Archief Joma

Aanmelden

vrijdag 14 februari 2006

18 Tamoez 5766

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 37

Door Zwi Goldberg

De Widoei

De Misjna op daf 35b zegt dat de Kohen Gadol zijn widoei begint met de woorden: „Ana Hasjem – altsublieft, Hasjem”.

De Gemara vraagt: Wat is hiervan de bron?

De Gemara antwoordt: We hebben al gezien dat Leviticus 16:6 [zie onderaan daf 36b] dat handelt over de stier van Aharon, het heeft over verzoening, evenals in Exodus 32:30 waar Mosjé om verzoening vraagt voor de zonde van het gouden kalf. En zoals Mosjé het volgende vers begint met „ana”, zo moet dus ook Aharon beginnen met „ana.” Dit is een gezera sjawa.

De Gemara vraagt: En hoe weten we dat de zondebelijdenis begint met de Sjeem Hasjem [de Naam van G-d]?

De Gemara antwoordt: Via een gezera sjawa met het egla aroefa – het kalf waarvan de nek gebroken wordt [zie Deut. 21:1-9].

De bron voor het antwoord op de widoei

Vraag: De Misjna op daf 35b zegt, dat nadat de Kohen Gadol zijn zondebelijdenis gezegd heeft, het volk antwoordt met „Baroech Sjeem, enz.” Wat is daarvan de bron?

Rebbi antwoordt: Deuteronomium 32:3: „Wanneer ik de Naam van Hasjem aanroep, kent dan grootheid toe aan onze G-d.” D.w.z. als de Kohen Gadol de Naam van Hasjem aanroept, zal het volk Hem prijzen.

Chananja de neef van R. Jehosjoea zegt: Spreuken 10:7: „Het noemen van de Rechtvaardige is een beracha.” D.w.z. als de Kohen Gadol de Naam van de Rechtvaardige van de wereld noemt, zal het volk Hem een beracha geven.

De loting voor de beide bokken

Misjna De loterij [voor de beide bokken] werd gehouden in het oostelijke deel van de Binnenplaats, ten noorden van het altaar [zie diagram 1]. De segan stond rechts naast de Kohen Gadol en het hoofd van de dienstdoende Kohen-familie stond links van hem en daar stonden de twee bokken [de een die werd geofferd en de ander die werd weggezonden, naar Azazel]. In een doos lagen twee loten [het ene lot voor de offer-bok en het andere lot voor de bok voor Azazel]. De loten waren van bukshout maar [Jehosjoea] Ben Gamla maakte ze van goud. [Hij was Kohen Gadol en zeer rijk.] [De twee bokken stonden in het oostelijke deel van de Binnenplaats van de Israëlieten, op de noordelijke helft, voor de Nikanor-poort [zie diagram 1].

Ben Katin maakte twaalf kranen aan de kior, voorheen waren er slechts twee. Hij maakte ook een apparaat om de kior ’s nachts in een onderaardse bron te laten zakken, zodat het water in de kior niet onbruikbaar zou worden.

Koning Moembaz [een van de Maccabeeën-koningen (Rasji), volgens anderen de zoon van Koningin Helena, (de vrouw van Koning Monobaseus van Adiabene) die tot het Jodendom overgingen] maakte alle handvaten aan de gebruiks­voorwerpen voor Jom Kippoer van goud. Helena, zijn moeder maakte een gouden kandelaar voor de ingang van de Heichal. De Misjna noemt nog enkele donateurs.

Wanneer men wandelt naast zijn leraar

De Misjna leert: De segan stond rechts naast de Kohen Gadol en het hoofd van de dienstdoende Kohen-familie stond links van hem. Daarvan leert een Baraita: dat als men naast zijn leraar wandelt, de leraar in het midden loopt, recht van hem zijn beste leerling en links de minder goede leerling. Zo ook zien we dat van de drie engelen die Awraham bezochten, Michael in het midden ging, Gabriël rechts en Rafaël links.

De Gemara vult aan: de beste leerling hoort rechts schuin achter/naast zijn leraar te lopen [en de ander schuin links].

De loten

De loten moeten allebei gemaakt worden van hetzelfde materiaal. Het mag van allerlei soorten hout zijn, als het maar mooi hout is. Eén lot voor Hasjem en één lot voor Azazel.

De kior

Ben Katin maakte twaalf kranen aan de kior, voor de twaalf Kohaniem die elke dag dienst deden. Voordat Ben Katin dat gemaakt had waren er slechts twee kranen, een zat boven en een zat onderaan de kior. ’s Ochtends als de kior vol was, waste de Kohaniem hun handen en voeten onder de bovenste kraan, ’s middags, wanneer er nog maar weinig water in zat, wasten zij zich onder de onderste kraan.

Moembaz en de gouden handvaten

De Gemara vraagt: Waarom maakte hij alleen de handvaten van goud en niet ook de voorwerpen zelf?

Daf 37b

Antwoord Abbajjé: Het betreft hier de handvaten van de messen.

De Gemara werpt tegen: Een Baraita zegt dat Moembaz zowel de handvaten van de messen als de handvaten van andere voorwerpen voor Jom Kippoer van goud maakte!

De Gemara antwoordt: Abbajjé bedoelt dat hij handvaten van goud maakte van voorwerpen, die zelf niet van goud konden worden gemaakt, zoals van messen en bijlen e.d.

Koningin Helena en de gouden kandelaar

Een Baraita vertelt: Wanneer de zon ’s ochtend scheen, weerspiegelde de kandelaar de zonnestralen en dan wist men wanneer men Sjema moest zeggen.

De Gemara werpt tegen: Maar een andere Baraita vertelt dat de mannen van de ma’amad vroeger Sjema zeiden en dat de mannen van de misjmar het later zeiden. [De mannen van de ma’amad waren de Jisjraëliem die het volk vertegen­woordigden bij de gemeenschapsoffers, de mannen van de misjmar waren de Kohaniem die dienst deden.]

De Gemara antwoordt: Het gold voor de overige bezoekers van de Tempel.

Nog een gouden voorwerp van Koningin Helena

De Misjna vermeldt ook dat Koningin Helena een gouden plaat liet maken met daarin gegrift de woorden van de afdeling van Tora over de Sota [Numeri 11:5-31]. Wanneer de Kohen die afdeling op een stuk perkament moest schrijven voor een sota[1], dan schreef hij de woorden daarvan over. Echter, de Gemara analyseert dat alleen de eerste woorden van iedere zin daar voluit stonden en voor de rest alleen de beginletters van de woorden, want men mag geen gedeelte van Tora ergens opschrijven.


 

[1]. Sota – Een vrouw wier gedrag aanleiding heeft gegeven om haar te verdenken van overspel. Numeri 11:5-31 vertelt wat er met haar moet gebeuren.