Archief Joma

Aanmelden

zondag 9 juli 2006

13 Tamoez 5766

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 32

Door Zwi Goldberg

De Rabbijnen en de tien kiddoesjien

De Gemara vraagt: De Misjna zegt dat er tien kiddoesjien [heiligingen van handen en voeten] waren, maar dat is volgens Rabbi Meïr, die ook bij de eerste onderdompeling twee kiddoesjien eist, maar de Rabbijnen eisen daar maar eenmaal een heiliging van handen en voeten [zoals we onderaan de vorige daf geleerd hebben], dus hoe komen die dan aan tien kiddoesjien?

De Gemara antwoordt: Wanneer de Kohen Gadol klaar is met zijn dienst, zijn heilige kleren uit doet en zijn dagelijkse kleren aandoet, dan heiligt hij nogmaals zijn handen en voeten [en volgens R. Meïr is dit niet nodig (Rasji)].

De tweede entree in het Heiligdom

De Gemara vraagt: Het vers Leviticus 16:23 zegt dat Aharon, nadat hij de Jom Kippoer-dienst gedaan heeft, de Tent der Samenkomst weer binnengaat en daar zijn linnen kleren uittrekt en achterlaat. Wat hij daar verder in die Tent der Samenkomst moet doen, zegt Tora niet. De Gemara vraagt wat dit betekent. Het kan toch niet zijn dat hij daar alleen naar binnen gaat om zijn kleren uit te trekken en dat hij die daar achter laat?

De Gemara antwoordt: Een Baraita leert: Hij komt alleen om de lepel [waarop het reukwerk lag] en de pan [waarop de kolen lagen], en die hij in het Heilige der Heiligen had achtergelaten, weg te halen.

Dus de dienst op Jom Kippoer in chronologische volgorde is als volgt:

1. Het ochtend Tamied dat gebracht wordt in de gouden kleren, en een deel van moesaf.

2. De speciale Jom Kippoer-dienst:

     - de stier van de Kohen Gadol en de bok als zondoffer, de zerika van hun bloed;

     - de verbranding van het reukwerk in het Heilige der Heiligen in de linnen kleren;

     - het wegzenden van de zondebok naar Azazel.

3. Het brandoffer van de ram van de Kohen Gadol en het volk in de gouden kleren.

4. De rest van het moesaf-offer.

5. De verwijdering van de pan voor het reukwerk en de kolenpan uit het Heilige der Heiligen in de linnen kleren.

6. Het dagelijkse namiddag-offer en het verbranden van de kruiden en het aansteken van de Menora in de gouden kleren.

De Gemara vraagt: Waarom staan dan de verzen die de dienst op Jom Kippoer beschrijven, niet in chronologische volgorde? [Het zou logischer zijn als de lepel en de pan verwijderd zouden worden direct na de dienst in het Heilige der Heiligen.]

De Gemara antwoordt: Wij hebben een traditie dat er vijf onderdompelingen en tien kiddoesjien zijn en als we de volgorde van Tora zouden aanhouden, zouden er maar drie onderdompelingen en zes kiddoesjien zijn [namelijk: 1. de eerste onderdompeling vóór het ochtend tamied; 2. de tweede keer tussen het ochtend-tamied en de hele Jom Kippoer-dienst; 3. de derde keer na de Jom Kippoer-dienst (inclusief de verwijdering van de lepel en de pan) en vóór de middagdienst. En bij iedere onderdompeling in het mikwe horen twee kiddoesjien, dus totaal zes kiddoesjien].

De bron (een Baraita) voor de traditie van tewilot en de kiddoesjien

Een Baraita leert: Tora leert [Lev. 16:23]: „Aharon zal de Tent de Samenkomst binnengaan, en zijn linnen kleren uittrekken, enz. Hij zal zijn lichaam in water baden en zijn [gouden] kleren aantrekken. Dan zal hij naar buiten gaan, enz.”  R. Jehoeda heeft gezegd: hiervan leren we dat wie de ene dienst met de andere verwisselt, zich in het mikwe moet baden [d.w.z. wanneer hij van een binnendienst in linnen kleren overgaat naar een buitendienst in gouden kleren].

Rebbi leert dat van vers 16:4 dat zegt: „Een heilig linnen onderkleed zal hij aantrekken, een linnen broek…, een linnen gordel…, een linnen tulband…, het zijn heilige kleren. Hij zal zijn lichaam in water wassen en ze aantrekken.” [Hieruit leert Rebbi dat het omkleden van gouden naar linnen kleren bij de overgang van de buitendienst naar de binnendienst ook baden in een mikwe vereist.]

De Baraita vervolgt: En er zijn vijf diensten: 1. het ochtend Tamied (in goud); 2. de speciale Jom Kippoer-dienst (in linnen); 3. de ram van de Kohen Gadol en de ram van het volk (in goud); 4. de verwijdering van de lepel en de pan uit het Heiligdom (linnen); 5. het middag-Tamied (in goud).

Vraag: Hoe weten we dat iedere onderdompeling in het mikwe  twee heiligingen van handen en voeten vereist?  

Antwoord: Omdat er staat geschreven: „Hij zal uittrekken… hij zal wassen… hij zal wassen… hij zal aantrekken.”

Rabbi Elazar de zoon van Rabbi Sjim’on leert het van een kal wachomer: de rest van het jaar, moeten de Kohaniem zich alleen maar volgens de Rabbijnen wassen als zij de Binnenplaats binnengaan, maar Tora verplicht hen zich te wassen als zij het Heiligdom binnengaan en wanneer zij het Altaar naderen [Ex. 40:32]. Maar op Jom Kippoer moet de Kohen Gadol zich bij iedere verwisseling van kleren volgens Tora wassen, dus dan is heiliging zeker vereist. En verder zegt Tora dat Aharon de kleren die hij aan had, moet uittrekken. De woorden „die hij aanhad” zijn overbodig [men kan alleen maar kleren die men aanhad, uittrekken]. Rabbi Elazar [en Rabbi Jehoeda] concludeert daaruit, dat zoals aantrekken van kleren kiddoesjien vereist, zo vereist ook uittrekken kiddoesjien van handen en voeten.

Een analyse van de Baraita

We hebben in de Baraita hierboven gezien dat Rabbi Jehoeda van vers 16:23 in Leviticus leert dat als de Kohen Gadol van linnen naar gouden kleren wisselt, hij in het mikwe moet.

Vraag: Hoe leert hij dat de Kohen Gadol ook in het mikwe moet als hij de gouden voor linnen kleren verwisselt?

Daf 32b

De Gemara antwoordt: Met een kal wachomer: Van buiten naar binnen gaan is van minder heiligheid naar grotere heiligheid. Dus als het mikwe al nodig is om te verwisselen van de zeer heilige linnen kleding voor het Heiligdom naar de iets minder heilige gouden kleren, dan moet hij zeker in het mikwe als hij de gouden kleren, waarmee hij het Heiligdom niet mag betreden, verwisselt voor de linnen kleren.

De Gemara werpt tegen: Maar de gouden kleren doen het hele jaar verzoening voor een veelheid van zonden, terwijl de dienst in het Heiligdom in de linnen kleren alleen verzoening doet voor ontheiliging van de Tempel en de Tempel-dienst! [Dus de kal wachomer gaat niet op!]

Een beter antwoord: Rabbi Jehoeda leert het van Rebbi.

De Gemara vraagt: We hebben gezien hoe Rebbi leert dat de Kohen Gadol in het mikwe moet als hij zich omkleedt van gouden kleren in linnen kleren. Hoe leert hij ook het omgekeerde, van linnen kleren naar gouden kleren?

De Gemara antwoordt: Met een kal wachomer: als verwisseling van goud naar linnen een mikwe vereist, terwijl in de gouden kleren het hele jaar door verzoening wordt bereikt voor een variëteit van zonden, terwijl met de linnen kleren alleen verzoening wordt bereikt voor de ontheiliging van de Tempel en de Tempel-dienst, dan zal dat toch zeker vereist worden wanneer de Kohen Gadol zich omkleed van linnen naar goud?

De Gemara werpt tegen: De linnen kleren zijn heiliger, want alleen daarmee mag de Kohen Gadol het Heilige der Heiligen binnengaan!

Een ander antwoord: Daarom zegt het vers over de witte linnen kleren [ib. 16:4]: „Het zijn heilige kleren, hij zal zijn lichaam in water wassen.” Daarvan leert Rebbi dit.

De Gemara vraagt: De Baraita hierboven zegt dat we de dubbele kiddoesjien leren van Leviticus 16:23-24 waar staat: „Hij zal uittrekken…, hij zal wassen…, hij zal wassen…, hij zal aantrekken.” Maar dit gaat over onderdompeling in een mikwe, niet over heiliging van handen en voeten [er staat dat hij zijn lichaam moet wassen, d.w.z.: in een mikwe]?

De Gemara antwoordt: Er is een halacha leMosjé miSinai, die zegt: als een vers niet betrekking kan hebben op het onderwerp dat erin behandeld wordt, omdat dit al elders beschreven werd, dan heeft het ergens anders betrekking op. Deze halacha is hier van toepassing, want we hebben al in vers 6:4 geleerd dat de Kohen in het mikwe moet, voordat hij de bigdei kodesj [heilige kleren] aantrekt. Dus dat hoeven de verzen 16:23-24 ons niet meer te leren. Die komen dus wat anders leren, namelijk over het wassen van de handen en voeten.

De Gemara vraagt: Waarom zegt Tora dat dan niet duidelijk in vers 16:23-24? Waarom spreekt Tora daar over een mikwe?

De Gemara antwoordt: Om ons te leren dat onderdompeling in een mikwe en het wassen van de handen en voeten onder de kior even heilig zijn en op een heilige plaats moeten gebeuren, zoals het vers daar expliciet zegt.

Over het slachten

De Gemara vraagt: De Misjna zegt: Hij maakt daar een snee in. Wat betekent dat?

De Gemara antwoordt: Het betekent dat de Kohen Gadol het dier slacht.

De Gemara vraagt: Tot hoever snijdt hij?

De Gemara antwoordt: Hij snijdt door het merendeel van de luchtpijp en de slokdarm, want in Choelien 27a staat dat als het grootste deel van de luchtpijp en slokdarm van een dier zijn doorgesneden, dan is dat alsof ze helemaal zijn doorgesneden. Dus daaruit blijkt dat de snee van de Kohen Gadol een volledige slachting is.

De Gemara werpt tegen: Alle diensten op Jom Kippoer mogen alleen door de Kohen Gadol worden uitgevoerd, dus alleen daaruit blijkt al dat de gedeeltelijk doorgesneden luchtpijp en slokdarm een volledige sjechita is. En het kan niet zijn dat een andere Kohen de sjechita afmaakt, want een andere Kohen mag geen awoda doen op Jom Kippoer, dus wat die andere Kohen doet, is geen awoda en hij maakt dus niet de sjechita af, want die was al af.

De Gemara vraagt: Waar is die andere Kohen dan voor nodig?

De Gemara antwoordt: Door de snee groter te maken, stroomt het bloed beter naar buiten, zodat de Kohen Gadol dat kan opvangen.