geworden. [De meeste Kohaniem waren goede mensen, die ene moordenaar was een uitzondering, maar elkaar duwen in een race gebeurt niet met kwade opzet en gebeurt vaak onopzettelijk.]

Daf 23b

De kleren van de Kohen

De Misjna op daf 22a heeft het over de afzondering van de as van het altaar. De verzen 3 en 4 van Leviticus 6 hebben het over de afzondering van de as en over de verwijdering van de as. Ieder dag moest er iets van de as van het altaar worden afgenomen en naast het altaar op de grond gelegd worden, maar als de ashoop op het altaar te groot werd, moest die verwijderd worden en buiten de stad gedeponeerd worden. Verder vermelden deze verzen dat voordat de Kohen de as afzondert, hij linnen kleren aantrekt en nadat hij het as afgezonderd heeft, trekt hij die uit en trekt ‘andere kleren’ aan.

Vraag: Wat is er ‘anders’ aan deze ‘andere kleren’?

De Gemara antwoordt: Die ‘andere kleren’ zijn van minder kwaliteit, maar ze zijn wel heilig. [Dit om te voorkomen dat de Kohen zijn ‘goeie kleren’ vuil maakt als hij de as buiten de stad brengt.

R. Eliëzer echter meent, dat het woord ‘andere’ betrekking heeft op een andere Kohen, namelijk dat een Kohen met een disqualificerende afwijking, die geen dienst mag doen in de Tempel, de as mag verwijderen, dus volgens R. Eliëzer is de verwijdering van de as kennelijk geen awoda. De Tanna Kamma meent dat de verwijdering van de as wel een awoda is en dat een Kohen met een afwijking dit dus niet mag doen.

Reisj Lakisj meent dat de beschadigde Kohen ook de afzondering van de as (de troemat hadèsjen) mag doen, en dat dit ook geen awoda is, want Tora zegt (Lev. 6:3) dat de Kohen die dat doet, alleen maar twee van zijn vier Priesterkleren hoeft te dragen, dus kan het geen awoda zijn, want daarvoor zijn alle vier de priesterkleren nodig. Maar R. Jochanan meent dat de Tanna Kamma en R. Eliëzer het erover eens zijn dat dit niet mag. En als Tora alleen maar twee priester­kleren noemt, is dat volgens R. Jochanan om aan te geven dat de troemat hadèsjen moet gebeuren in priesterkleren, omdat het een awoda is dus het moet gebeuren in alle vier de priesterkleren en een gedisqualificeerde Kohen mag dat dus niet doen.

De Gemara vraagt: Waarom noemt Tora dan volgens R. Jochanan speciaal die twee kledingstukken?

De Gemara antwoordt: Er staat dat de Kohen zich moet kleden in mido bad  – zijn linnen kleed. Maar het woord mido kan ook vertaald worden met ‘van zijn maat’, hetgeen betekent dat het kledingstuk de maat van de Kohen  moet hebben, d.w.z. het mag niet over de grond slepen of zijn benen bloot laten, maar het moet precies boven de grond hangen. En wat er staat over de broek, dat die op ‘zijn vlees’ gedragen moet worden, dat wil zeggen, dat de Kohen niets anders mag dragen onder zijn broek.

De Gemara vraagt: En waarvan leert Reisj Lakisj, dat het kleed precies de juiste maat moet hebben en dat de Kohen niets onder zijn broek mag dragen [want Reisj Lakisj meent dat de bedoeling van Tora, als het alleen het kleed en de broek noemt, is, dat alleen die gedragen worden bij de troemat hadèsjen]?

De Gemara antwoordt: Dat het kleed precies de juist maat moet hebben, leert Reisj Lakisj van het gebruik van het ongewone woord mido voor kledingstuk, [in plaats van het meer gebruikelijke woord ketonet]. En dat hij niets onder zijn broek mag dragen, leert Reisj Lakisj van het woord besari – op zijn vlees.

Kleren van de Kohen Gadol voor een gewone Kohen?

De Gemara vermeldt een meningsverschil tussen twee Tannaïem over dit zelfde onderwerp. Het vers (Lev. 6:3) noemt tweemaal het woord ‘aantrekken’, hetgeen schijnbaar overbodig is. Rabbi Jehoeda concludeert daaruit dat de Kohen behalve de in dat vers genoemde twee kledingstukken ook de tulband en de gordel moet dragen bij de troemat hadèsjen. Rabbi Dosa echter meent dat dit betekent dat de Kohen dan de kleren van de Kohen Gadol moet dragen, die deze op Jom Kippoer draagt.

Rebbi bewijst dat dit onjuist is: Ten eerste is de gordel van de Kohen Gadol [voor de Jom Kippoer-dienst] van ander materiaal gemaakt dan die van de gewone Kohen [die van de Kohen Gadol is van alleen linnen en die van een gewone Kohen is volgens Rebbi van linnen en wol, terwijl R. Dosa meent dat de gordel van een gewone Kohen ook van alleen linnen is (zie de discussie hierover op daf 12b)], en verder kan men kleren die voor de meer heilige dienst van Jom Kippoer zijn gebruikt, niet ook gebruiken voor de minder heilige dienst op een gewone werkdag.

De Gemara vraagt: Wat komt die tweede keer ‘aantrekken’ dan volgens Rebbi vertellen?

De Gemara antwoordt: Dat de Kohen versleten kleren mag dragen tijdens de awoda [maar niet gescheurde kleren].