Archief Joma

Aanmelden

dinsdag 4 juli 2006

8 Tamoez 5766

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 27

Door Zwi Goldberg

Het villen en in stukken snijden (vervolg)

De verzen van Leviticus 1:6 en 7 die onderaan de vorige daf als bron genoemd worden voor het feit dat niet-Kohaniem mogen slachten en villen, worden verworpen.

De Gemara vraagt: Als de verzen 1:6-7 niet de bron zijn, wat is dan wel de bron, hoe weten we dat villen en in stukken snijden door een niet-Kohen gedaan mag worden?

De Gemara geeft een 2e antwoord: De Gemara noemt een nieuwe bron: een Baraita leert: Er staat geschreven (Num. 18:7): „En jij [Aharon] en je zonen met jou, zullen jullie priesterschap in acht nemen met betrekking tot alle zaken van het altaar.” Hieruit zou men kunnen begrijpen dat ook slachten door een Kohen gedaan moet worden. Om deze conclusie uit te sluiten staat er [Lev. 1:5]: „Daarop zal men het jonge rund slachten vóór de Eeuwige en zullen de zonen van Aharon, de Kohaniem het bloed aanbrengen en het bloed sprengen rondom het altaar.” Dit leert ons dat alleen dat deel van de dienst vanaf het sprenkelen van het bloed door de Kohaniem gedaan moet worden, maar het slachten, dat daarvoor gebeurt, hoeft niet door een Kohen gedaan te worden.

Abbajjé verklaart verder: Waarom moet Tora dan nog in Lev. 1:7 vertellen dat een Kohen vuur op het altaar moet brengen? Dat hebben we zojuist al geleerd, want het gebod om het vuur op het altaar te brengen komt na het gebod van het bloed. Dat komt ons echter vertellen dat van de taken die na het brengen van het bloed komen, het villen en het in stukken snijden van de offerdieren ook niet door een Kohen gedaan hoeft te worden.

De Gemara verwerpt het antwoord: Het is niet overbodig dat vers 1:7 leert dat een Kohen het vuur moet maken op het altaar, want dat is niet essentiëel voor de verzoening. Immers, de verzoening wordt bereikt door de bloedsprenke­ling, en dus zou men kunnen denken dat het vuurmaken niet tot de awoda van een Kohen behoort. Vers 1:7 komt ons daarom vertellen dat dit wel tot de awoda van de Kohen behoort. Dus kunnen wij daarvan niet afleiden dat villen en in stukken snijden door een niet-Kohen gedaan mag worden.

De Gemara geeft een 3e antwoord: We leren het van vers Lev. 1:8: „De zonen van Aharon, de priesters, zullen de stukken, de kop en het vet op het hout stapelen, dat op het vuur ligt, dat op het altaar is.” Dat deze awoda door de Kohaniem gedaan moet worden, konden wij al afleiden van het vers dat leert dat alle taken na het bloedsprenkelen door Kohaniem gedaan moet worden. Wat voor nieuws vertelt dit vers dan? Het vertelt ons dat het villen en in stukken snijden niet door Kohaniem gedaan hoeft te worden.

De Gemara verwerpt ook dit antwoord: Vers 1:7 zegt ook niet duidelijk dat het plaatsen van de houtblokken op het vuur door Kohaniem gedaan moet worden, dus misschien komt vers 1:8 ons leren dat dit inderdaad niet hoeft? En dan weten we nog steeds niet of villen en in stukken snijden door een niet-Kohen gedaan mag worden?

De Gemara verwerpt het bezwaar: Vers 1:13 zegt dat de Kohaniem de ingewanden en de kniestukken naar het altaar zullen brengen. Dat betekent dat het brengen van de houtblokken naar de helling van het altaar niet door Kohaniem gedaan hoeft te worden, maar het leggen van de houtblokken op het altaar moet wel door Kohaniem gedaan worden. Dus de tegenwerping dat vers 1:8 misschien leert dat het plaatsen van de houtblokken op het altaar door niet-Kohaniem gedaan mag worden, is onjuist, en dat vers kan ons dus alleen maar leren dat villen en in stukken snijden door niet-Kohaniem gedaan mag worden.

De Gemara maakt een ander bezwaar tegen het 3e antwoord: Verderop geeft de Gemara een andere verklaring, waarom in vers 1:7 de zonen van Aharon genoemd worden. En dus kan dat niet als bron dienen voor het villen en in stukken snijden door niet-Kohaniem.

De Gemara geeft een 4e en laatste antwoord: Leviticus 1:9 zegt: „En dan zal de priester alles in rook doen opgaan.” Het was niet nodig om hier de priester te noemen. Dit vertelt ons, dat villen en in stukken snijden niet hoeft te gebeuren door een Kohen.

Andere psoekiem die Kohaniem noemen na het bloedsprenkelen

Lev. 1:13 zegt dat de Kohaniem de offerdelen naar de helling van het altaar moeten brengen. Dat wil zeggen dat de houtblokken niet door Kohaniem naar de helling gebracht hoeven te worden. En dus moeten de houtblokken wel door Kohaniem op het altaar gelegd worden. Hoe weten we dat het plaatsen van de offerdelen op het altaar ook door Kohaniem gedaan moet worden? Dat komt vers 1:8 ons vertellen: „De zonen van Aharon de Kohen zullen de stukken … op het altaar plaatsen.”  [Er staat letterlijk: „Zij zullen rangschikken, de zonen van Aharon, de Kohaniem, de stukken, enz.”] ‘Rangschikken’ – dat is twee; ‘zonen’ – dat is twee; Kohaniem – dat is twee, samen zijn er dus zes Kohaniem nodig om de stukken van het schaap dat als tamied [het dagelijks offer] geofferd wordt, op het altaar te brengen.

De Gemara vraagt: Vers 1:3 heeft het over een jonge stier en we hebben zojuist geleerd in onze Misjna dat daar 24 Kohaniem voor nodig zijn en geen zes?

De Gemara antwoordt: De laatste woorden van vers 1:8: „op het hout dat op het vuur op het altaar ligt” kan alleen op het tamied betrekking hebben, en dat is een schaap. [Want in vers 6:2 wordt gezegd, dat het vuur op het altaar brandende gehouden moet worden. Dit is een vereiste speciaal voor het tamied.]


 

Daf 27b

Een niet-Kohen die het hout op het altaar legt

R. Jochanan: Een niet-Kohen die het hout op het altaarvuur rangschikt is de dood schuldig. [En de rangschikking van het hout is ongeldig.]

De Gemara vraagt: Wat kunnen we doen om het houtsvuur te kunnen gebruiken?

De Gemara antwoordt (R. Jochanan): De niet-Kohen haalt de houten uit elkaar en een Kohen rangschikt ze opnieuw.

R. Zeira vraagt: Daar de meeste Tempel-diensten overdag gedaan moeten worden, is een nacht-dienst kennelijk minder belangrijk en die mag dan toch door een niet-Kohen gedaan worden? En het rangschikken van het hout mag ’s nachts gedaan worden, dus waarom moet een Kohen dat doen?

De Gemara antwoordt: De ledematen en de vetstukken worden ’s nachts op het altaar verbrand en dat mag ook alleen gebeuren door Kohaniem [zoals we al op daf 24a geleerd hebben]. En ook de troemat hadèsjen mag ’s nachts gedaan worden, zoals wij al eerder geleerd hebben, en toch zegt Tora (Lev. 6:3) nadrukkelijk dat alleen een Kohen dat mag doen.

De Gemara verwerpt beide antwoorden: De verbranding van de ledematen en de vetstukken is een verlenging van de dagdienst en de troemat hadèsjen wordt ’s nachts gedaan, maar het hoort bij de dagdienst [zie daf 22a].

Dus R. Zera heeft een geldig bezwaar tegen R. Jochanan?

De Gemara antwoordt: Een niet-Kohen is de doodstraf schuldig als hij het vuur op het altaar aansteekt, want dat is een dag-dienst [zoals blijkt uit Lev. 6:5].

De Gemara vraagt: Moet er dan voor deze dienst niet geloot worden?

De Gemara antwoordt: Een Baraita leert: Wie geloot heeft dat hij de as van het altaar mag afzonderen, mag ook het hout op het altaar ordenen en de beide houtblokken op het altaar leggen.

De Gemara vraagt: Wordt er dan alleen geloot voor diensten die alleen door Kohaniem gedaan mogen worden? Waarom wordt er dan geloot voor wie mag slachten?

De Gemara antwoordt: Slachten is een uitzondering op de regel, omdat het het begin van de dienst, en dus van uitzonderlijk belang is.

De rangschikking van de houten op het altaar

Rabbi Jochanan heeft hierboven gezegd dat de rangschikking van het hout op het altaar een ochtenddienst was.

De Gemara werpt tegen: Een Misjna (op daf 28) vertelt dat de opzichter van de Kohaniem tegen de verzamelde Kohaniem zegt: „Ga eens kijken of de tijd voor het slachten al gearriveerd is.” Hij zegt niet: „Ga eens kijken of de tijd voor het ordenen van het hout al gearriveerd is.” Dus dat mag ook ’s nachts gebeuren?

De Gemara antwoordt: Als het hout op het altaar gelegd werd, terwijl het nog nacht was, kan men het er weer afhalen en het, als de ochtend is aangebroken, er weer opleggen. Dus die fout is te herstellen. Maar wanneer een dier geslacht is, terwijl het nog nacht is, kan die fout niet meer hersteld worden, want het dier is al dood. Daarom worden alleen voorzorgsmaatregelen genomen voor het slachten, opdat dit op tijd gebeurt.