Archief Joma

Aanmelden

woens 5 juli 2006

9 Tamoez 5766

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 28

Door Zwi Goldberg

Andere weergave van de vraag van R. Zeira

R. Jochanan zei dat een niet-Kohen die het hout op het altaarvuur in orde maakt, de doodstraf schuldig is. R. Zeira maakte daar bezwaar tegen, omdat deze ordening ’s nachts gedaan kan worden. De Gemara geeft nu een andere versie van R. Zeira’s bezwaar:

R. Zeira Vraagt: Hoe kan een niet-Kohen de doodstraf schuldig zijn voor het rangschikken van het hout op het altaarvuur, wanneer dat niet de laatste awoda is [en we hebben eerder geleerd dat één van de twee voorwaarden voor de doodstraf is, dat de desbetreffende awoda de laatste in een serie is, en volgens R. Zeira wordt deze dienst nog gevolgd door het leggen van de twee houtblokken op het vuur].

Antwoord: De ledematen en de vetstukken mogen ook niet door een niet-Kohen op het altaar geplaatst worden, daar staat ook de doodstraf op en daar komt nog de troemat hadèsjen achteraan, dus dat is ook niet de laatste dienst!

R. Zeira werpt tegen: Dat plaatsen van de ledematen en vetstukken is de laatste awoda van de dag, ook al mag het ’s nachts gedaan worden, maar de troemat hadèsjen is een dienst van de nacht.

2e Antwoord: De troemat hadèsjen wordt ook door een andere dienst gevolgd, namelijk het opruimen van de ashoop, en toch staat er de doodstraf op, als een niet-Kohen dat doet.

R. Zeira werpt tegen: De troemat hadèsjen is een dagelijkse dienst, het verwijderen van de overtollige as gebeurt alleen als er te veel as is, dus niet dagelijks en dus kan troemat hadèsjen beschouwd worden als een afsluitende dienst. Dus er is geen enkele dienst waar nog een een andere dienst na komt, en waarvoor een niet-Kohen die hem uitvoert toch de doodstraf schuldig is. Dus dat is een ernstig bezwaar tegen R. Jochanans bewering.

Rav Assi geeft een herziene verzie van de uitspraak van R. Jochanan: Een niet-Kohen die de twee houtblokken op het vuur legt, is de doodstraf schuldig, want dat is een afsluitende dienst.

EINDE HOOFDSTUK TWEE

¯ ¯ ¯

HOOFDSTUK DRIE – AMAR LAHÈM HAMEMOENNÈ

(De aangestelde zei tegen hen)

Misjna De [over de Kohaniem] aangestelde [opzichter[1]] zei tegen hen [de Kohaniem]: „Ga naar buiten en kijk of het al tijd is voor het slachten [van het ochtend-tamied. Het slachten mag alleen overdag gebeuren, d.w.z. na het eerste ochtendlicht. De segan stuurde daarom een Kohen naar het dak of op de muur rondom de Tempel, om te zien of het eerste ochtendlicht al te zien was (Rasji)]. Wanneer het eerste ochtendlicht te zien was, riep de uitkijk „dageraad” [lett.: het schijnt, d.w.z. de zon schijnt al (Rasji).] Matia ben Sjmoeël [een opzichter] zei: Is de hele oostelijke hemel verlicht, tot Chewron [Hebron]? En hij zei dan: Ja!

De Misjna vraagt vervolgens waarom dit allemaal nodig was, want iedereen kan toch zien of het al licht wordt! Maar de Misjna verklaart: Het gebeurde eens dat het maanlicht over de horizon scheen, en ze dachten dat het de zon was. Daarop slachtten zij het ochtend-tamied en dat moest daarna verbrand worden [want het was nog te vroeg en dus was de sjechita ongeldig].

Daarna wordt de Kohen Gadol naar beneden naar het mikwe gebracht.

De volgende algemene regel gold in de Tempel: Wie zijn darmen geledigd heeft, moet in het mikwe, wie geürineerd heeft, moet zijn handen en voeten wassen onder de kior[2].

Daf 28b

Wie riep wat

Een Baraita geeft vijf meningen weer over wat er precies werd geroepen:

1. R. Jismaël: de dageraad is begonnen.

2. R. Akiwa:  De dageraad is gerezen [dat betekent meer licht dan volgens R. Jisjmaël en dus dat het al wat later was.

3. Nachoema ben Appaksjion: Het is zelfs dageraad in Chewron [nog iets later].

4. Matia ben Sjmoeël: De hele oostelijke hemel is verlicht tot aan Chewron [nog later].

5. R. Jehoeda ben Bateira zei: De hele oostelijke hemel is verlicht tot aan Chewron en alle mensen zijn al naar hun werk gegaan [de laatste tijd].

De Gemara vraagt: Als iedereen al naar zijn werk is, is het al behoorlijk licht. Waarvoor moet er dan nog gevraagd worden of het al tijd is om te slachten?

De Gemara antwoordt: Niet de arbeiders zijn naar hun werk maar de werkgevers, die arbeiders zoeken, die beginnen vroeger.

We leren de tijd van het middaggebed van Awraham

Rav Safra: De tijd voor het middaggebed van Awraham begint als de [oost-] kant van de muren donker worden [van de schaduw van de laag zakkende zon, dit is vanaf 12.00 uur ’s middags (zonnetijd), of zes uur na het begin van de dag].

Rav Joseef vraagt: Leren we halachot[3] van Awraham?

Rawa antwoordt: De Tanna leert het [de voortvarendheid] van Awraham, want er staat geschreven [Leviticus 12:3]: „Op de achtste dag zal hij besneden worden aan het vlees van zijn voorhuid.” En hoewel dat betekent dat deze besnijdenis de hele achtste dag mag gedaan worden,  staat er geschreven [in Genesis 22:3]: „En Awraham stond vroeg op in de ochtend.” [Dit was om zijn zoon Jitschak te offeren. Hieruit leren we dat Awraham mitswot niet uitstelde, maar ze zo vroeg mogelijk uitvoerde.]

De Gemara vraagt: De Misjna in traktaat Pesachiem 58a zegt dat als Erev Pesach op Sjabbat valt, we het tamied slachten  om 6½ uur [na het begin van de dag] en dat het geofferd wordt op 7½ uur en op andere dagen wordt het geslacht om 7½ uur. Mincha wordt gedawwend op de tijd van het namiddag-offer, dus waarom werd dan het tamied op Erev Pesach dat op Sjabbat viel, niet op het zesde uur geslacht, maar pas 6½ uur na het begin van de dag?

De Gemara antwoordt: Misschien werden de muren van het Beit HaMikdasj tot een half uur na het zesde uur van de dag nog door de zon beschenen, omdat zij naar boven toe taps toeliepen [hun basis was breder dan hun top].

2e antwoord: Awraham was zo goed thuis in de astronomie dat hij precies wist wanneer het middag was maar wij weten dat niet meer zo precies en daarom hebben de Geleeerden beslist dat we tot een half uur na het midden van de dag moeten wachten.

3e antwoord: Awraham was zeer wijs en zat in een Jesjiwa[4] en er was dus geen gevaar dat hij te vroeg zou dawwenen.

Al onze voorvaderen leerden in een jesjiwa

En al onze voorvaders leerden in jesjiwot: in Egypte hadden ze jesjiwot, in de woestijn hadden ze jesjiwot, Awraham, Jitschak en Ja’akov leerden in jesjiwot, en zelfs Eliëzer, de bediende van Awraham leerde in een jesjiwa.

En hoe weten we van Eliëzer dat hij de lessen van zijn meester Awraham in een jesjiwa onderwees? Hij wordt Damèsek Eliëzer [Eliëzer uit Damascus] genoemd, dat betekent dat hij dolee oemasjkè – put uit de Tora van Awraham en anderen daarvan te drinken geeft [masjkè].

Awraham Awinoe deed alle mitswot van Tora

Rav: Awraham Awinoe deed alle mitswot van Tora, zoals er geschreven staat [Genesis 26:5]: „Want Awraham luis­terde naar Mijn stem, nam Mijn verordeningen in acht, Mijn geboden, Mijn wetten en Mijn leringen .”

Rav Sjimi bar Chia: Misschien hield hij zich alleen aan de zeven Noachidische wetten? [Awraham leefde vóór Matan Tora en was dus alleen de Noachidische wetten verplicht te houden.]

De Gemara antwoordt: We weten dat Awraham de mitswa van de besnijdenis uitvoerde, dus was er meer dan de zeven Noachidische wetten!

De Gemara antwoordt: Het vers heeft het over de geboden en wetten, enz. dat wijst op de hele Tora, en hij hield zich zelfs aan de Rabbijnse geboden, zoals eroev tavsjilien[5], want het vers zegt: „Mijn leringen,” d.w.z. de de Schriftelijke Leer en de Mondelinge Leer.

Het uitroepen van de dageraad

De Misjna zegt: Matia ben Sjmoeël zei dan: Is de hele oostelijke hemel verlicht, tot Chewron [Hebron]? En hij zei dan: Ja!

De Gemara vraagt: Wie zei er „ja”? Was het de uitkijk die de vraag stelde en het antwoord gaf? Dat kan niet, want men antwoordt niet op zijn eigen vraag. Was het iemand op de grond die „ja” antwoordde? Dat kan ook niet, want hoe weet hij het beter dan de uitkijk die op het dak staat?

De Gemara antwoordt: De uitkijk op het dak riep: „De dageraad schijnt!” Dan vroeg iemand op de grond: „Tot Chewron?” en de uitkijk op het dak antwoordde dan: „Ja!”

Maanlicht verwarren met zonlicht

De Misjna verklaart dat deze procedure nodig was, om te voorkomen dat men maanlicht met zonlicht verwart.

De Gemara vraagt: Kan men werkelijk maanlicht met zonlicht verwarren? Maar Rebbi heeft toch in een Baraita gezegd dat maanlicht anders is dan zonlicht. Maanlicht rijst recht omhoog en zonlicht verspreidt zich over de horizon!

De Gemara antwoordt: Het was een bewolkte dag en dan verspreidt ook het maanlicht zich door open gaten tussen de wolken.

Rav Pappa: Leer hiervan a. dat leer ook op een bewolkte dag droogt, want de zon schijnt door de gaten tussen de wolken door en b. dat men geen deeg voor Pesach in de zon moet kneden of in water dat in de zon verwarmd is, zelfs niet op een bewolkte dag, want de warmte van de zon bevordert de gisting van het deeg.

De kracht van de zonnestralen

Rav Nachman: De hitte van de zon op een bewolkte dag is sterker dan op een heldere dag [want de warmte van de zon blijft verstopt achter de wolken maar als de zon doorbreekt, voelt men de hitte]. En ook het verblindende effect van de zon is sterker op een bewolkte dag dan op een heldere dag.


 

[1] De segan – de plaatsvervanger van de Kohen Gadol.

[2] Het koperen wasbekken.

[3] halacha [mv. halachot] – Joodse wet.

[4] jesjiwa [mv. jesjiwot] – talmoedhogeschool.

[5] eroev tavsjilien – het voedsel dat vóór de Jom Tov opzij gezet wordt als die op vrijdag valt, als teken dat men die Jom Tov mag koken voor de Sjabbat.