Archief Joma

Aanmelden

zaterdag 15 juli 2006

19 Tamoez 5766

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 38

Door Zwi Goldberg

De wonderen van de Nikanor-deuren

Onze Misjna vertelt dat er wonderen gebeurden met de Nikanor-deuren, die zo heetten, omdat Nikanor ze had meegebracht uit Egypte.

Een Baraita vraagt: Wat voor wonderen gebeurden er met die deuren? Nikanor bracht de deuren van Alexandria in Egypte. Bij zijn terugkeer dreigde een zware storm hem te verdrinken. De zeelieden namen een van de [zware, koperen] deuren en wierpen die in zee [om het schip lichter te maken]. Maar de zee kwam niet  tot bedaren en het schip bleef in gevaar. De zeelieden wilden ook de tweede deur in zee gooien, maar Nikanor klemde zich aan die deur vast en verklaarde dat zij hem dan mee in zee moesten gooien. Onmiddellijk kwam de zee tot bedaren [als beloning voor zijn opofferingsgezindheid]. Bij zijn aankomst in Akko vond Nikanor de deur die in zee gegooid was, weer terug. Later werden alle deuren van de Tempel van goud gemaakt, behalve de deuren van Nikanor. Rabbi Eliëzer ben Ja’akov zei: de kopeen deuren van Nikanor blonken als goud.

Zij worden tot hun schande genoemd

Misjna [De vorige Misjna noemde een aantal mensen op die geloofd worden wegens hun bijdrage aan de Tempel.] De volgende mensen worden genoemd tot hun schande: het Huis van Garmoe, want zij wilden anderen niet leren hoe men de Toonbroden maakt. Het Huis van Avtinas wilde anderen niet leren hoe men het reukwerk moest samenstellen. Hygros, een Leviet kende een speciale zang methode, maar hij wilde het anderen niet leren. Ben Kamtsar wilde zijn speciale manier van schrijven niet aan anderen leren [hij bond vier pennen aan zijn vingers (of hield ze tussen zijn vingers) en schreef zo de vier letters van de onuitsprekelijke Naam tegelijkertijd]. Van die uit de vorige Misjna zegt men: „Het aandenken van de rechtvaardige is tot zegen,” en over die uit deze Misjna zegt men: „De naam van de booswichten zal wegrotten” (Spreuken 10:7).

Beit Garmoe en de Toonbroden

Gemara De Rabbijnen wilden het Huis Garmoe vervangen door Egyp­tische bakkers  [die misschien goedkoper waren] maar die konden wel dezelfde bro­den bakken als de familie Garmoe, maar ze konden ze niet onbeschadigd uit de oven halen. De broden hadden een hele speciale vorm. Volgens een mening in Menachot 94a werden ze gebakken in vor­men die twee zijden misten [zie teke­ning]. De Geleerden vroegen toen of de familie Garmoe wilde komen om de broden te bakken, maar zij wilden alleen terugkomen wanneer hun sala­rissen verdubbeld werden van 12 naar 24, of volgens sommigen van 24 naar 48 manee [een exorbitant hoog salaris].

De Geleerden vroegen hen waarom zij hun geheim niet openbaar wilden maken. Zij antwoordden dat zij hun bakproces geheim wilden houden voor afgodendienaren.

Ten goede van hen wordt vermeld dat hun kinderen nooit gezien werden met verfijnd brood, zodat nimmer de indruk gewekt kon worden dat zij gevoed werden met de Toonbroden. Zo vervulden zij het gebod (Num. 32:22): „Jullie zult onschuldig zijn in de ogen van Hasjem en van Israël.”

Beit Avtinas en de Ketoret

De Misjna vertelt dat het Huis van Avtinas niet hun geheim van de kruiden voor het reukwerk wilde vrijgeven. Een Baraita vertelt dan de Geleerden vaklieden uit Egypte aantrokken die het reukwerk konden maken. Maar zij bleken niet in staat om, zoals de familie Avtinas wel kon, de rook van het verbrande reukwerk recht omhoog te laten stijgen, in plaats van dat het zich naar alle kanten verspreidde. Het reukwerk van Avtinas steeg recht omhoog als een stok. Daarop vroe­gen de Geleerden of het Huis Avtinas weer terug wilde komen. Zij  verdubbelden hun salaris en daarop kwamen zij terug, precies als het Huis Garmoe.

Ten goede van hen wordt vermeld dan hun bruiden zich nimmer parfumeerden, opdat niemand ooit zou zeggen dat zij zich parfumeerden met het reukwerk van de Tempel.

R. Jisjmael merkte op dat na de verwoesting van de Tempel de eer van het Huis Avtinas niet meer nodig was, maar dat de eer van HaKodesj Baroech Hoe nog onverminderd is.

R. Jisjmael ben Luga vertelt dat hij een nakomeling van het Huis Avitnas ontmoette, die huilde en lachte tegelijk. Hij huilde om de verloren gegane eer van zijn familie, maar hij lachte omdat hij het geheime kruid gevonden had, dat zijn familie gebruikte om de rook recht omhoog te doen stijgen, en dat beschouwde hij als een teken dat eens de eer van zijn familie hersteld zou worden [als de Tempel herbouwd wordt]. Maar hij weigerde aan Rabbi Jisjmael het kruid te tonen, want hij had gezworen dat geheim aan niemand te vertellen.

Rabbi Jochanan ben Noeri vertelt dat een oude man van het Huis van Avtinas hem het geheim van de kruiden verteld heeft en toen Rabbi Akwia dat hoorde, verklaarde hij dat er van toen af aan geen kwaad meer gesproken mocht worden over het Huis Avtinas.

 

Daf 38b

Hygros de Leviet en Ben Kamtsar

De Misjna leert dat Hygros de Leviet een speciale zang techniek kende, die hij aan niemand anders wilde leren. Wanneer hij zijn speciaal geluid wilde laten horen, stak hij zijn duim in zijn mond en legde twee vingers tegen zijn snor. Daarop deinsden de Kohaniem allemaal tegelijk terug, in reactie op zijn geluid.

Een Baraita vertelt over Ben Kamtsar: Hij hield vier pennen tegelijk tussen zijn vingers en daar kon hij een woord van vier letters tegelijk mee schrijven. De anderen hadden een excuus voor hun weigering om hun kunst aan anderen te leren, maar Ben Kamtsar had dat niet. Over hem is gezegd: „De naam van de booswicht zal verrotten.”

De Gemara vraagt: Wat betekent het dat zijn naam zal verrotten?

De Gemara antwoordt: Dat de naam van een booswicht aan geen enkel kind zal worden gegeven.

De Gemara werpt tegen: Maar daar was het geval van het kind dat Doëg ben Joseef heette en zijn moeder schonk iedere dag zijn gewicht in goud aan de Tempel, maar toen de stad belegerd werd door Newoechadnetsar en er grote hongsnood heerst, slachtte ze haar eigen baby en vrat hem op. Dus het kind kreeg de naam van een slecht persoon. [Doëg de Edomiet was de vijand van Koning David].

De Gemara antwoordt: Het einde van Doëg ben Joseef bewijst de juistheid van het vers van Spreuken 10:7.

Homiletische uitspraken van Rabbi Elazar

De Gemara vraagt: Hoe weten we dat het aandenken van de rechtvaardige tot zegen is, maar dat de naam van de booswicht zal wegrotten?

De Gemara antwoordt: Betreffende de Tsaddiek zei G-d (Gen. 18:17): „Zou Ik voor Awraham verbergen wat Ik doe?” en direct daarop (ib. 18) staat er: „Terwijl Awraham tot een groot en machtig volk zal worden.” [Dus G-d zegende Awraham, toen Hij zijn naam noemde.]

Betreffende de rasja staat er geschreven (Gen. 13:12): „En hij (Lot) sloeg zijn tenten op bij Sedom.” en direct daarna staat er (vs. 13): „En de mannen van Sedom waren zeer slecht en zondig tegen Hasjem.” [Zo zegt men, als men de naam van een levend rechtvaardig pesoon noemt: Sjèjichejè lejamiem towiem wearoekiem – moge hij goede en lange dagen leven (afgekort: sjlita), en van een overleden tsaddiek zegt men zecher tsaddiek lewracha – het aandenken van een rechtvaardige is tot zegen (afgekort zts”l). Daarentegen zegt men over een slecht mens: jimmach sjemo wezichro – moge zijn naam en aandenken worden uitgewist.]

Een andere uitspraak: Een rechtvaardig mens, zoals Ovadia, kan leven tussen slechte mensen (Achab en Jezebel) en toch rechtvaardig blijven, en een slecht mens (Esav) kan leven tussen tsaddikiem (Jitschak en Ja’akov) en toch slecht blijven.

Nog een uitspraak van R. Elazar: De wereld werd zelfs voor één enkele rechtvaardige geschapen, zoals er staat geschreven in Genesis 1:4: „En G-d zag dat het licht goed was.” En Jesjajahoe zegt: „Zeg van de tsaddiek dat hij goed is.”

Enkele homilitische uitspraken van R. Chia in naam van R. Jochanan

Een tsaddiek verlaat deze wereld niet, voordat een andere tsaddiek zoals hij is opgestaan, zoals er is geschreven (in Prediker 1:5): „De zon komt op en de zon gaat onder.” [Door de geschiedenis heen werd de ene tsaddiek opgevolgd door de volgende tsaddiek].

Toen Hasjem zag dat er maar weinig tsaddikiem in de wereld waren, plantte Hij er een in iedere generatie, zoals er geschreven staat in I Samuel 2:8: „Want voor G-d zijn de steunpilaren van de aarde en Hij zette de wereld daar op. [Die steunpilaren zijn de tsaddikiem, waar de wereld op steunt.]

Wanneer iemands meeste jaren zijn verstreken, zonder dat hij gezondigd heeft, dan zal hij niet meer zondigen, want er staat geschreven in I Samuel 2:9: „De gelegenheden van Zijn toegewijden zal Hij bewaken,” d.w.z. als iemand zich bij twee gelegenheden toegewijd gedragen heeft, zal Hasjem hem behoeden  tegen zondigen.