Archief Joma

Aanmelden

woensdag 12 juli 2006

16 Tamoez 5766

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 35

Door Zwi Goldberg

Misjna (34b)

Het aantrekken van de witte linnen kleren

De Kohen Gadol wordt naar de Parva kamer gebracht (op de Binnenplaats) waar een linnen doek wordt opgehouden tussen hem en het publiek, waarachter hij zijn handen en voeten kan heiligen en zich kan uitkleden.

Rabbi Meïr beweert dat hij zich eerst uitkleedt en pas daarna de kiddoesj van handen en voeten doet.

Hij gaat dan in het mikwe, komt er weer uit en droogt zich af en doet de de witte linnen kleren aan, waarna hij zijn handen en voeten heiligt.

R. Meïr zegt: De  witte kleren voor de ochtenddienst kwamen uit Egypte en waren 12 manee[1] waard, terwijl het tweede stel kleren, die voor de middagdienst, 800 zoez[2] waard waren.

De Chachamiem zeggen: het eerste stel kleren was 18 manee waard, en het tweede 12 manee, samen 30 manee.

De kleren werden betaald uit de openbare kas, maar de Kohen Gadol mag er uit zijn eigen middelen aan toevoegen.

Gemara

De Gemara vraagt: Wat is de betekenis van de naam ‘Parva’?

De Gemara antwoordt: Parva was de naam van een tovenaar die de Parva-kamer gebouwd heeft.

De Gemara vraagt: Waarom werd er speciaal een linnen doek voor de Kohen Gadol gespannen?

De Gemara antwoordt: Om hem eraan te herinneren dat de speciale Jom Kippoer-dienst in linnen kleren gebeurt.

De Gemara vraagt: Waarom vertelt de Misjna dat 18 + 12 = 30? Kunnen we zelf niet meer rekenen?

De Gemara antwoordt: De vermelding van de totale waarde is om ons te vertellen dat de gezamelijke waarde niet lager mag zijn dan 30 manee, maar de afzonderlijke waarden van de kleren mag wel verschillen, zolang die van de ochtenddienst maar meer waard zijn dan die voor de middagdienst.

De Gemara vraagt: Hoe weten we dit?

De Gemara antwoordt: Het vers (Leviticus 16:4) noemt viermaal het woord linnen: „Een heilig linnen onderkleed zal hij aantrekken en een linnen broek op het vlees van zijn lichaam en met een linnen gordel zal hij zich omgorden en met een linnen hoofdwindsel zal hij zijn hoofd omwinden.” Viermaal dit woord ‘linnen’ duidt erop dat een eerste klas kwaliteit linnen gebruikt moet worden voor de ochtenddienst.

Daf 35b

Privé-bijdragen aan de kleren van de Kohen Gadol

Een Baraita leert dat voor het privé deel van de dienst de Kohen Gadol kleren mag dragen die zijn moeder gemaakt heeft, mits hij die kleren van te voren aan de Tempel geschonken heeft. [De Gemara bedoelt met de ‘privé dienst’ het weghalen van de lepel voor de kruiden en de kolenpan uit het Heilige der Heiligen. Dit hoort namelijk niet meer bij de dienst voor de verzoening maar is een verplichting van de Kohen Gadol om de boel op te ruimen.]

De Gemara vertelt hoe de moeder van R. Elazar ben Charsom, die als Kohen Gadol fungeerde, voor hem een koetonet ter waarde van twintigduizend manee had gemaakt, om daar de privé dienst in te verrichten, maar dat zijn mede kohaniem hem niet toestonden daarin de awoda te verrichten, omdat het van zulk fijn linnen was gemaakt dat het doorzichtig was en hij er naakt in leek. Zijn lichaam was dwars door de kleren heen te zien.

De arme, de rijke en de zondaar

Een Baraita vertelt: Een arme, een rijke en een rasja[3] komen voor het laatste gerecht. Aan de arme wordt gevraagd: „Waarom heb je geen Tora gestudeerd?” [De Gemara in Sanhedrin 7a leert, dat als iemand deze wereld verlaat, het eerste waarover hij geoordeeld wordt, zijn Tora-studie is.] Als hij antwoordt: „Ik was arm en moest mij bezighouden met het onderhoud van mij en mijn gezin,” dan zullen zij hem antwoorden: „Was je armer dan Hillel?” Hillel was heel arm en verdiende slechts een halve dinar per dag. Daarvan moest hij de helft betalen aan de bewaker van het Beit Hamidrasj om te worden toegelaten. Op een dag kon hij de bewaker niet betalen en die wilde hem daarom niet toelaten. Hillel klom op het dak van het Beit Hamidrasj, om door het dakraam naar beneden te kunnen kijken, om zo de lessen van Sjemaja en Avtalion [de beide hoofden van het Sanhedrin] te kunnen volgen. Maar het was winter en het sneeuwde. De volgende ochtend, het was Sjabbat, vonden Sjemaja en Avtalion hem onder drie ammot sneeuw ingevroren. Ze wasten hem en zetten hem voor het vuur om te ontdooien. Voor iemand die zijn leven riskeeerde om Tora te leren, was het toe­ge­staan om Sjabbat te ontheiligen. Zo werd Hillel het voorbeeld voor alle armen.

De Baraita vertelt verder: Als de rijke voor het gerecht komt, wordt hem ook gevraagd: „Waarom heb je je niet bezig gehouden met Tora?” Als hij antwoordt dat hij het te druk had met het in stand houden van zijn vermogen, wordt hem geantwoord: „Was je dan rijker dan Rabbi Elazar ben Charsom?” Rabbi Elazar erfde van zijn vader duizend steden met land en duizend schepen. Maar hij stelde bedienden aan om zijn zaken te regelen, opdat hij zelf geen tijd hoefde te verliezen aan Tora-studie. Zo kende niemand van de bewoners van zijn duizend steden hem en toen hij op een dag een van die steden bezocht om daar Tora te leren, namen de bedienden van het stadshoofd (dat was hijzelf) hem gevangen, omdat zij hem niet herkenden. En pas na hen veel losgeld te hebben betaald, waren zij bereid hem te laten gaan. Zo werd Rabbi Elazar ben Charsom het voorbeeld voor rijke mensen.

De Baraita vertelt verder: Als de rasja voor het laatste gerecht komt, wordt ook hem gevraagd: „Waarom heb je geen Tora geleerd?” Als hij dan antwoordt: „Ik was zo mooi, dat ik voortdurend door vrouwen werd achtervolgd,” dan wordt hem geantwoord: „Was je dan knapper dan Joseef?” De Baraita vertelt verder hoe de vrouw van Potifar hem dagelijks op alle mogelijke manieren probeerde te verleiden, en hoe Joseef die verleiding wist te weerstaan.

Zo zien we hoe Hilleel de armen verplichtte om Tora te leren, hoe Rabbi Elazar ben Charsom de rijken daartoe verplichtte en hoe Joseef de rasja daartoe verplichtte.

Misjna

De widoei van de Kohen Gadol op zijn chataat

De Misjna beschrijft de widdoei [zondenbelijdenis] van de Kohen Gadol op zijn stier die als chataat[4] geofferd wordt. Deze stier betaalt de Kohen Gadol met zijn eigen geldt:

De stier stond tussen het altaar en de ‘Oelam, [met zijn achterkant naar het noorden gericht en] met zijn kop naar het zuiden en zijn gezicht naar het westen [naar de Heichal] gericht. De Kohen Gadol stond ten oosten van de stier [tussen de stier en de Heichal] met zijn gezicht naar de stier gericht, en hij leunde met beide handen op de kop van de stier. Zo bekende hij zijn zonden en hij zei: „Ana Hasjem, ‘Awitie, pasjatie, chatatie  – alstublief Hasjem, ik heb moedwillig, opstandig en onopzettelijk gezondigd. Ik en mijn gezin Vervolgens vraagt de Kohen Gadol vergiffenis voor al die zonden, zoals er geschreven staat [Lev. 16:30]: „Want op deze dag zal er verzoening voor jullie gedaan worden, om jullie te reinigen van al jullie zonden, voor Hasjem zullen jullie rein zijn.” En het publiek zal hardop antwoorden: „Baroech sjeem kewod malchoeto le’olam wa’ed Geprezen is de Naam van Zijn koninklijke Majesteit voor alle eeuwigheid.”


 

[1] manee  – de waarde van 100 zoez.

[2] zoez – munt ter waarde van een dinar, bevat 4,25 gram zilver.

[3] rasja – een slecht mens.

[4] chataat – zondoffer. Het wordt doorgaans gebracht voor een onopzettelijke overtrewding van een Tora-verbod, waarop, wanneer dat opzettelijk gebeurde, de straf van kareet op staat.