Archief Joma

Aanmelden

zondag 2 juli 2006

6 Tamoez 5766

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 25

Door Zwi Goldberg

De kleren van de Kohaniem tijdens de lotingen (vervolg)

Rav Nachman noemt zijn bron, dat de lotingen gedaan werden in bigdei chol [niet-heilige kleren]:

Een Misjna (Tamied 5:3) leert dat de Kohaniem al hun kleren, behalve hun broek, na de loting inleverden bij de opzichter. Welnu, we veronderstellen dat dit de Kohaniem waren die wonnen bij de lotingen, en dat zij hun bigdei chol uitdeden en de bigdei kodesj aantrokken.

Rav Sjesjet werpt tegen: Het waren de Kohaniem die verloren hadden bij de loting en die hun bigdei kodesj inleverden. Van Tora (Lev. 16:4 en 6:3) leren we dat de broek het eerste van de bigdei kodesj is, die de Kohen moet aantrekken. Maar als de opzichter alle niet-heilige kleren van de Kohaniem inzamelt, behalve hun broek, suggereert dat, dat zij de heilige broek als laatste zullen aantrekken!

De Gemara antwoordt (in naam van Rav Nachman): Nee, zij trekken eerst hun niet-heilige broek uit en doen de heilige broek aan, waarna ze alle overige niet-heilige kleren uittrekken, zodat de Kohen alleen nog zijn heilige broek aan heeft, waarna hij de rest van de bigdei kodesj aantrekt en dus werd de heilige broek het eerst aangetrokken.

Rav Sjesjet noemt zijn bron, dat de loting gedaan werd in bigdei kodesj:

Een Baraita leert dat de opzichter de mitsnèfet[1] van één van de Kohaniem afnam en dat hij daar de loting begon [zie daf 22a]. Welnu, alleen bij de bigdei kodesj hoort een mitsnèfet!

De Gemara antwoordt: Er waren Kohaniem die een niet-heilige mitsnèfet droegen, die hun moeder voor hen gemaakt had. [Hadden dan alle Kohaniem een niet-heilige mitsnèfet? Zo ja, waarom zegt de Gemara dan dat de moeder van een Kohen dat gemaakt heeft en niet dat alle moeders van alle Kohaniem dat maakten? En zo nee, hoe geschiedde dan de loting als er een groep Kohaniem was, zonder mitsnèfet? (Zwi)]

Het Lisjkat HaGaziet

Een Baraita leert: De loting vond plaats in het Lisjkat HaGaziet [de Kamer van de Gehouwen Steen]. De Kohaniem stonden in het oostelijk deel van die kamer en de Geleerden zaten in het westelijke deel.

Abbajjé leert hiervan dat het Lisjkat HaGaziet gedeeltelijk op heilige grond [binnen het Tempelcomplex] gelegen lag en gedeeltelijk daarbuiten (zie nr. 23 van het dia­gram in de inleiding) en dat het twee uitgangen had, één naar het heilige gedeelte [het Tempelcomplex] en één naar het niet-heilige gedeelte [buiten de Tempel]. Want de loting moet plaatsvinden in de Tempel, dus de Kohaniem stonden in het heilige gedeelte van de kamer; maar in de Tempel is het verboden te zitten, dus de Geleerden zaten in het niet-heilige deel van de kamer.

Verder leert een Misjna (Ma’aser Sjeni 3:8): Het interieur van een kamer op niet-heilige grond, die een opening heeft naar heilige grond, is heilig en het interieur van een kamer op heilige grond met een opening naar niet-heilige grond, is niet heilig. Dus de deuropening bepaalt de heiligheid. En daar de Kohaniem in het oostelijk deel van het Lisjkat stonden, dat geheiligd was, moet het een uitgang hebben gehad naar het Tempel­plein, terwijl de Geleerden, die in het westlijk, niet-geheiligde deel van het Lisjkat zaten, een uitgang hadden naar de Tempelberg (zie diagram).

De tweede loting

Misjna De Misjna noemt de 13 taken die bij de tweede loting verdeeld worden: de Kohen die slacht, wie het bloed op het altaar gooit, wie de as van het binnenaltaar opruimt,  wie de as van de Menora opruimt, wie de kop en de rechter achterpoot van het offerdier op het altaar brengt, wie de beide voorpoten, wie de staart en de linker achterpoot, wie de borst en de nek, wie de beide flanken, wie de ingewanden, wie het begeleidende mincha-offer en wie de wijn voor het sprengoffer.

Ben Azai zegt dat de volgorde anders was [zie verderop].

Gemara De Gemara vraagt of er voor alle 13 taken apart geloot werd, of dat er één loting was die de slachter aanwees, en waarbij de twaalf Kohaniem die rechts naast hem stonden de twaalf overige taken kregen?

De Gemara antwoordt: We hebben toch al geleerd dat er maar vier lotingen waren!

De Gemara werpt tegen: Dat betekent dat er vier maal op een dag geloot werd, maar bij iedere keer konden er meerdere lotingen plaatsvinden.

Daf 25b

Een Baraita geeft het definitieve antwoord:  Er worden geen lotingen gehouden voor iedere dienst, maar als een Kohen  het recht verkrijgt om het tamied te slachten, dan krijgen de twaalf Kohaniem [rechts] naast hem het recht [op de overige diensten].

Wie vangt het bloed op?

De Gemara vraagt: De Misjna zegt niet dat bij de loting ook de dienst van het opvangen van het bloed verdeeld wordt. Wie vangt het bloed op, dat naar het altaar gebracht wordt, de sjocheet[2] of de zoreek?[3] De Gemara leidt verderop (48a) van Leviticus 4:7 af, dat al het ‘levensbloed’ [dat is het bloed dat bij het slachten naar buiten spuit] moet worden opgevangen, en misschien zal de zoreek in zijn haast om het bloed op het altaar te gooien, niet al het bloed opvangen. Dus misschien vangt de sjocheet het op? Maar de sjocheet is soms een niet-kohen?

De Gemara antwoordt: Een Baraita geeft het antwoord: Ben Kattin maakte twaalf kraantjes aan het wasbekken, zodat alle twaalf Kohaniem die voor de dienst hun handen en voeten moesten was, dat tegelijk konden doen. De sjocheet hoefde zijn handen en voeten niet te wassen [want dat kon ook een niet-kohen zijn, en slachten was dus geen ‘awoda’]. Maar als de sjocheet ook het bloed moest opvangen, hetgeen wel een awoda is, dat zou hij ook zijn handen en voeten moeten wassen en dan waren er dertien kraantjes nodig. Maar Ben Kattin had er maar twaalf gemaakt, dus kennelijk was er geen dertiende nodig en dus moet het de zoreek zijn geweest die het bloed opving.

De volgorde waarin de offerdelen op het altaar gebracht worden

We hebben gezien dat de misjna een machloket vermeldt over de volgorde waarin de offerdelen op het altaar gebracht worden. Een Baraita leert:

De Rabbijnen zeggen: Het wordt geofferd in de volgorde dat het loopt: de kop en de rechter achterpoot gaan eerst. Daarna komt de borst met de nek, de twee voorpoten, de twee flanken en ten slotte de staart met de linker achterpoot.

Rabbi Jossi zegt: Het wordt geofferd in de volgorde dat het wordt gevild: Eerst de kop met de rechter achterpoot, dan de staart met de linker achterpoot, de twee flanken, de twee voorpoten, en ten slotte de borst met de nek.

Rabbi Akiwa zegt: Het wordt geofferd in de volgorde waarin het ontleed wordt: Eerst de kop met de rechter achterpoot, dan de twee voorpoten, de borst met de nek, de twee flanken en tenslotte de staart met de linker achterpoot.

Rabbi Jossi HaGalili zegt: Het wordt geofferd in volgorde van de kwaliteit: Eerst de kop met de rechter achterpoot, dan komt de borst met de nek, de twee flanken, de staart met de linker achterpoot en ten slotte de beide voorpoten. (zie tabel)

 

De Rabbijnen

Rabbi Jossi

Rabbi Akiwa

Rabbi Jossi HaGalili

Misjna

kop en rechter achterpoot

1

1

1

1

1

borst met nek

2

5

3

2

4

twee voorpoten

3

4

2

5

2

twee flanken

4

3

4

3

5

staart en linker achterpoot

5

2

5

4

3

De Gemara vraagt: Het vers in Jechezkel (24:4) suggereert dat de dij voorkeur heeft boven de schouder, dus Rabbi Jossi, die volgens kwaliteit gaat, had de linker achterpoot voor de flanken met de schouder moet rangschikken?

De Gemara antwoordt: Dat vers heeft het over een mager dier en in een mager dier is de dij vleziger [want gespierder (Rasji)] dan de schouder. Maar in een vet dier is de schouder vleziger. En men kiest een vet schaap als offer.

Rawa: De Tanna kamma van onze Misjna en R. Jossi HaGalili gaan beide volgens de kwaliteit en toch verschilt hun volgorde. Dat komt omdat de Tanna kamma oordeelt daar de hoeveelheid vlees en Rabbi Jossi HaGalili kijkt naar de hoeveelheid vet.

De Gemara vraagt: Waarom is iedereen het ermee eens dat de kop met de rechter achterpoot eerst gaan?

De Gemara antwoordt: Er staat geschreven (Lev. 1:12): „Dan zal men het in stukken snijden, zijn kop en zijn vet en de priester zal het op het hout, dat op het vuur is, leggen, dat op het altaar is.” Dus de kop gaat eerst op het vuur, maar omdat daar zo weinig vlees  aan zit (want er zit zoveel bot aan), wordt de vlezige achterpoot erbij gevoegd. (En de Rabbijnen hebben daarvoor de rechter poot uitgekozen, omdat Tora altijd de voorkeur geeft aan rechts.)


 

[1] mitsnèfet – de tulband van een Kohen.

[2] Sjocheet – slachter.

[3] Zoreek – degene die het bloed op het altaar gooit.