Archief Joma

Aanmelden

donderdag 13 juli 2006

17 Tamoez 5766

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 36

Door Zwi Goldberg

Wat is „tussen het altaar en de ‘Oelam”?

De Misjna zegt dat de stier stond tussen het altaar en de ‘Oelam. Maar uit twee misjnajot verderop (41b en 43b0 blijkt dat de Kohen Gadol de stier slachtte op de plaats waar hij met zijn handen op de stier gesteund heeft. Nu is er een alge­mene regel dat alle kodesjei kodasjiem, dat zijn de allerheiligste offers, waartoe ook de chataat-stier van de Kohen Gadol behoort, in het noordelijke deel van de Tempel-binnenplaats geslacht moeten worden. Dat betekent dus dat de Tanna van deze Misjna de plaats tussen het altaar en de ‘Oelam het ‘noorden’ noemt. [zie diagram 1]

De Gemara vraagt: Wie is die Tanna?

De Gemara antwoordt: Het is R. Elazar ben Sjim’on, zoals uit de volgende Baraita blijkt: Volgens R. Jossi de zoon van R. Jehoeda is het ‘noorden’ [waar de kodsjei kodasjiem geslacht mogen worden] het gedeelte ten noorden van het altaar [zie diagram 2]; R. Elazar ben Sjim’on voegt daar aan toe de ruimte tussen het altaar en de Heichal [zie diagram 3] en volgens Rebbi hoort daar ook nog de ruimte ten westen van het altaar bij [zie diagram  4]. Echter volgens iedereen is de ruimte achter de kamer met de messen ongeschikt [zie diagram 5].

De Gemara concludeert in eerste instantie dat Rebbi het gebied dat R. Elazar ben Sjim’on toevoegt, niet goedkeurt, maar alleen het gebied ten oosten van het altaar, zodat alleen R. Elazar de ruimte tussen het altaar en de Heichal ‘het noorden’ noemt. 

De Gemara verwerpt die gedachte, want dat zou betekenen dat Rebbi het minder heilige gedeelte ten oosten van het altaar wel geschikt noemt voor het slachten en het heiligere gedeelte, dichter bij de Heichal niet. Dat is niet logisch. Dus kan onze Misjna ook de mening van Rebbi weergeven?

De Gemara antwoordt: Nee, want waarom zou Rebbi dan zeggen dat de stier speciaal tussen het altaar en de Heichal moest staan? Het dier had dan overal in het noorden van de Binnenplaats kunnen staan!

De Gemara werpt tegen: Nee, onze Misjna kan ook de mening van Rebbi weer­geven en de reden dat Rebbi zegt dat de stier tussen het altaar en de Heichal stond is, om te voorkomen dat de Kohen Gadol een te grote afstand moet afleggen met het bloed, van de slachtplaats naar het altaar.

De juiste positie van de stier

De Misjna zegt dat de stier met zijn kop naar het zuiden en zijn gezicht naar het westen gericht stond.

De Gemara vraagt: Waarom stond het zo?

De Gemara antwoordt: Het dier moet met zijn hals naar de Heichal gericht staan, maar wanneer het lijk van het dier van oost naar west zou staan, zou zijn achterste naar het altaar gericht zijn en als het dier dan zijn ontlasting doet, is dat vlak voor het altaar en dat mag niet. Daarom stond het als in diagram 6, zodat zijn achterste niet voor het altaar stond.

De semicha

De Gemara vraagt: Hoe doet men semicha [hoe leunt met op het offerdier?]

De Gemara antwoordt: Een Baraita leert: Het offerdier staat in het noorden, met zijn achterste naar het oosten en zijn kop naar het westen gericht. En de eigenaar, die er op moet steunen staat met zijn rug naar het oosten en zijn gezicht naar het westen en hij legt zijn beide handen tussen de horens van het dier. Er mag niets zijn tussen zijn handen en de kop van het dier. Dan bekent hij zijn zonden; Rabbi Jossi HaGalili zegt: over ieder offerdier de bijbehorende zonden. Rabbi Akiwa zegt: Een ‘Ola is alleen voor een overtreding van een gebod of voor de overtreding van een verbod dat verbonden is aan een gebod om iets te doen.

Daf 36b

De Gemara vraagt: Waarover discussiëren zij?

Antwoord R. Jeremia: Zij discussiëren over de vraag of het verbod op het eten van newela[1] wordt opgeheven door de remedie of niet. Het vers (Deut. 14:21) luidt: „Jullie zult geen enkele newela eten; aan de vreemdeling binnen je poorten zul je het geven.” In het algemeen geldt dat een verbod waar een remedie voor bestaat, d.w.z. dat er een gebod op volgt om de overtreding ongedaan te maken, niet gestraft wordt met malkoet[2]. Hier echter is dat een probleem, want als iemand toch newela gegeten heeft, kan hij dat niet meer goed maken door het aan een vreemdeling te geven. Volgens R. Jeremia meent R. Akiwa daarom dat op het eten van newela de straf van malkoet staat, en wie voor zijn zonde gestraft wordt met malkoet, hoeft niet ook nog een brandoffer te brengen, maar R. Jossi meent dat er geen straf van malkoet op staat, omdat op het verbod [om newela te eten] een gebod volgt [om het aan een vreemdeling te geven]. Daarom heeft hij volgens R. Jossi wel verzoening nodig d.m.v. een brandoffer. Dit alles is de interpretatie van R. Jeremia.

Antwoord Abbajé: Abbajjé is het niet eens met de interpretatie van R. Jeremia van het meningsverschil tussen R. Akiwa en R. Jossi. Volgens hem gaat hun probleem over de betekenis van de woorden: „je zult achterlaten” in het vers Leviticus. 19:10 en Leviticus 23:22. [Lev. 19:10: „In je wijngaard  zul je de onrijpe druiven niet wegnemen en de enkele druiven niet oprapen, maar voor de arme en de vreemdeling zul je ze achterlaten” en Lev. 23:22: „Als je de oogst van je land maait… zul je de afgevallen halmen niet oprapen, maar voor de arme en de vreemdeling zul je ze achter­laten.”] Volgens R. Akiwa is het gebod om de druiven en halmen te laten liggen geen remedie tegen het oprapen [als ze eenmaal zijn opgeraapt is het verbod daarop al overtreden] en dus wordt de overtreder gestraft en hoeft hij gaan brandoffer meer te brengen. Volgens R. Jossi is het wel een remedie, namelijk wie de halmen of druiven heeft opgeraapt, kan ze weer terugbrengen naar het veld en ze daar als nog achterlaten en dus heeft hij verzoening nodig voor zijn overtreding d.m.v. een brandoffer.

De volgorde van de Widoei[3]

R. Meïr zegt: De Kohen Gadol bekent zijn zonden zoals in de Misjna op 35b staat: awitie, pasjatie, chatatie ik heb moedwillig, opstandig en onopzettelijk gezondigd. Want zo staat het ook in Exodus 34:7 waar Mosjé het heeft over G-d Die „awon, pèsja wechataat vergeeft”.

De Geleerden zeggen: De volgorde is: chatatie, awitie, pasjatie, in opklimmende volgorde van ernst van de overtre­ding, en niet in volgorde van afnemende ernst want als de moedwillige en opstandige overtredingen al vergeven worden, dan worden de onopzettelijke overtredingen zeker vergeven.

De Gemara vraagt: Hoe zit dat dan met de volgorde van Mosjé Rabbeinoe?

De Gemara antwoordt: Mosjé vroeg aan Hasjem om de zedonot –  opzettelijke overtredingen [awonot en pèsjaïem] om te zetten in sjegagot – onopzettelijke overtredingen [chataot].

Rav: De halacha is volgens de Geleerden, ondanks dat R. Meïr gesteund wordt door een passoek. [En zo paskent ook de Sjoelchan Aroech O.Ch. 621:5.]

Verzoening in woorden of met bloed?

Leviticus 16:10 zegt: „De bok waarop het lot ‘voor Azazel’ is gevallen wordt levend voor de Eeuwige geplaatst om daarover verzoening te doen.” Dit is een zondenbelijdenis met woorden, zonder dat er bloed op het altaar gegooid wordt, want de zondebok wordt de woestijn ingestuurd. En in Leviticus 16:6 staat: „Dan brengt Aharon de zondoffer-stier, die van hemzelf is en bewerkt verzoening voor zichzelf en voor  zijn huisgezin.” Zoals de zondebok verzoening doet met woorden, zo ook de stier van Aharon.


 

[1]. newela – het lijk van een dier dat niet volgens de voorschriften geslacht werd.

[2]. malkoet – 39 zweepslagen als straf voor overtreding van bepaald verboden van Tora.

[3]. widdoei –bekentenis, bekenning van zonden.