Archief Joma

Aanmelden

zaterdag 1 juli 2006

5 Tamoez 5766

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 24

Door Zwi Goldberg

De hoeveelheid van de Troemat hadèsjen

De Gemara vraagt: Hoeveel as moet er voor de troemat hadèsjen afgzonderd worden? Leiden we dat af van de wet  van troemat ma’aser [zodat er dus een tiende van de as moet worden afgezonderd], of leiden we dat af van de troemat Midjan? [Nadat de Midjanieten Israël veel kwaad hadden gedaan, voerde Israël oorlog tegen hen en versloeg de Midjanieten en maakten veel buit. Hasjem gebood de Israëlieten dat zij 1/500-ste van hun buit aan de Kohaniem moesten geven.

De Gemara antwoordt: Een Baraita geeft het antwoord: Er staat geschreven [in Lev. 6:3]: „Hij zal de as afzonderen en er staat elders [ib. vs. 8] geschreven: „Hij zal [de komets[1]] afzonderen.” Dus in beide gevallen moet de Kohen een komets afscheiden.

Als een niet-kohen dienst doet in de Tempel

Rav heeft gezegd: In vier gevallen, waarin een niet-kohen dienst doet in het Beit HaMikdasj, is hij de dood door de Hemel schuldig: gooien [van bijvoorbeeld het bloed op het altaar], verbranden [van bijvoorbeeld de offerdelen op het altaar], het water-plengoffer [op Soekot] en wijn-plengoffers [bij vele dieroffers wordt ook wijn geofferd].

Levi zegt: Een niet-kohen is ook de doodschuldig als hij de as afzondert van het altaar.

De Gemara vraagt: Waarom noemt Rav niet ook de troemat hadèsjen?

De Gemara antwoordt: Rav baseert zijn uitspraak op Numeri 18:7, waar Hasjem tegen de priesters zegt: Jij en je zonen met jou zullen jullie het priesterschap  in acht nemen, voor alles wat met het altaar te maken heeft en voor wat betreft binnen het voorhangsel is, en jullie zullen de dienst doen; Ik heb jullie dienst als een geschenk gemaakt, en een niet-kohen die dienst doet, zal gedood worden. Dat wil zeggen, dat een vreemde die een geschenk brengt, gedood zal worden, maar als hij iets [bijv. as] wegneemt van het altaar, is dat niet verboden. En ook geldt het alleen voor een awoda waar geen andere awoda meer na komt.

Maar Levi baseert zich op: „alles wat met het altaar te maken heeft.” En Rav hecht geen speciale betekenis aan het woord „alles.”

Klal oePrat – generalisatie en specificatie

De Gemara maakt bezwaar tegen Levi’s standpunt: Het vers zegt eerst: „alles wat met het altaar te maken heeft,” dat is een klal – generalisatie, en daarna staat er dat de dienst een geschenk is, dat is een prat – specificatie. En de regel voor een Klal oePrat is dat de klal niet meer bevat dan de prat. [Dit is één van de dertien regels van Rabbi Jismaël voor de verklaring van Tora. Wanneer Tora achter elkaar eerst een algemene uitdrukking gebruikt en daarna een specifieke uitdrukking, dan geeft die specifieke uitdrukking een nadere toelichting op de algemene uitdrukking en de algemene uitdrukking bevat dan niet meer dan de specificatie (Rasji)]. Dus als de afzondering van de as door een niet-Kohen gedaan wordt, krijgt die daar niet de doodstraf voor.

Daf 24b

De Gemara antwoordt: De wet voor klal oeprat gaat hier niet op want tussen de klal en de prat staat „en wat achter het voorhangsel is.” Dus alleen achter het voorhangsel [in het Heilige der Heiligen] is een niet-kohen strafbaar voor een dienst in de vorm van een geschenk, maar niet voor een afzondering of verwijdering. Maar buiten het heiligdom is een niet-kohen ook de doodstraf schuldig voor troemat hadèsjen.

Awoda siloek in de heichal

Vraag (Rawa): Hoe is de situatie voor een Siloek [verwijdering] in de Heichal[volgens Levi]? Geldt het als in het Heilige der Heiligen en is een niet-kohen daar dus niet de doodstraf voor schuldig, of geldt het als een buiten-dienst, zoals een dienst op het altaar en is een niet-kohen er wel de doodstraf voor schuldig?

Antwoord: Er staat „Voor wat betreft binnen het voorhangsel” in plaats van alleen maar „binnen het voorhangsel.” Dat wijst erop dat het Heiligdom hier is inbegrepen in de wet voor het Heilige der Heiligen, d.w.z. dat de niet-kohen die daar iets verwijdert, niet de doodstraf krijgt.

Een dienst waarbij iets geschonken wordt

De Gemara vraagt: Als een niet-kohen de toonbroden op de tafel legt, is hij dan de doodstraf schuldig?

De Gemara antwoordt: Nee, want nadat de broden op de tafel gelegd zijn, worden de lepels op de tafel gelegd, dus dat is geen afsluitende dienst.

De Gemara vraagt: Als een niet-kohen de lampen van de Menora voorbereid, is hij dan de doodstraf schuldig?

De Gemara antwoordt: Nee, want daarna moeten de pitten nog in de lampen geplaatst worden. En daarna wordt er nog olie in de lampen gedaan en daarna moeten de lampen worden aangestoken. Dus dat is allemaal geen afsluitende awoda en alleen een afsluitende awoda gedaan door een niet-kohen is de dood schuldig.

De Gemara vraagt: Is dus een niet-kohen die de Menora aansteekt, de dood schuldig?

De Gemara antwoordt: Nee, want dat is geen awoda.

Een niet-kohen die het altaarvuur in orde maakt

We hebben geleerd dat een dienst waarbij iets geschonken wordt en wat een afsluitende dienst is, waarna geen andere dienst volgt, niet door een niet-kohen gedaan mag worden.

De Gemara vraagt: Is een niet-kohen strafbaar met de dood voor het in orde brengen van het vuur op het altaar?

De Gemara antwoordt: Nee, want daarna volgt de dienst van de twee houtblokken [elke dag werden er ’s ochtends twee houtblokken op het altaarvuur gelegd].

De Gemara vraagt: Is hij dan schuldig als hij die hout-blokken op het vuur legt?

De Gemara antwoordt: Nee, want daarna worden de offerdelen op het altaarvuur gelegd.

De Gemara werpt tegen: Rabbi Jochanan zegt dat hij wel de doodstraf daarvoor schuldig is.

De Gemara antwoordt: Volgens R. Jochanan is het een afsluitende dienst, volgens Rav niet.

De Gemara brengt Baraitot die beide meningen steunen.

De vier loterijen

De Gemara vraagt: Waarom worden alle verlotingen niet in één keer gedaan [Rasji zegt dat de Kohaniem na de eerste loting nog drie keer moeten terugkomen om te loten en Ramban zegt dat ze nog één keer moeten terugkomen.]

De Gemara antwoordt: Om de opwinding in het Beit HaMikdasj te vergroten, want die is ter ere van Hasjem.

De kleren van de Kohaniem tijdens de lotingen

De Gemara vraagt: Droegen de Kohaniem tijdens de loting hun heilige dienstkleding of niet?

Rav Nachman antwoordt: Zij droegen niet de heilige dienstkleding, zodat zij niet uit louter enthousiasme voor de dienst naar voren zouden rennen en de dienst beginnen, zonder de loting af te wachten.

Rav Sjesjet antwoordt: Zij droegen de heilige dienstkleding om te voorkomen dat na de loting de Kohen die de dienst mocht verrichten uit louter enthousiasme zonder de heilige dienstkleding naar zijn dienst zou rennen.


[1] Komets – dat wat de Kohen met de kemitsa afscheidt van het meel van het mincha-offer, door een handvol van het meel te nemen, daar zijn middelste drie vingers overheen te sluiten en de rest de verwijderen. Dat wat hij op deze manier in zijn handpalm houdt, wordt verbrandt op het altaar.