Archief Joma

Aanmelden

donderdag 20 juli 2006

24 Tamoez 5766

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 43

Door Zwi Goldberg

Verklaring van de psoekiem (vervolg)

Oela vervolgt zijn lange analyse van de psoekiem van Numeri hoofdstuk 19, die de dienst voor de Para Adoema beschrijven. Hij analyseert welke psoekiem de voorwaarde van de vorige psoekiem continueren en welke psoekiem de vorige voorwaarde omdraaien. Hier volgt eerst een analyse van de reden waarom het woord Kohen steeds herhaalt wordt.

Vers 3: „En jullie zullen haar [de Para Adoema] aan Elazar de Kohen geven.” Dat betekent dat hij geen andere koe tegelijkertijd zal slachten [met een extra lang mes, zodat hij twee koeien tegelijk de keel kan doorsnijden]. En het vers vervolgt: „En hij zal haar voor hem slachten.” Dat betekent volgens Rav dat hij zijn aandacht er niet van mag laten afleiden en het betekent volgens Sjmoeël dat een niet-Kohen de koe mag slachten.

vers 4: „En Elazar de Kohen zal wat van haar bloed nemen met zijn vinger.” Het feit dat Elazar de Kohen opnieuw genoemd wordt, betekent volgens Sjmoeël dat deze handeling weer door Elazar zelf gedaan moet worden (en niet door een niet-kohen), en volgens Rav betekent het een beperking na een beperking [er was al gezegd dat alleen Elazar de dienst mag doen en dat wordt nu herhaald, dat betekent een uitbreiding in plaats van een beperking], dat juist een niet-Kohen de bloedsprenkeling mag doen. [Een van de regels, volgens welke bij traditie Tora verklaard wordt, is dat als er tweemaal dezelfde beperking genoemd wordt, de tweede beperking geen beperking meer is, maar een uitbreiding. In ons geval: de tweede keer dat Elazar genoemd wordt, impliceert: ‘of iemand als Elazar’.]

Vers 6: „En de Kohen zal cederhout, hysop en rode wol nemen.” Het woord Kohen betekent hier volgens Sjmoeël dat dit volgende deel van de dienst weer door een gewone Kohen gedaan mag worden, en Rav is het daarmee eens en volgens hem wordt hier de Kohen expliciet genoemd om te voorkomen dat men zal denken dat dit deel van de dienst weer door de Kohen Gadol zelf gedaan moet worden.

Vers 7: „En de Kohen zal zijn kleren wassen.” Het woord Kohen is hier overbodig (er had kunnen staan: hij moet zijn kleren wassen) en dus komt dat extra woord iets anders vertellen, namelijk dat de Kohen zijn priesterkleding moet dragen als hij de dienst van de Para Adoema doet.

En het vers gaat verder: „En de Kohen zal tamee blijven tot de avond.” Ook hier is het woord Kohen overbodig en dat extra woord komt ons vertellen dat ook in toekomstige generaties de Kohen zijn priesterkleding moet dragen bij deze dienst.

Vers 9: En een reine man zal de as van de koe verzamelen en hij zal het buiten het legerkamp leggen op een reine plaats.” Het woord ‘man’ betekent dat ook een niet-Kohen dit werk mag doen, want anders had er kunnen staan: ‘en hij zal, enz.” En het woord ‘reine’ (dat overbodig is, want er is sprake van een chataat, dat rein moet zijn) komt vertellen dat ieder rein persoon, zelfs een vrouw dit mag doen. En de woorden ‘hij zal leggen’ impliceren dat iemand die niet zijn volle verstand heeft en dus niet weet waar hij het moet leggen dit niet mag doen, namelijk een doofstomme, een dwaas en een klein kind.

Het mengen van het water van de Rode Koe

Vers 17: „En zij zullen voor de onreine nemen van de as van het verbrande chataat en hij zal er levend [bron-] water bij doen in een schaal.” Een Misjna in traktaat Para (5:4) leert: Iedereen [die rein is (Rasji)] mag [het water met de as] mengen, behalve een doofstomme, een dwaas en een kind. R. Jehoeda keurt een kind goed, maar diskwalifi­ceert een vrouw en een hermafrodiet [tweeslachtige]. Het woord ‘zij’ betekent volgens de Rabbijnen dezelfde personen die in vers 9 gekwalificeerd, resp. gediskwalificeerd werden, want daar werd het mengen besproken en dat is de handeling die komt vóór de in dit vers besproken handeling. Maar R. Jehoeda zegt: Als dezelfde persoon bedoelt wordt als in vers 9, dan had er moeten staan: „En hij zal voor de onreine nemen, enz.”  in plaats van zij. Het feit dat er zij staat betekent dat zelfs een kind het mag doen. Maar het vers gaat verder en zegt: „En hij zal er levend water bij doen,” en er staat niet: „En zij.” Maar de Geleerden verwerpen deze redenering, want als er tweemaal ‘zij’ had gestaan, zouden we gedacht hebben dat dit hele onderdeel door twee personen gedaan moet worden.

Het sprenkelen van het water

Vers 18: „En een reine man zal hysop nemen en dat in water dopen en spatten op de tent en op alle voorwerpen en op de personen die daar aanwezig waren.” Volgens de Geleerden, die voor de vorige handeling een vrouw goed keurden, komt het woordje ‘man’ hier vertellen dat hier alleen een man het mag doen en een vrouw niet, en het woord ‘rein’ komt vertellen dat een minderjarige deze dienst ook mag doen. En volgens Rabbi Jehoeda, die meent dat voor de vorige dienst een vrouw gediskwalificeerd is, maar dat een kind het wel mag doen, betekent het woord ‘man’ dat een kind dit deel van de dienst niet mag doen en het woord ‘rein’ betekent dat een vrouw [die rein is] het wel mag doen.

Daf 43b

Vers 19: „En de reine zal de onreine besprenkelen.” Er had ook kunnen staan: ‘En hij zal besprenkelen.’ Het schijnbaar overbodige ‘de reine’ impliceert dat hij eerst onrein was, maar nu rein is geworden voor deze dienst, maar hij is nog niet rein van andere diensten, dat wil zeggen: een tewoel jom[1].

Sjechita door een zar

De Gemara rond de discussie af, die bovenaan daf 42a begon, over de vraag of een zar de Para Adoema mag slachten:

Een Tanna leert: Alle handelingen die vereist zijn voor de sjechita, mogen gedaan worden door een zar, met uitzondering van die voor de sjechita van een Para Adoema. Maar Rabbi Jochanan houdt vol dat deze tekst foutief is en dat geen enkele sjechita door een zar gedaan mag worden.

De tweede Widoei

De Gemara keert terug naar de Misjna op daf 41b, waar staat: Daarna leunt hij met beide zijn handen op zijn stier voor de tweede maal en zegt: „Alstublief Hasjem, ik heb opzettelijk gezondigd, ik heb opstandig gezondigd, ik heb onopzettelijk gezondigd, ik en mijn gezin en de andere Kohaniem, Uw heilig volk.”

De Gemara vraagt: Waarom zegt de Kohen Gadol  in de Misjna op daf 35b onderaan niet ook: „En de andere Kohaniem”?

De Gemara antwoordt: Een Baraita leert: Het is beter dat een onschuldige om vezoening vraagt voor een schuldige, dan dat een schuldige dat doet. [Bij de eerste zondebelijdenis die genoemd wordt in de Misjna op daf 35b is de Kohen Gadol zelf nog schuldig aan overtredingen, maar daar heeft hij inmiddels verzoening voor gedaan en daarom kan hij nu ook verzoening vragen voor de andere Kohaniem.]

Het opvangen van het bloed en het verzamelen van de kolen voor de reukwerk-verbranding

Misjna De Misjna begint met een beschrijving van het slachten van de stier van de Kohen Gadol en het opvangen van het bloed daarvan, waarna hij dat geeft aan iemand die op de vierde rij stenen op de Binnenplaats staat, die het bloed omroert, opdat het niet zal stollen. Daarna neemt hij wat van de kolen van het altaar op een schep en legt dat op de vierde rij stenen van de Binnenplaats. [Later zal de Kohen Gadol daar het reukwerk op leggen, en zal hij die schep met kolen en reukwerk naar het Allerheiligste brengen.] De Misjna vervolgt: Alle andere dagen schept een Kohen de kolen op met een zilveren schep en gooit die dan over op een gouden schep. Maar op deze dag [Jom Kippoer] schept hij het op met een gouden schep.

Alle andere dagen schept hij het op met een schep van vier kabbien[2], (R. Jossie zegt: een schep van een se’a[3]), en gooit het over op een schep van drie kabien, vandaag schept hij het op met een schep van drie kabbien.

De Misjna noemt nog een groot aantal andere dingen op die anders zijn op Jom Kippoer dan op andere dagen: De schep is lichter – het handvat is korter – de schep is van rood goud (andere dagen van geel goud) – hij offert twee extra handen vol reukwerk – het reukwerk is extra fijn – hij gaat in het midden de helling naar het altaar op en gaat er in het midden weer af, in plaats van aan de westkant omhoog en aan de oostkant omlaag (R. Jehoeda zegt: hij loopt altijd in het midden) – hij wast zijn handen en voeten uit een gouden kruik, in plaats van onder de kior. R. Jehoeda zegt: dat doet hij altijd. Rabbi Meïr zegt: er waren op Jom Kippoer vijf brandstapels in plaats van vier, maar R. Jossi zegt: op Jom kippoer waren er vier in plaats van drie. Rabbi Jehoeda zegt: drie in plaats van twee.


 

[1]. tewoel jom – Iemand die deze dag in het mikwe is geweest omdat hij onrein was geworden, maar op wie nog een beetje toema rust totdat het nacht is. Hij maakt troema en kodasjiem onrein door aanraking.

[2] kav (mv. kabbien) –  inhoudsmaat van ± 1,4 liter.

[3] se’a – inhoudsmaat van ± 8,2 liter (6 kav).