Archief Joma

Aanmelden

donderdag 19 februari 2006

2 Sjewat 5766

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 42

Door Zwi Goldberg

Drie rode linten

Rav Dimi (in naam van R. Nachman) was onzeker wat het gewicht van elk van de drie rode linten was [genoemd onderaan daf 41b] (tien zoez, twee selaïem en één sjekel). [Het vierde rode lint om de nek van de te slachten bok wordt hier niet genoemd. Mogelijk was R. Nachman van mening dat die geen rood lint kreeg! [Tosafot.]

Ravin verklaart in naam van R. Jonatan: het lint voor de Rode Koe woog tien zoez, dat van de bok twee selaïem en dat van de metsora één sjekel.

R. Jochanan: Er is een meningsverschil tussen R. Sjim’on ben Chalafta en de Rabbanan over het gewicht van het lint voor de Rode Koe, of het 10 zoez of één sjekel is.

R. Jeremiahoe zei: hun meningsverschil is niet over de Para Adoema maar over de weg te sturen bok.

Hoe onthouden we over welk dier het meningsverschil bestond? Op de dag van deze discussie in de Jesjiwa, overleed Ravja bar Kisie en zijn dood deed verzoening, zoals de weggezonden bok verzoening doet.

Sjechita[1] door een zar

Een zar (lett.: vreemdeling) is in de volgende soegia iemand anders dan de Kohen Gadol. Dat kan zijn een andere Kohen dan de Kohen Gadol, of een niet-Kohen.

R. Jitschak: Ik heb geleerd dat een van de twee, de Para Adoema of de stier van de Kohen Gadol door een zar geslacht mag worden, maar ik weet niet meer welke.

De Gemara antwoordt: Rav en Smoeël discussiëren hierover, volgens de één is het de Para Adoema en volgens de ander is het de stier van de Kohen Gadol.

Rav Zeira verklaart: Numeri 19:2 begint met de woorden: „Zot choekat haTora – dit is de wet van Tora.” Het woord choekat duidt erop dat hetgeen erop volgt essentiëel is en moet worden uitgevoerd precies zoals het beschreven is (Rasji). Het volgende vers (ib. 3) luidt: „En jullie zullen haar [de Para Adoema] geven aan Elazar de [Hoge] Priester en haar buiten het legerkamp voeren en hij zal het in zijn aanwezigheid slachten.” Hieruit leidt Rav af dat de Kohen Gadol het zelf moet slachten, aldus R. Zeira, en dus was het Rav die meende dat alleen de stier van de Kohen Gadol op Jom Kippoer door een zar geslacht mag worden.

De Gemara werpt tegen: Ook in hoofdstuk 16 van Numeri, dat in zijn geheel handelt over de dienst van de Kohen Gadol op Jom Kippoer, staat in vers 11 dat de Kohen Gadol, namelijk Aharon, de stier moet slachten en dat onderwerp eindigt met de woorden (ib. 34): „Dit zal voor jullie zijn tot een choekat ‘olam [eeuwige wet].” Dus ook dit zou volgens de redenering van Rav moeten betekenen dat ook de stier voor de Kohen Gadol op Jom Kippoer alleen door de Kohen Gadol geslacht mag worden en niet door een zar?

De Gemara antwoordt: Slachten is geen awoda [bij alle andere offers mag het ook door een niet-Kohen gedaan worden]. En de woorden choekat ‘olam in vers 34 slaan op de awoda, dus niet op de sjechita.

De Gemara werpt tegen: Hetzelfde geldt voor het slachten van de Para Adoema? Dat is dan ook geen awoda en mag dus ook door een ander gedaan worden?

De Gemara antwoordt: De hele procedure van de Para Adoema is verschillend. Het dier wordt buiten de Tempel geslacht en is geen offer, dus geen van de handelingen ermee kunnen awoda genoemd worden, dus de woorden: „ Zot choekat haTora – dit is de wet van Tora” kunnen niet alleen op die handelingen slaan die een awoda zijn, maar slaan op alle handelingen die met de Para Adoema te maken hebben, inclusief de sjechita.

De Gemara vraagt: Is het niet raar dat het slachten van de stier van de Kohen Gadol op Jom Kippoer, hetgeen een zondoffer is, door een zar gedaan mag worden, maar het slachten van de Para Adoema, dat geen offerdier is, niet?

Rav Sjisja de zoon van Rav Idie antwoordt: Net zoals de symptomen van tsara’at alleen door een Kohen beoordeeld mogen worden [hoewel dat geen awoda is], zo ook mag het slachten van de Para Adoema alleen door een Kohen gedaan worden.

Uit het bovenstaande volgt dat Sjmoeël van mening was dat als de stier van de Kohen Gadol door een zar geslacht wordt, hij pasoel is. Hij baseert zich vermoedelijk op Numeri 16:11 [zie hierboven]. En dus meent Sjmoeël dat de Para Adoema wel door een zar geslacht mag worden.

De Gemara vraagt: Hoe verklaart Sjmoeël dan Numeri 19:2 en 3 [zie boven]?

De Gemara antwoordt: Vers 3 eindigt met de woorden: „En hij zal het in zijn aanwezigheid slachten.” Dat betekent (volgens Sjmoeël) dat een ander (een zar) het voor hem – Elazar – zal slachten. Er staat niet wie het zal slachten, dus het kan ook een niet-Kohen zijn!

De Gemara vraagt: En hoe verklaart Rav deze woorden van het vers?

De Gemara antwoordt: Dit betekent volgens Rav dat Elazar, de Kohen Gadol zijn aandacht niet van het slachten mag laten afleiden. En dat mag hij ook niet volgens Sjmoeël, maar die leidt dat af van een ander vers (ib. 19:5): „En hij zal de koe voor zijn ogen verbranden.” En volgens Rav zijn beide verzen nodig, 19:3 opdat hij zijn aandacht niet van het slachten aflaat leiden en vers 5 opdat hij zijn aandacht ook niet van het verbranden zal afleiden.


 

Daf 42b

Nog een discussie over het slachten door een zar

Rav Ami zegt dat een Para Adoema door een zar geslacht mag worden, en Rabbi Jitschak Nafta zegt dat het dan pasoel is. De mening van R. Oela is niet duidelijk.

Een Baraita leert: In Numeri 19:18-19 staat: „Een reine man zal hysop nemen en dat dopen in het water… en de reine zal op de onreine spatten op de derde dag en op de zevende dag. Volgens de Rabbijnen betekent dit dat wanneer het sprenkelen met water door een vrouw gedaan wordt of niet overdag, het ongeldig is. En het hoofdstuk begint met de woorden „Zot choekat haTora – dit is de wet van Tora.” Uit het woord Tora blijkt dat alle handelingen die in dat hoofdstuk genoemd worden, alleen door een man en niet door een vrouw gedaan mogen worden en alleen overdag, met uitzondering van die handelingen die door het woord „dit” worden bedoeld, n.l. het verzamelen van de as, het gooien van het water op de as en het door elkaar mengen daarvan, hetgeen wel door een vrouw en ook ’s nachts gedaan mag worden. Maar de rest, dus ook het slachten mag niet door een vrouw gedaan worden.

De discussie tussen Rav en Sjmoeël gaat over de betekenis van het woord ‘hij’ in: „hij zal het in zijn aanwezigheid slachten.” Volgens Rav is dat Elazar, volgens Sjmoeël iemand anders. De Baraita leert dat het geen vrouw mag zijn. En alles wat een vrouw niet mag doen, mag een zar niet doen. Dus wordt met ‘hij’ Elazar bedoeld en niet een zar.

 

De verschillende voorwaarden voor de verschillende onderdelen van de Jom Kippoer-dienst

Oela begint een lange analyse van het hoofdstuk over de Para Adoema-dienst concludeert dat sommige pesoekiem een bepaalde procedure van een vorige pasoek continuëren en dat anderen dat omdraaien voor de volgende procedure.


 

[1] sjechita – het slachten.