Archief Joma

Aanmelden

zondag 16 juli 2006

20 Tamoez 5766

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 39

Door Zwi Goldberg

Nog meer homilitische uitspraken van R. Jochanan

Het vers uit Spreuken 3:34 zegt: „Wie zich tot de spotters voelt aangetrokken, die zal spotten, maar wie tot de nederigen wordt aangetrokken, die zal gunst vinden.” Reisj Lakisj legt uit: wanneer iemand zich wil bevuilen, dan wordt hem daartoe de gelegenheid gegeven, maar als iemand zich wil reinigen, dan wordt hij geholpen door de Hemel [d.w.z. als iemand zich aangetrokken voelt om slechte dingen te doen, dan laat de Hemel hem zijn gang gaan, maar wie het goede zoekt, zal daarbij gesteund worden door de Hemel (Rasji)].

Wanneer een klant komt voor petroleum, dan mag de winkelier tegen hem zeggen dat de klant het zelf moet afmeten. [Zo komt de winkelier niet in contact met de onaangenaam ruikende petroleum.] Maar als een klant komt voor balsem, dan kan de winkelier zeggen dat hij het zelf wil afmeten, zodat ook hij lekker zal ruiken.

Zonden verstoppen het hart [d.w.z. wie de mitswot overtreedt en niet leeft volgens Tora, wordt onverschillig].

Leviticus 11:43: „Maken jullie jezelf er niet onrein door [kruipend ongedierte], want daardoor worden jullie onrein.” Dat wil zeggen: wanneer je jezelf een beetje onrein wilt maken, door maar een kleine overtreding te begaan, dan wordt je vanzelf meer onrein, doordat je meer overtredingen zult begaan. [De ene overtreding lokt de volgende uit.] En dan zul je ten slotte in de Komende Wereld onrein zijn.

Maar wie zichzelf heiligt [door te leven volgens Tora en mitswot], die wordt in de Komende Wereld geheiligd.

EINDE HOOFDSTUK DRIE

&

HOOFDSTUK VIER – TARAF BEKALPIE

(Hij rukte uit de loterijtrommel)

De procedure voor de trekking van de loten

Misjna De Kohen Gadol rukte de loten uit de loterijtrommel [om vast te stellen welke bok geofferd zal worden en welke bok naar Azazel gestuurd zal worden. Deze trekking moet snel gebeuren (Rasji)]. Hij trekt er twee loten uit [één lot uit met zijn rechterhand en één met zijn linkerhand (Rasji)]. Op het ene lot staat: „Voor Hasjem,” en op het andere: „Voor Azazel.” De Segan staat rechts naast de Kohen Gadol en het familiehoofd links. Wanneer de Kohen Gadol het lot voor Hasjem met zijn rechterhand trekt, zegt de Segan : „Mijnheer de Kohen Gadol, hef uw rechter hand omhoog,” en wanneer hij het met zijn linkerhand trekt, zegt het familiehoofd: „hef uw linkerhand omhoog.” Hij legt dan op iedere bok een lot [het lot in zijn rechterhand op de rechter bok en het linker lot op de linker bok (Rasji)]. Als hij het lot van Hasjem op de bok legt, zegt hij: „Een zondoffer voor Hasjem.” Volgens Rabbi Jisjmael zei hij alleen maar: „Voor Hasjem.” [En als de Kohen Gadol de Naam uitsprak, dan zeiden de aanwezigen die dat hoorden: „Baroech Sjeem kewod malcoeto le’olam wa’ed – Geprezen  de  Naam  van Zijn Koninklijke Majesteit voor alle eeuwigheid.”

Gemara Waarom moest hij de loten eruit rukken?

Antwoord: Hij moest ze er snel uithalen, opdat hij niet de loten eerst zou betasten om te voelen wat erin gegraveerd stond.

De loterijtrommel was gemaakt van hout en was niet geheiligd, want heilige voorwerpen mogen niet van hout gemaakt worden. Er konden precies de beide handen van de Kohen Gadol in.

Een Baraita heeft een andere versie van de loten-trekking volgens Rabbi Jehoeda. Volgens hem trok de Kohen Gadol met zijn rechterhand één lot en de Segan trekt met zijn rechter hand één lot. Wanneer de Kohen Gadol het lot voor Hasjem trekt, roept de Segan: „Steek uw hand omhoog,” en wanneer de Segan dat lot trekt, roept het familiehoofd dat.

De Gemara vraagt: Wat is de basis van het dispuut tussen de Tanna van onze Misjna en Rabbi Jehoeda?

De Gemara antwoordt: Of de rechter hand van de Segan beter is dan de linker hand van de Kohen Gadol of niet.

De Gemara vraagt: Wie is de Tanna van onze Misjna?

De Gemara antwoordt: R. Chanina Segan HaKohaniem, zoals een Baraita leert: R. Chanina Segan Hakohaniem zei dat de reden waarom de Segan naast de Kohen Gadol staat op Jom Kippoer, is om hem te vervangen als hij ongeschikt wordt. [D.w.z. zolang de Kohen Gadol geschikt is om de dienst te verrichten, doet die alles en trekt hij dus ook beide loten en de Segan doet niets (Rasji).]

De wonderen tijdens de ambtsperiode van Sjim’on HaTsaddiek

Een Baraita vertelt: Tijdens de veertig jaar dat Sjim’on HaTsaddiek fungeerde als Kohen Gadol kwam het lot „voor Hasjem” altijd op in zijn rechter hand. Het rode koort om de kop van de bok die naar Azazel gestuurd werd, veranderde altijd  in wit [ten teken dat G-d de zonden van het Joodse volk had vergeven]. De meest westelijke lamp bleef altijd branden, de brandstapel op het altaar bleef branden en de Kohaniem  hoefden er geen nieuw hout aan toe te voegen, behalve de twee houtblokken. Er rustte een beracha op de ‘Omer, op de twee broden voor Sjawoe’ot en op de Toonbroden [zodat een kezajit daarvan al de eetlust van de Kohaniem bevredigde en soms was daarvan zelfs minder nodig]. Voorheen bevredigden die broden de eetlust helemaal niet en de vrome Kohaniem aten het niet, maar de veelvraten onder hen namen het van hen af. Eén zo’n veelvraat werd daarom Ben Chamtsan [rover] genoemd.

Daf 39b

Op een zekere Jom Kippoer vertelde Sjim’on HaTsaddiek dat hij dat jaar zou sterven. Zij vroegen hem hoe hij dat wist. Hij antwoordde: ieder jaar op Jom Kippoer, wanneer ik het Heilige der Heiligen binnenging, ontmoette ik daar een oude man, geheel in het wit gekleed en hij verliet met mij weer het Heiligdom. Maar dit jaar was de oude man in het zwart gekleed en verliet het Heiligdom niet met mij. [De oude man was een visioen van een zinnebeeldige voorstelling van Hasjem, de witte kleren een teken van leven, de zwarte een teken van rouw.] Kort na Soekot overleed hij.

Na zijn dood spraken de Kohaniem de vierletterige Naam niet meer uit tijdens de priesterzegen.

De veertig jaar voor de Verwoesting

Een Baraita leert: Gedurende de veertig jaar vóór de Verwoesting kwam het lot „voor Hasjem” nimmer op in de rechterhand van de Kohen Gadol, het rode koord werd niet wit en de westelijke lamp bleef niet bran­den en de deuren van de Heichal bleven vanzelf open [als een uitnodiging voor de vijand om de Tempel bin­nen te komen en te verwoesten (Rasji)]. Totdat Rabbi Sjim’on ben Zakkai hen [de deuren] vermaande. De Profeet Zacharja (11:1) had reeds over de verwoesting geprofeteerd: „Open, Libanon, je deuren en laat het vuur je ceders consumeren.” [Met de Libanon wordt hier de Tempel bedoeld en wanneer de Tempel zou worden aangevallen, was het vroeg genoeg om zijn deuren te openen, dat hoefde niet veertig jaar van te voren (Rasji).]

De Gemara vraagt: Waarom wordt de Tempel hier Libanon genoemd?

De Gemara antwoordt: Omdat de naam Libanon „wit” betekent, en de Tempel maakte de zonden van het Joodse volk wit [d.w.z. deed verzoening voor hun zonden].

Het uitspreken van de Naam

Een Baraita leert: Tien keer sprak de Kohen Gadol op Jom Kippoer de Naam uit, driemaal tijdens de eerste zonde­belijdenis over zijn stier, driemaal tijdens de tweede zondebelijdenis en driemaal over de zondebok die naar Azazel werd gestuurd en eenmaal bij het opheffen van het lot voor Hasjem. En soms gebeurde het dat zijn stem tot in Jericho gehoord werd.

De speciale kedoesja van Jericho en de Ketoret

Rabba bar bar Chana vertelde dat het kraken van de deuren van de Heichal, wanneer die werden geopend of gesloten, tot op 16.000 [± 8 km] amma te horen was. [De Misjna in Tamied 3:8 zegt dat de deuren van de grote poort tot in Jericho te horen waren [Jericho ligt op een afstand van 80.000 amma = ± 40 km].

De geiten in Jericho moesten niezen van de geur van het reukwerk dat in de Tempel geofferd werd.

De vrouwen in Jericho hoefden zich niet te parfumeren, zo sterk was de geur van het reukwerk.

R. Elazar ben Diglai vertelde dat de geiten van zijn vader tot in Mivchar moesten niezen van het reukwerk in de Tempel [en Mivchar ligt volgens Tosafot Jesjaniem  in Gilead].

R. Jehosoea ben Korcha vertelde dat het zelfs na duizend jaar nog in Sjilo was te ruiken, van de tijd toen het Misjkan nog in Sjilo stond.

De procedure van het trekken van de loten

R. Jannai: Het leggen van de loten op de bokken is niet essentiëel voor de Jom Kippoer-dienst, maar het trekken van de loten wel [want als de loten in de handen van de Kohen Gadol zijn gekomen, is al duidelijk wat er gebeurt met iedere bok].

R. Jochanan: Zelfs het trekken van de loten is niet essentiëel [want de Kohen Gadol kan zelf aanwijzen wat er met iedere bok gebeurt (Rasji)].

De Gemara vergelijkt dit meningsverschil met een soortgelijk meningsverschil tussen R. Jehoeda en R. Nechemja.

Eerste verklaring: Volgens R. Jehoeda zijn handelingen door de Kohen Gadol in de witte linnen kleren buiten het Heilige der Heiligen niet essentiëel. De trekking van de loten gebeurt in de witte linnen kleren, en is dus volgens die redenering niet essentiëel. Wanneer R. Jannai en R. Jochanan die mening volgen, zouden zij het er beiden over eens zijn dat de trekking niet essentiëel is.

Volgens R. Nechemja zijn alle handelingen van de Kohen Gadol in diens witte linnen kleren essentiëel, dus ook het trekken van de loten. Dat is de mening van R. Jannai. Rabbi Jochanan echter meent dat R. Nechemja het heeft over de (offer-) dienst. Het trekken van loten is echter geen onderdeel van de dienst en daarom is het niet essentiëel.

Een andere verklaring: Het meningsverschil tussen R. Jannai en R. Jochanan rust op de mening van R. Jehoeda. R. Jochanan is duidelijk in overeenstemming met R. Jehoeda, namelijk niet essentiëel. Maar R. Jannai meent dat het feit dat de woorden: „het komt op” tweemaal voorkomen in leviticus 16:9 en 10, erop wijst dat het wel essentiëel is.