Archief Joma

Aanmelden

vrijdag 7 jul 2006

11 Tamoez 5766

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 30

Door Zwi Goldberg

Handen en voeten wassen in de Tempel

De Misjna op daf 28a eindigt met de algemene regel: Wie …geürineerd heeft, moet zijn handen en voeten wassen onder de kior.

De Gemara vraagt: Het is begrijpelijk dat men zijn voeten moet wassen, want misschien heeft men op zijn voeten gespat. Maar waarom moet men zijn handen wassen?

De Gemara antwoordt: Het is een door de Rabbijnen ingestelde mitswa om met zijn hand druppels van zijn voeten te vegen, om te voorkomen dat men zou denken dat hij een afgesneden lid heeft en dat zijn kinderen dus mamzeriem[1] zijn.

Men zegt geen Sjema met ontlasting aan zijn lichaam

Rav Papa: Als iemand zich ontlast heeft en er blijft nog wat ontlasting achter op zijn lichaam, dan mag hij geen Sjema zeggen.

De Gemara vraagt: Onder welke omstandigheden geldt dit? Het kan niet zijn als het zichtbaar is, want in traktaat Berachot (22b) hebben we al geleerd dat men zich vier ammot moet verwijderen van ontlasting als met Sjema wil zeggen. Dus zeker als het aan zijn lichaam zit en zichtbaar is, mag men geen Sjema zeggen. En als het niet zichtbaar is, zijn wij dan engelen? [Engelen hebben geen afscheidingen en een mens kan niet vermijden dat er iets aan zijn lichaamsopening kleeft.]

De Gemara antwoordt: Het betreft de situatie dat er nog ontlasting in de anus zit, want dat stinkt en dan mag men volgens iedereen geen Sjema zeggen. Wanneer het op het lichaam zit, op een plaats die niet door kleren bedekt is, mag men ook geen Sjema zeggen, want met moet een afstand houden van vier ammot. Wanneer het aan de binnenkant van de kleren zit, is het toegestaan Sjema te zeggen. Wanneer het op het lichaam zit, op een plaats die bedekt is door kleren, daarover hebben Rav Hoena en Rav Chisda een meningsverschil. Rav Hoena zegt dat het wel mag, Rav Chisda zegt dat het niet mag, want Psalm 35:10 zegt: „Al mijn lichaamsdelen zeggen: ‘Hasjem, wie is als U’” [en al die lichaamsdelen moet dus schoon zijn. De Sjoelchan Aroech (76:4) zegt dat het juist is om de strenge mening te volgen en de Misjna Beroera (76:4) zegt dat men ervoor moet zorgen dat zijn kleren altijd schoon zijn, speciaal bij het dawwenen.]

Wie de maaltijd verlaat om te urineren

Wie tijdens de maaltijd van tafel opstaat, om te urineren, moet voordat hij terugkomt, de hand, waarmee hij de druppels heeft afgeveegd, wassen. Maar wanneer hij ook nog buiten geruime tijd met iemand heeft staan praten, moet hij beide handen wassen in de kamer waar gegeten wordt, zodat iedereen kan zien dat hij zijn handen gewassen heeft [want zijn aandacht voor het eten was afgeleid. Men moet immers voordat men brood eet, zijn handen wassen. De Sj.A. 7:2 schrijft dat men altijd zijn handen moet wassen voor de hygiëne].

Rav Chisda: Als men terugkeert om te eten, mag men ook buiten zijn handen wassen, want niemand eet zonder zijn handen te wassen [en niemand zal hem ervan verdenken dat hij zijn handen niet gewassen heeft, omdat men hem dat niet heeft zien doen, maar als hij na zijn terugkomst alleen iets drinkt en men heeft niet gezien dat hij zijn handen opnieuw gewassen heeft, zal men hem verdenken dat hij ze niet gewassen heeft].

Rav Nachman bar Jitschak: Iedereen weet dat ik zelfs niets drink zonder mijn handen te wassen, dus ik mag altijd  buiten mijn handen wassen [en niemand zal mij verdenken dat ik mijn handen niet gewassen heb].

Tewila[2] voordat men het Beit HaMikdasj betreedt

Misjna Niemand mag de binnenplaats van de Tempel betreden om dienst te doen, zonder dat hij zich eerst in het mikwe heeft ondergedompeld.

De Kohen Gadol gaat vijf keer in het mikwe en moet [zijn handen en voeten] tien  keer heiligen [op Jom Kippoer]. Alle tien keer gebeuren boven op de Parva kamer, op de Tempel-Binnenplaats, behalve de eerste keer.

Men spreidde een linnen kleed uit tussen de Kohen Gadol en het publiek.

Gemara

Vraag: Waarom moet iemand die tahor is, in het mikwe?

Antwoord (Ben Zoma): Dat volgt als en kal wechomer van de tewilot van de Kohen Gadol op Jom Kippoer, die iedere keer in het mikwe gaat als hij van de ene heilige plaats naar een andere heilige plaats gaat. Dus iemand die van een niet-geheiligde plaats naar het Heiligdom gaat, moet zeker in het mikwe.

Antwoord (R. Jehoeda): Het is alleen maar om hem te herinneren aan een oude toema, zodat hij niet tamee het Beit HaMikdasj betreedt.

De Gemara vraagt: Wat is hun meningsverschil?

Daf 30b

De Gemara antwoordt: Het verschil is als iemand zonder tewila het Beit HaMikdasj betreedt. Volgens Ben Zoma is zijn dienst ongeldig, want hij overteedt een Tora-verbod. Volgens R. Jehoeda is zijn dienst wel geldig, want hij over­treedt alleen een verbod van de Rabbijnen.

De Gemara werpt tegen: Volgens de volgende Baraita klopt dat niet: Alleen als een Kohen Gadol of een gewone Kohen zijn handen en voeten niet wast, is zijn dienst ongeldig. Wanneer de Kohen Gadol niet in het mikwe gaat tussen de verschillende diensten in, maakt dat de dienst niet ongeldig.

De Gemara antwoordt: Inderdaad, tewila is geen voorwaarde voor de geldigheid van de dienst. Hun mening verschilt over de vraag of het een mitswa asei is om in het mikwe te gaan voordat men het Beit HaMikdasj binnengaat [Volgens Ben Zoma wel, volgens R. Jehoeda niet].

De Gemara werpt tegen: Elders, in een Baraita zegt R. Jehoeda: een metsora hoeft niet in het mikwe voordat hij het Beit HaMikdasj betreedt. Dat is strijdig met R. Jehoeda’s uitspraak hierboven.

De Gemara antwoordt: Dat is omdat de metsora de vorige avond al in het mikwe gegaan is [en R. Jehoeda eist alleen tewila als een geheugensteuntje voor een vroegere toema]. [Als een metsora genezen is, begint een zeven dagen lang reinigings­proces. Op de zevende dag moet hij in het mikwe en na nacht is hij dan tahor. De volgende dag brengt hij zijn offer en dan moet hij zijn rechter hand en rechter voet door een gat in de deur van de Nikanor steken, om het bloed van zijn offer aan zijn rechter duim en rechter grote teen gesmeerd te krijgen. Voordat hij dat doet, moet hij nogmaals in het mikwe. Volgens R. Jehoeda dus niet.]

De Gemara werpt tegen: Een derde Baraita is in strijd met de tweede Baraita: De kamer van de metsoriem [een kamer op de vrouwen-binnenplaats] werd zo genoemd, omdat daar de metsoriem in het mikwe gingen [voordat zij hun duimen door de Nikanor-poort staken]. Rabbi Jehoeda zegt: Niet alleen metsoriem, maar iedereen ging daar in het mikwe voordat hij de Binnenplaats betrad. [Dus kennelijk stemt R. Jehoeda er volgens deze Baraita mee in dat een metsora wel is het mikwe moet voordat hij de Binnenplaats betreden mag. En in de tweede Baraita hier boven zegt hij dat dit niet hoeft.]

1e antwoord: In dit laatste geval was de metsora ’s avonds niet in het mikwe gegaan.

De Gemara werpt tegen: Dat kan niet, want dan moet hij wachten tot de avond van de achtste dag, voordat hij de Tempel mag betreden [want men moet altijd wachten tot de avond na het mikwe voordat men de Tempel mag betreden].

2e antwoord: De derde Baraita heeft het over een geval dat de metsora misschien tamee geworden is sedert de vorige avond.

De Gemara werpt tegen: Maar dan moet hij besprenkeld worden met de as van de rode koe op de derde en zevende dag! [Wanneer hij zich niet zorgvuldig tegen toema beschermd heeft, is hij misschien toemat meet.]

3e antwoord: [De Misjna in Chagiga (18b) leert dat wie het Tempelplein wil betreden, eerst in het mikwe moet gaan, en hij moet dat doen met de speciale bedoeling om het Tempelplein te kunnen betreden. Een metsora die in het mikwe gaat om zich van zijn tsara’at te reinigen hoeft geen speciale bedoelingen daarvoor te hebben.] De derde Baraita heeft het over iemand die, toen hij de vorige avond in het mikwe ging, daarbij niet de bedoeling had dat zijn tewila tevens diende om het Tempelplein te betreden, dus was zijn tewila daarvoor ongeldig en moet hij nogmaals ’s ochtends in het mikwe.

4e antwoord: En de eenvoudigste oplossing is: laat het woord ‘alleen’ in de uitspraak van Rabbi Jehoeda in de derde Baraita weg en het probleem is opgelost [dus Rabbi Jehoeda zei: Metsoriem gingen daar niet in het mikwe, maar ieder ander wel. Nu is eer dus geen tegenstrijdigheid meer tussen Baraita twee en drie].


 

[1] mamzer [mv. mamzeriem] – nakomeling van een onwettige relatie.

[2] tewila [mv. tewilot] – onderdompeling in een mikwe.