Archief Joma

Aanmelden

zaterdag 8 juli 2006

12 Tamoez 5766

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 31

Door Zwi Goldberg

De eerste onderdompeling in het mikwe

De Gemara vraagt: Is een chatsitsa[1] iets dat de eerste onderdompeling ongeldig maakt, zelfs volgens R. Jehoeda [die zegt dat de eerste onderdompeling alleen dient ter herinnering aan vroeger opgelopen onreinheid]?

De Gemara antwoordt: Wat geldt voor een Tora-wet, geldt ook voor een Rabbijnse wet.

De Gemara vraagt: Moet men ook in het mikwe wanneer men maar gedeeltelijk de Binnenplaats wil binnengaan [bijvoorbeeld als men alleen een hand of been naar binnen steekt]?

De Gemara antwoordt: We leren van de metsora die alleen zijn hand en voet door een gat in de deur van de Nikanor-poort steekt, dat dit inderdaad nodig is [zie toelichting daf 30b].

De Gemara vraagt: Wanneer iemand buiten de poort staat en het te slachten dier staat binnen de poort en de slachter steekt een lang mes door een gat in de poort en slacht zo het dier, zonder zijn hand naar binnen te steken, moet hij dan in het mikwe?

- Misschien zegt Ben Zoma dat het niet hoeft, omdat hij buiten staat en misschien wel, want er bestaat de kans dat bij het slachten zijn hand toch naar binnen getrokken wordt?

- En misschien zeggen de Rabbijnen dat het wel moet, omdat hij een awoda doet? Of eisen de Rabbijnen nimmer tewila [onderdompeling] voor iemand die tahor is?

De Gemara antwoordt: Teikoe – Laat de vraag open staan [dus er is geen antwoord].

Vijf tewilot en tien kiddoesjien

De Misjna op de vorige daf leert: De Kohen Gadol gaat vijf keer in het mikwe en moet [zijn handen en voeten] tien  keer heiligen [op Jom Kippoer].

Een Baraita leert dat alle onderdompelingen plaatsvonden boven de Parva Kamer, behalve de eerste onderdompeling, die plaats vond boven de Waterpoort (zie nr. 43 op het diagram van de inleiding). Abbajjé leidt hieruit af dat de bron Ein Eitam 23 ammot boven de vloer van de Binnenplaats lag, als volgt: we weten van een Misjna in traktaat Midot 2:3 dat alle poorten en deuren in het Beit HaMikdasj 20 amma hoog waren (behalve de deur naar de ‘Olam). Dus het mikwe boven de waterpoort lag ook 20 amma boven de vloer van de Binnenplaats. En verder weten we dat een mikwe drie ammot diep moet zijn [want iemand moet tot aan zijn nek in het water kunnen staan] dus ligt het wateroppervlak van het mikwe 23 ammot boven de Binnenplaats en de bron (Ein Eitam] die dat water aanvoert, moet dus iets hoger dan 23 ammot liggen [want water stroomt alleen naar beneden].

Daf 31b

De Gemara werpt tegen: Maar de vloer van het mikwe  moet ook een amma dik zijn geweest, om lekkage te voorkomen en omdat allemaal te dragen, moet het dak van de waterpoort ook een amma dik zijn geweest, dus lag het wateroppervlak van het mikwe 25 ammot boven de vloer van de Binnenplaats?

De Gemara antwoordt: Zowel het dak van de waterpoort als de vloer van het mikwe waren gemaakt van dunne platen marmer, en marmer laat geen water door en is sterk.

De Gemara vraagt: Maar toch moet het iets hoger zijn geweest dan 23 ammot [ook marmer heeft dikte]?

De Gemara antwoordt: Dat was een fractie van een amma en dat rekent Abbajjé niet mee.

De linnen afscheiding

De Misjna leert: Men spreidde een linnen kleed uit tussen de Kohen Gadol en het publiek.

De Gemara vraagt: Waarom speciaal linnen?

De Gemara antwoordt: Opdat de Kohen Gadol eraan herinnerd wordt, dat de speciale dienst van Jom Kippoer gedaan wordt in linnen kleren.

Het vervolg van de Jom Kippoer-dienst

Misjna De Kohen Gadol kleedde zich uit, ging in het mikwe, kwam daar uit en droogde zich af. Men bracht hem [alle acht] gouden kleren en kleedde hem aan, waarna hij zijn handen en voeten heiligde [door ze te wassen onder de kior [het wasbekken].

Dan  brachten zij hem het tamied-offer. Hij maakte daar een snee in [in de keel, om gedeeltelijk de luchtpijp en slokdarm door te snijden] en een andere Kohen maakte de sjechita af. Hij [de Kohen Gadol ] ving het bloed op [in een klie sjaret] en gooide dat [tegen de hoeken van het altaar].

Daarna ging hij het reukwerk verbranden [op het gouden binnenaltaar] en maakte hij de lampen van de Menora gereed [hij maakte de lampen schoon, of volgens anderen, stak hij ze aan].

Daarna bracht hij de offerstukken van het Tamied op het altaar, de Chawitien en de wijn.

De ketoret [het reukwerk] van de ochtenddienst werd na de zerikat hadam[2]  maar vóór het verbranden van de ledematen verbrand. De ketoret van de middagdienst gebeurde na de verbranding van de ledematen van het middag-tamied, maar vóór nesachiem [de begeleidende meel- en wijnoffers].

Als de Kohen Gadol oud of zwak was, gooide men warm water in het mikwe.

Het meningsverschil tussen Rabbi Meïr en de Rabbijnen over de eerste kiddoesjien

Gemara Een groep Rabbijnen vraagt: Onze Misjna noemt maar één kiddoesj [heiliging van handen en voeten], dus deze Misjna geeft niet de mening van Rabbi Meïr weer [de meeste anonieme Misjnajot geven de mening van Rabbi Meïr weer], want Rabbi Meïr beweert dat er twee kiddoesjien nodig zijn voor het aantrekken van ieder stel kleren [eenmaal ervoor en eenmaal erna].

Rav Papa antwoordt: Zowel de Rabbijnen als R. Meïr zijn het erover eens dat er één kiddoesj is voor het uittrekken en één voor het aantrekken van kleren. Dus de Kohen Gadol hoeft ’s ochtends de eerste keer als hij van kleren verwisseld, maar eenmaal zijn handen en voeten te heiligen. De Rabbijnen en R. Meïr discussiëren alleen over de betekenis van de psoekiem Leviticus 16:23-24: „Hij zal de linnen kleren, die hij gedragen heeft, uittrekken, en hij zal zijn lichaam wassen in water op een heilige plaats en hij zal zijn kleren aantrekken.” [dit wassen wordt door R. Meïr verklaard met het wassen van de handen en voeten, en wel na het uittrekken van de oude kleren en vóór het aantrekken van de nieuwe kleren, dus tweemaal]. Maar de Rabbijnen eisen maar eenmaal wassen tussen het verkleden.

De Gemara vraagt: Maar een Baraita leert dat er volgens R. Meïr twee kiddoesjien waren bij de eerste tewila, eenmaal nadat hij zijn kleren had uitgetrokken, maar voordat hij in het mikwe ging, en nog een tweede keer, nadat hij in het mikwe  is geweest en de gouden kleren heeft aangetrokken.

Rav Papa antwoordt: Als het zo in de Baraita staat, moet het waar zijn en dus is de Misjna niet volgens R. Meïr.


 

[1] chatsitsa – a. afscheiding, scheidingswand; b. een vreemd voorwerp op de huid of op een voorwerp, dat een afscheiding vormt met het water, en dat de onderdompeling in het mikwe ongeldig maakt.

[2] zerikat hadam – het gooien van het bloed van het offerdier tegen het altaar.