Archief Joma

Aanmelden

maandag 3 juli 2006

7 Tamoez 5766

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 26

Door Zwi Goldberg

De derde en vierde loting

Misjna De derde loting is voor de nieuwe Kohaniem die nog nooit de dienst van het Reukwerk gedaan hebben, maar de vierde loting is voor nieuwe en oude Kohaniem, en bepaalt wie de ledematen van de helling naar de top van het altaar mag brengen. [De Kohaniem uit de vorige Misjna brachten de ledematen alleen tot de onderste helft van de helling.]

Gemara Een Baraita leert: Niemand offerde het reukwerk ooit voor een tweede keer.

De Gemara vraagt: Waarom niet?

De Gemara antwoordt: Omdat de dienst van het reukwerk rijkdom brengt [en zo konden zoveel mogelijk Kohaniem daarvan profiteren].

Vraag: Hoe weten we dat het reukoffer rijkdom brengt?

Antwoord: Dat blijkt uit het vers (Deut. 33:10-11): „Zij zullen ketòret brengen vóór Uw aanwezigheid en een brandoffer op Uw altaar. Zegen Hasjem, zijn bezittingen.”

Vraag: Waarom brengt dan alleen het reukwerk rijkdom en niet ook het brandoffer, dat in hetzelfde vers genoemd wordt?

Antwoord: Het brandoffer wordt iedere dag tweemaal gebracht, maar het reukwerkoffer alleen als de wet dat voor­schrijft.

De afstamming van Geleerden

Rawa: De meeste grote Tora-geleerden zijn afkomstig van de stammen Levi en Jissachar, zoals blijkt uit de volgende twee verzen: „Zij [de Levieten] zullen uw wetten onderwijzen aan [de kinderen van] Ja’akov” (Deut. 33:10), en „Van de stam Jissachar, mannen met verstand en begrip van de tijden, om te weten wat Israël zal doen.” Rawa licht toe: het betreft hier Tora-Geleerden die halachische beslissingen kunnen nemen.

De selectie voor de namiddag-dienst

Hebben we tot nu toe geleerd hoe de Kohaniem geselecteerd werden voor de ochtenddienst, nu leren we over de selectie voor de middagdienst.

R. Jochanan: Voor de middagdienst wordt niet geloot, maar de Kohen die ’s morgens een bepaalde dienst kreeg toegewezen, mag die ook ’s middags doen. De Gemara vult aan dat er wel voor de middagdienst van het ketòret geloot wordt, omdat dit nooit tweemaal door dezelfde Kohen verricht mag worden.

Rav Sjmoeël bar Rav Jitschak legt uit, dat er op Sjabbat ook voor de middagdienst geloot wordt, omdat na de ochtendienst de wacht gewisseld wordt en er een nieuwe groep Kohaniem komt, die dienst gaat doen.

De Gemara vraagt: Maar dan zijn er vijf lotingen op een dag (vier ’s ochtends en één ’s middags, en de Misjna heeft geleerd dat er maar vier lotingen op een dag zijn. Dat spreekt elkaar tegen!

De Gemara antwoordt: De loting voor de middagdienst vindt samen met de ochtenddienst plaats.

De vierde loting

De Misjna leerde dat er bij de vierde loting bepaald wordt wie de ledematen van de onderste helft van de helling naar de top van het altaar brengt. Kennelijk zijn dat andere Kohaniem dan die welke de ledematen naar de onderkant van de helling brengen. In een Misjna in traktaat Tamied (32b) staat echter: R. Eliëzer ben Ja’akov heeft gezegd: „Degene die de ledematen op de helling legt, is degene die de ledematen naar de top van het altaar brengt.” Dat is toch met elkaar in tegenspraak?

De Gemara verklaart: De Tanna van onze Misjna meent dat hoe meer Kohaniem Hasjem dienen, des te grotere eer is dat, want er staat geschreven (Spreuken 14:28): „In een grote menigte is de glorie van de koning.” En Rabbi Eliëzer ben Ja’akov meent dat het niet correct is om de indruk te wekken dat het voor de Kohaniem die de ledematen naar de voet van de helling gebracht hebben, een te grote moeite is om ze ook nog naar boven te brengen.

Daf 26b

Het aantal deelnemers aan het tamied

Misjna Het tamied wordt door 9-12 Kohaniem gebracht, afhankelijk van de omstandigheden. Negen is het minimum.

Op Soekot doen tien Kohaniem dienst, de tiende Kohen  brengt het water [voor het water-plengoffer].

Het namiddagoffer wordt op gewone werkdagen gebracht door elf Kohaniem, twee Kohaniem brengen ieder een blok hout voor het altaarvuur [tweemaal per dag, ’s ochtends en ’s middags moeten er twee houtblokken op het altaarvuur gelegd worden, ’s ochtends wordt dat door één Kohen gedaan, ’s middags door twee Kohaniem (Rasji)].

Ook op Sjabbat zijn er elf Kohaniem nodig, twee extra voor de twee lepels reukwerk voor de Toonbroden.

En als Soekot op Sjabbat valt, is er behalve de twee Kohaniem voor het reukwerk, nog een Kohen voor het water nodig, dat maakt twaalf Kohaniem.

Het wateroffer op Soekot

R. Abba heeft gezegd: het wateroffer op Soekot werd alleen ’s ochtends gebracht, want als het ’s middags gebracht werd, zouden er ook op de tussendagen van Soekot die op een werkdag vallen twaalf Kohaniem nodig zijn voor het namiddagoffer: 9 + 1 voor het water + 2 voor de houtblokken = 12. Maar de Misjna zegt dat er alleen op Sjabbat twaalf Kohaniem nodig waren.

Rav Asji bewijst dit met een Baraita: Eens gebeurde het dat een Kohen  het water op zijn voeten gooide en het publiek bekogelde hem daarop met hun etrogiem [1] [en een etrog wordt alleen ’s ochtends gebruikt.]

De twee Kohaniem met de houtblokken

Een Baraita geeft de bron voor het voorschrift dat ’s ochtends één en ’s middags twee Kohaniem nodig zijn voor de houtblokken: „En de Kohen zal daarop [op het altaarvuur] iedere ochtend houten in brand steken, enz.” (Lev. 6:5). Hier is sprake van één Kohen ’s ochtends. En: „Dan zullen de zonen van Aharon de priester, vuur leggen op het altaar en houten stapelen op het vuur” (Lev. 1:7). Dus dit tweede vers moet het hebben over het namiddagoffer, want het eerste vers heeft het ochtendoffer al genoemd. Er er is sprake van „de zonen van Aharon leggen”, dus dat wil zeggen twee Kohaniem ’s middags, maar één ’s ochtends.

Het aantal Kohaniem voor andere dieroffers

Misjna Een ram [als ola voor moesaf [2]-offers] wordt door elf Kohaniem geofferd. De ledematen worden door vijf Kohaniem naar het altaar gebracht [net als bij het tamied].

De ingewanden, het meel en de wijn elk door twee Kohaniem.

Een stier wordt door 24 Kohaniem geofferd [de lichaamsdelen van een stier zijn zwaarder dan die van een ram]:

– de kop en de rechter achterpoot door 3 Kohaniem (de kop 1 en de achterpoot door 2 Kohaniem ).

– De staart door 2 en de linker achterpoot door 2 Kohaniem.

– De borst door 1 en de nek door 3 Kohaniem.

– De twee voorpoten door 2 Kohaniem.

– De twee flanken door 2 Kohaniem.

– De ingewanden, het meel en de wijn ieder door drie Kohaniem. [Er wordt meer meel en wijn bij een stier geofferd dan bij een ram.]

Dit alles geldt voor een gemeenschapsoffer, maar een privé-offer mag door één enkele Kohen gebracht worden.

Er is geen verschil in het villen en het aan stukken snijden van een privé-offer of een gemeenschapsoffer.

Het villen en het in stukken snijden

Gemara Een baraita leert dat het villen en het in stukken snijden ook door een niet-Kohen gedaan mag worden.

De Gemara vraagt: Wat is de bron hiervan?

De Gemara antwoordt: In de verzen Leviticus 1:4-9, waar de diverse werkzaamheden met betrekking tot de offerdienst beschreven staan, wordt bij herhaling een Kohen of de Kohaniem genoemd, die de awoda moeten verrichten, maar bij het villen en het in stukken snijden (vers 6) wordt geen Kohen genoemd, dus kennelijk is daar geen Kohen vereist.


------------------

[1] etrog [mv. etrogiem] – bep. citrusvucht. Een van de vier plantensoorten in de plantenbundel die gebruikt wordt op Soekot.

[2] moesaf – 1. de extra offers die op Sjabbat, Rosj Chodesj en Jom Tov gebracht worden; 2. de gebeden die nu gezegd worden in plaats van deze offers.