Archief Joma

Aanmelden

vrijdag 21 juli 2006

25 Tamoez 5766

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 44

Door Zwi Goldberg

Het verbod op de toegang tot het Heiligdom

De Misjna zegt dat de Kohen Gadol het bloed geeft aan iemand die op de vierde rij stenen van de Binnenplaats staat. Letterlijk staat er echter: „Op de vier rij stenen van het Heiligdom.” De Gemara protesteert hiertegen, want er staat geschreven (Leviticus 16:17): „En geen mens mag in de Tent der Samenkomst zijn op het tijdstip dat hij [de Kohen Gadol] binnenkomt om verzoening te doen in het Heiligdom, totdat hij naar buiten gaat.” Dus hoe kan er dan een Kohen op de vierde rij tegels van het Heiligdom staan?

De Gemara corrigeert daarom de Misjna: hij staat op de vierde rij tegels op de Binnenplaats [zoals wij al vertaald hebben].

De Gemara analyseert verder: De pasoek spreekt over een verbod om de Tent der Samenkomst binnen te gaan, d.w.z. in de woestijn. Het woord ‘Heiligdom’ impliceert dat het ook verboden was in Sjilo, waar het Heiligdom een tijd gestaan heeft en ook in de Tempel.

Wat brengt de verzoening?

Vers 16:17 vervolgt: „En hij zal verzoening doen voor zichzelf, voor zijn huis en voor heel het volk Israël.” Een Baraita leert dat de verzoening in die volgorde gebeurt.

De Gemara vraagt: Welk onderdeel van de dienst precies doet de verzoening?

De Gemara antwoordt: Numeri 17:12 zegt: „En hij legde het reukwerk erop en deed verzoening voor het volk.” Hieruit volgt dat het de verbranding van de ketoret is, die verzoening doet.

Rabbi Jisjmaël leert: Het doet verzoening voor lasjon hara [kwaadsprekerij]: iets dat privé – in afzondering – geofferd wordt, doet verzoening voor een overtreding die privé – in afzondering – gedaan werd [het reukwerk wordt in volledige afzondering geofferd, want het vers zegt dat niemand anders dan de Kohen Gadol op dat moment zich in het Heiligdom mag bevinden en de lasjon hara wordt in het algemeen privé gedaan.

Uitbreiding van het verbod tot het Heiligdom

Tora (Lev. 16:17) verbiedt  de toegang tot het Heiligdom tijdens het verbranden van het reukwerk, een Misjna [Keiliem 1:9) gaat een stapje verder en leert: Wij moeten ons verwijderen uit het gebied tussen de ‘Oelam[1] en het Altaar tijdens het verbranden van het reukwerk. [Dit is een verbod dat door de Rabbijnen is ingesteld.]

R. Elazar: Deze Misjna geldt alleen voor de tweemaal dagelijkse verbranding van het ketoret in de Heichal, maar het geldt niet voor de verbranding van de ketoret in het Heilige der Heiligen op Jom Kippoer.

Rav Jossi bestrijdt deze uitspraak van R. Elazar aan de hand van een Baraita. Volgens hem geldt het verbod ook voor de verbranding van de ketoret in het Heilige der Heiligen en ook tijdens het sprenkelen van het bloed van de stier van de Kohen Gadol, en van de andere zondoffers die binnen gebracht worden.

De Gemara antwoordt: Nee, de Baraita verbiedt de aanwezigheid van ieder ander tussen de Heichal en het Altaar alleen tijdens de dagelijkse verbranding van het reukwerk in de Heichal, die direct aan die ruimte grenst, om te voorkomen dat iemand per ongeluk de Heichal op het moment van de verbranding binnen zal gaan, hetgeen een verbod van Tora is.

De Gemara corrigeert de interpretatie van de Baraita: Niemand mag in Heiligdom komen, zowel tijdens de verbranding van het reukwerk, als wanneer het niet verbrand wordt, maar het gebied tussen de Oelam en het Altaar is alleen verboden tijdens het verbranden van het reukwerk.

Daf 44b

De heiligheid van de Oelam

Tora verbiedt dat iemand anders dan de Kohen Gadol zich in de Heichal bevindt tijdens de verbranding van het reukwerk  en de sprenkeling van het bloed in het Heilige der Heiligen op Jom Kippoer. Dat staat in het hierboven aangehaalde vers Leviticus 16:17. De Heichal moet ook ontruimd worden tijdens de tweemaal daagse verbranding van het reukwerk in de Heichal en tijdens het sprenkelen van het bloed daar, van alle binnen-zondoffers.

Bovendien hebben de Rabbijnen bepaald, dat het gedeelte van de Binnenplaats tussen de Voorkamer van het Heiligdom en het buiten-Altaar ontruimd moet zijn tijdens de verbranding van het reukwerk en de bloedsprenkeling in de Heichal, ter voorkoming dat iemand daar per ongeluk naar binnengaat. Maar deze ruimte hoeft niet ontruimd te worden tijdens de verbranding van het reukwerk en het sprenkelen van het bloed in het Heilige der Heiligen.

Er is een meningsverschil over de status van de Oelam – de Voorkamer. Volgens sommigen is de heiligheid ervan gelijk aan die van de Heichal, en moet het volgens Tora ontruimd worden tijdens de dienst van het reukwerk en de bloedsprenkeling in de Heichal zowel als in het Heilige der Heiligen. Volgens anderen heeft de Voorkamer dezelfde din als de Binnenplaats, het gebied tussen het Altaar en de Voorkamer. Volgens deze mening hoeft de Voorkamer alleen ontruimd te worden volgens Rabbijns decreet en alleen tijdens de dienst in de Heichal, maar niet tijdens de dienst in het Heilige de Heiligen.

De gouden schep

De Gemara vraagt: De Misjna zegt dat de Kohen Gadol de rest van het jaar de kolen met een zilveren schep opschept , waarna hij het overgooit in een gouden schep (maar op Jom Kippoer schept hij op met een gouden schep). Waarom dit verschil?

De Gemara antwoordt: Om te voorkomen dat de dure gouden schep slijt.

De Gemara vraagt: En waarom schept hij op Jom Kippoer met een gouden schep op?

De Gemara antwoordt: Om het de Kohen Gadol op deze zware dag iets makkelijker te maken. [Hij hoeft het nu niet over te gooien.]

Het verschil in afmeting van de scheppen

De Misjna leert dat op andere dagen van het jaar de Kohen Gadol de kolen opschept met een schep van vier kabbien en ze dan overgooit in een schep van drie kabbien. Een andere Misjna (Tamied 33a) leert dat daarbij één kav kolen verloren gaat, die de Kohen Gadol wegruimt in het kanaal dat door de Binnenplaats stroomt. Een Baraita zegt echter dat er twee kabbien verloren gaan. Hoe kan dat? Volgens de Rabbijnen, die zeggen dat hij overgooit van vier kav naar drie kav is het verlies van één kav verklaarbaar. Maar twee kav? En het klopt ook niet volgens R. Jossi, die in de Misjna zegt dat hij het opschept met een schep van een se’a, dat is zes kav. Volgens hem zouden er drie kabbien verloren gaan?

Rav Chisda verklaart: Het volgt de mening van Rabbi Jisjmaël, de zoon van R. Jochanan ben Beroka, die gezegd heeft dat de Kohen Gadol de kolen op een schep van twee kabbien het Heiligdom binnenbrengt, en dan gaan er inderdaad twee kabbien verloren, wanneer hij het opschept met een schep van vier kabbien.

Rav Asji verklaart: De Misjna volgt Rabbi Jossi. Hij bedoelde dat de kolen werden opgeschept met een schep ter grootte van een woestijn-se’a, dat was een kleinere se’a, die maar vijf kabbien mat.

Het gewicht van de schep

De Misjna vermeldt dat de schep op Jom Kippoer lichter was dan die welke de rest van het jaar gebruikt werd. Dat kwam doordat de zijkanten van de schep van dunner metaal waren gemaakt.

De lengte van het handvat van de schep

De Misjna leert dat op Jom Kippoer het handvat langer was dan de rest van het jaar. De Gemara verklaart dat op die manier de Kohen Gadol het uiteinde van het handvat onder zijn arm kon steken, zodat de schep makkelijker te dragen was.

De kleur van goud

Rav Chisda heeft gezegd: Er zijn zeven soorten goud:

1. Gewoon goud;

2. Goed goud.

3. Het goud van Ofier (zie I Koningen 9:28);

4. Verfijnd goud;

5. Sjechoet goud;

6. Gesloten goud;

7. Goud uit Parvajim [een plaatsnaam].

Betreffende (1) en (2): Genesis 2:12 zegt: „En het goud uit dit land is goed. Dus er bestaat kennelijk gewoon goud en goed goud.

(vervolg volgende daf)


 

[1] Oelam – voorkamer van het Heiligdom.