Archief Joma

Aanmelden

dinsdag 18 juli 2006

22 Tamoez 5766

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 41

Door Zwi Goldberg

Specificatie van een vogelpaar als offer

Een aantal mensen dat te arm is om een gewoon dieroffer te brengen, mag een kinien – vogelpaar offeren, d.w.z. twee tortelduiven of jonge duiven [dit geldt voor een vrouw na een bevalling, een metsora, een zav, een zava en iemand die een variabel zondoffer moet brengen]. De ene duif moet worden geofferd als chataat [zondoffer] en de andere als ‘ola [brandoffer].

Rav Chisda zegt dat de duiven alleen op twee momenten gespecificeerd kunnen worden [d.w.z. bepalen welke duif als chataat en welke als ‘ola moet worden geofferd], namelijk op het moment dat de eigenaar de duiven neemt [lekicha] en beslist dat zij geofferd moeten worden, of, als de eigenaar op dat moment niet bepaalt elk van de duiven geofferd als chataat ene welk als ‘ola geofferd moet worden, kan dat alleen nog bepaald worden door de Kohen op het moment dat hij de duiven maakt [asija] d.wz. als zij geofferd worden. Daartussenin kan het niet bepaald worden.

R. Sjimi bar Asji zegt: Dit is gebaseerd op Leviticus 12:8: „En zij zal twee tortelduiven of twee jonge duiven nemen [lakcha],” waaraan we kunnen zien dat op het moment dat de eigenaar (hier een vrouw) de duiven neemt om te worden geofferd, zij ze kan specificiëren, en Lev. 15:5: „En de Kohen zal ze maken [asa], één tot chataat en één tot ‘ola.”

De Gemara vraagt: De vorige Baraita [onderaan daf 40b] zegt dat alleen het lot de bestemming van het offerdier bepaalt, met uitsluiting van woorden?

De Gemara antwoordt: De Baraita leert dat als de bestemming van een paar dieren [zoals op Jom Kippoer de twee bokken] of bij andere gelegenheden de twee duiven] bepaald wordt door het lot, dan heeft het benoemen van de dieren tot chataat en ‘ola geen effect meer. Maar als geen loten getrokken worden, dan beslist het benoemen.

Een arme die zondigt en vervolgens rijk wordt

Voor een aantal overtredingen is een variabel zondoffer verschuldig, waar de grootte afhankelijk is van de financiële draagkracht van de zondaar. Dit geldt voor onrechtmatig getuigenis weigeren, het binnengaan van het Tempelcomplex of het eten van kodasjiem in een toestand van toema en het breken van een eed. Een arme brengt een vogelpaar, het één als chataat en het andere  als ‘ola, een rijke brengt alleen een dieroffer als chataat. Een Baraita leert: Als een arme de Tempel verontreinigt en geld opzijzet voor twee duiven [maar ze daarbij niet specificeert], en vervolgens rijk wordt, [dan moet hij in plaats van de duiven een dieroffer als chataat brengen. Wanneer hij dit niet weet maar] vervolgens, zegt welke munten voor het chataat-duif-offer en welke voor het ‘ola-duif-offer bestemd zijn, dan mag hij het geld dat voor het chataat bestemd was, aanvullen totdat wat hij nodig heeft voor de aanschaf van een chataat-dier-offer, maar het geld dat bestemd was voor het ‘ola mag hij niet voor een chataat gebruiken maar moet hij aanvullen tot een ‘ola-dier-offer [dat hij eigenlijk niet hoefde te brengen, maar nu wel, omdat dit geld al voor een ‘ola bestemd was].

De Gemara vraagt: Hier wordt het geld bestemd op een tijdstip dat noch lekicha noch asa is. Dus kennelijk kan hier wel een bestemming worden gegeven op een ander tijdstip dan dat wat Rav Chisda hierboven gezegd heeft?

De Gemara antwoordt: Het kan niet zijn dat de arme, nadat hij rijk geworden is, gespecificeerd heeft welk geld voor wat bestemd is, want Rabbi Elazar heeft gezegd in naam van R. Hosjaja: Een rijke, die de Tempel tamee maakt en dan het offer van een arme brengt, heeft zijn plicht niet vervuld. Dus nadat hij rijk geworden is heeft hij geen verplichting meer om een ‘ola te brengen. En iemand die een dier wijdt tot ‘ola en die dat niet verplicht is te brengen, diens uitspraak heeft geen enkele betekenis of conse­quen­tie. De Baraita moet het dus hebben over een arme, die zijn geld specificeerde op het moment dat hij nog arm was. De Baraita moet dus als volgt gecorrigeerd worden: „Als een arme de Tempel verontreinigt en geld opzijzet voor twee dui­ven en zegt: dit is voor een chataat en dit is voor een ‘ola, en vervolgens rijk wordt, enz.” Dus de arme bepaalde de be­stemming van de duiven al op het moment van de lekicha, d.w.z. op het moment dat het geld bestemd werd voor de offers.

De Gemara vraagt: Rabbi Chagga zegt in naam van R. Josjia (of volgens anderen R. Hosaja) dat als de rijkgeworden arme het offer van de arme brengt [in plaats van het door hem verplichte dieroffer], hij zijn plicht gedaan heeft. Dat wil zeggen dat als hij, nadat hij rijk geworden is, bestemming geeft aan het eerder door hem opzijgette geld, dit een geldige handeling is, ondanks dat dit niet op het tijdstip van de lekicha of asa is? Dit is strijdig met de uitspraak van R. Chisda?

Daf 41b

De Gemara antwoordt: de Baraita moet als volgt gelezen worden: in plaats van: „Vervolgens zegt hij welke munten bestemd zijn…” moet men lezen: „Vervolgens neemt hij en zegt hij welke munten, enz.” D.w.z. nadat hij de overtreding begaan heeft in zijn toestand van armoede, zet hij geld opzij, koopt twee duiven en beslist welke geld voor welk offer gebruikt moet worden. En pas daarna werd hij rijk.

De Gemara vraagt: De Baraita hierboven zegt: dan mag hij het geld dat voor het chataat bestemd was, aanvullen. Wanneer hij al de duiven gekocht heeft van dat geld, hoe kan hij dan dat geld aanvullen voor een dier­offer? Dat geld is er  niet meer?

1e antwoord: Hij  heeft de duiven gelost, d.w.z. verkocht en het geld dat hij daarvoor krijgt [en dat daarmee de heiligheid van de geloste dieren aanneemt] vult hij aan om het dieroffer te kopen.

De Gemara werpt tegen: Dat kan niet, want in Menachot 100b staat dat vogels, hout, reukwerk en Tempel-voorwerpen niet gelost kunnen worden.

2e antwoord (Rav Papa): Hij gebruikte slechts een deel van het geld en kocht één duif, dat hij bestemde tot ‘ola-offer, zodat de rest van het geld de heiligheid kreeg van de andere vogel, die nog gekocht moest worden, en dus bestemd zal zijn tot chataat. Dat geld vult hij aan om een dieroffer als chataat te kopen. En de vogel die al gekocht werd met als bestemming een ‘ola, wordt nu geofferd als een vrijwillig offer. Maar als hij die ene gekochte duif al bestemd heeft tot chataat, kan hij daar niets meer mee doen, want een chataat kan niet als vrijwillig offer gebracht worden. Men moet het dood laten gaan. En het overgebleven geld was dus bestemd was voor een ‘ola, daarvan koopt hij een vrijwillig brandoffer. En hij moet ander geld gebruiken voor zijn verplicht chataat.

Het meningsverschil tussen R. Elazar en R. Chagga

R. Elazar zei hierboven dat een rijke die het offer van een arme brengt, zijn plicht niet gedaan heeft, terwijl R. Chagga gezegd heeft dat hij daarmee wel zijn plicht gedaan heeft.

De Gemara vraagt: Een Misjna (Negaïem 14:12) leert: Een arme metsora die het offer van een rijke brengt, heeft zijn plicht gedaan, maar een rijke die het offer brengt van een arme, heeft zijn plicht niet gedaan. Dit is toch strijdig met de uitspraak van R. Chagga?

De Gemara antwoordt: Het geval van de metsora is uniek, want Lev. 14:2 (volgens Rasji of 14:32 volgens Rasjba) zegt: „Dit is de leer van de metsora…” Het woordje „dit” betekent dat het uitsluitend voor de metsora geldt. Maar voor een variabel chataat zegt R. Chagga, heeft de rijke zijn plicht gedaan [bedi’awad[1]]  met het offer van de arme.

De widoei van de bok voor Azazel

De Misjna vervolgt met de Jom Kippoer-dienst van de Kohen Gadol.

Misjna Hij [de Kohen Gadol] bindt een lint van rode wol aan de kop van de bok die wordt weggezonden en hij plaatst de bok voor de Nikanorpoort, waardoor hij wordt weggezonden en de te slachten bok voor de slachtplaats. Daarna leunt hij met beide zijn handen op zijn stier en zegt: „Alstublief Hasjem, ik heb opzettelijk gezondigd, ik heb opstandig gezondigd, ik heb onopzettelijk gezondigd, ik en mijn gezin en de andere Kohaniem, Uw heilig volk. Alstublieft, Hasjem, laat er vezoening zijn voor al die zonden, zoals er geschreven staat (Lev. 16:30): „Want op deze dag zal er verzoening voor jullie gedaan worden, om jullie te reinigen, van al jullie zonden zullen jullie rein zijn voor Hasjem.” Daarop antwoordt het volk met „Baroech sjeem, enz.”

Wordt de bok voor Hasjem ook gemerkt?

De Gemara vraagt: Wat bedoelt de Misjna met: en de te slachten bok voor de slachtplaats. Betekent dit dat hij ook een rood lint om zijn koop krijgt of betekent het dat hij op zijn plaats gezet wordt?

De Gemara antwoordt: Een Baraita geeft het antwoord: Ook de bok die geslacht wordt krijgt een rood lint om zijn kop gebonden, zodat zij niet verwisseld worden met andere bokken. [Volgens Rasji kregen de beide bokken het lint op verschillende manieren om hun kop gebonden, opdat zij ook niet onderling verwisseld zouden worden.]

Over twee rode linten

R. Jitschak heeft gezegd: Ik heb geleerd over de rode draad voor de Para Adoema [Rode Koe] en die om de kop van de weg te zenden bok. Eén van de twee vereist een minimum maat, maar ik weet niet meer welk een minimum vereist.

R. Joseef: De Misjna op daf 67a leert dat het lint van de bok in tweeën gesplits moet worden, voordat hij van de rots gegooid wordt, een deel wordt aan de hoorns bevestigd en het andere deel aan de rots. Dus dat is kennelijk het lint dat een minimum maat nodig heeft.

R. Bar Chamma: Maar Numeri 19:6 zegt: „De priester zal cederhout nemen en hysop en karmozijnrode wol en dit midden in de brandende koe gooien.” Dus het lint moet gewicht hebben, anders wordt het al direct bij aanraking met de vlammen verteerd.

De Gemara antwoordt: Het vereiste van gewicht is onderwerp van een machloket tussen de Tannaïem.

Vraag (Abbajjé): De Misjna in traktaat Para 3:11 leert: De priester die het cederhout en de hysop in het vuur gooit, wikkelt dat in het restant van het rode lint. Dus ook het lint voor de Para Adoema wordt gesplitst?

De Gemara antwoordt: Het wordt gewikkeld in het laatste smalle deel van het lint.

R. Chanin in naam van Rav: Wanneer het cederhout en de rode wol al door de toppen van de vlam verteerd worden, is het kasjer [dat wordt beschouwd alsof het in het vuur gegooid is].

De Gemara vraagt: Maar een Baraita zegt dat de draad in dat geval vervangen moet worden door een andere!?

Abbajjé antwoordt: De Baraita spreekt van hoog oprijzende vlam, en R. Chanin heeft het over een  lage vlammen, vlak bij de brandende koe.

Rawa noemt de bron voor de machloket tussen de Tannaïem over de vraag of het lint voor de Para Adoema gewicht moet hebben: Een Baraita: De reden dat het cederhout en de hysop in het rode lint gewikkeld moet worden, is opdat het één bundel is, aldus Rebbi. R. Elazar, de zoon van R. Sjim’on zegt: men wikkelt ze in opdat het voldoende gewicht heeft en valt in de brandende resten van de koe. [Dus R. Elazar zegt dat de bundel gewicht nodig heeft en ook het lint zelf, opdat, wanneer het los raakt, het niet in de lucht fladdert en niet in het vuur zelf belandt.] [Dus Rav volgt Rebbi en de Baraita volgt R. Elazar].

Drie rode linten

Rav Dimi vertelt in naam van R. Jochanan: Er zijn drie rode linten: die voor de Rode Koe, die voor de weggezonden bok en een voor de metsora [zie Lev. 14:4].


 

[1] bedi’awad – achteraf, wanneer het al gebeurd is, aposteriori.