Archief Joma

Aanmelden

zaterdag 22 juli 2006

Sjabbat 26 Tamoez 5766

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 45

Door Zwi Goldberg

De kleuren van goud (vervolg)

Het verfijnde goud wordt zo genoemd omdat het lijkt op fijne parels (Rasji).

Sjechoed-goud wordt zo genoemd omdat het kan worden gesponnen als een draad [sjenitvè kechoed] en is een samentrekking van die woorden.

Gesloten goud wordt zo genoemd, omdat wanneer dit goud verkocht wordt, sluiten alle winkels die ander soort goud verkopen, want die verkopen dan niets meer.

Parvajim goud lijkt op het bloed van pariem – stieren. Het is het meest gewaarde goud en wordt gebruikt voor de schep.

Rav Asji zei dat er maar vijf soorten goud zijn [de laatste vijf van Rav Chisda] en dat van iedere soort er een gewone en een goede kwaliteit bestaat.

De kwaliteit van het reukwerk

De Misjna zegt dat op Jom Kippoer er extra fijn reukwerk gebruikt werd, zoals er staat in Leviticus 16:12: „En hij zal een vuurpan vol kolen nemen… en zijn beide vuisten vol fijngestoten reukwerk van specerijen…”.

De Gemara vraagt: Exodus 30:36 („En je zult daarvan tot een fijn poeder stampen”) zegt toch al dat het fijngestampt moet zijn?

De Gemara antwoordt: Dit vers (Lev. 16:12) komt vertellen dat het extra fijn moet zijn op Jom Kippoer.

Verdere verklaringen van de Misjna

De Gemara vraagt: Waarom gaan de Kohaniem naar het Altaar om hoog aan de oostzijde?

De Gemara antwoordt: Omdat als een Kohen het Altaar opgaat, hij zich alleen naar rechts mag omdraaien, d.w.z. naar het oosten.

De Gemara vraagt: En waarom gaat hij op Jom Kippoer in het midden omhoog?

De Gemara antwoordt: Dat is ter ere van de Kohen Gadol. [Een belangrijk persoon, zoals een Koning, loopt in het midden.]

De Gemara vraagt: Waarom wast de Kohen Gadol op deze dag zijn handen en voeten uit een gouden kruik?

De Gemara antwoordt: Dat is voor de eer van de Kohen Gadol.

De brandstapel

De Misjna vermeldt dat er volgens Rabbi Meïr iedere dag vier brandstapels op het altaar waren, maar op Jom Kippoer vijf, terwijl R. Jossi en R. Jehoeda afwijkende meningen hebben.

Een Baraita noemt ook drie meningen en verklaart ze nader:

R. Jehoeda: Iedere dag waren er twee brandstapels, een grote voor de offers en een kleine voor het reukwerk.  En Op Jom Kippoer is er een derde brandstapel, voor het speciale reukwerk van die dag.

R. Jossi: Iedere dag waren er drie brandstapel, een grote voor de offers, een kleine voor het reukwerk en nog een derde waaraan het grote vuur kan worden aangestoken en op Jom Kippoer is er een extra brandstapel voor het speciale reukwerk van die dag.

R. Meïr: Iedere dag waren er vier brandstapels, en de vierde is voor de verbranding van de ledematen en vetstukken, die niet volledig verbrand waren. En op Jom Kippoer is er een extra voor het reukwerk.

De Gemara noemt de bronnen uit Tora voor die drie Tannaïem.

De Gemara bespreekt vervolgens hoe R. Jehoeda en R. Jossi het probleem oplossen, dat ontstaat bij minder brand­stapels en hoe zij de psoekiem interpreteren die R. Meïr aanleiding gaf te veronderstellen dat er vier brandstapel waren. R. Meïr meent dat het grote vuur werd aangestoken met kleine takjes, die zelf werden aangestoken aan een apart vuur, maar R. Jehoeda meent dat het grote vuur door de Kohaniem brandend gehouden werd en niet hoefde te worden aangesoken.

De Gemara vermeldt vervolgens de discussie tussen R. Meïr en de andere Geleerden over de noodzaak van een extra vuur voor de verbranding van de vet- en ledemaatresten. Rabbi Meïr leidt dit af van het woordje ‘en’ in Leviticus 6:2: „…En het vuur van het altaar…”. Dit woordje ‘en’ is overbodig en R. Meïr gebruikt het om er een boodschap mee af te leiden. De Hebreeuwse letter Wav die dit woordje ‘en’ weergeeft, komt volgens hem een extra vuur toevoegen. Maar de Rabbijnen hechten aan die extra letter Wav geen speciale betekenis en volgens de Rabbijnen worden de ledematen en vetstukken die ’s nachts niet volledig verteerd zijn, teruggelegd in het grote vuur.

Daf 45b

De extra brandstapel voor het Jom Kippoer-reukwerk

Hoewel er dus verschillende meningen zijn over het aantal brandstapels gedurende de rest van het jaar, is iedereen het erover eens dat op Jom Kippoer er een extra brandstapel is, waar de kolen voor de verbranding van het reukwerk vanaf gehaald worden.

De Gemara vraagt: Hoe weten wij dat dit noodzakelijk is?

De Gemara antwoordt: Dat wordt afgeleid van de woorden ‘en’ en ‘het’ in het vers (Lev. 6:2): „En het vuur [WeHaEesj] op het altaar.”

Rambam zegt dat er geen speciale functie was voor dit extra vuur, maar dat het diende ter opluistering van het altaar, zodat de bovenkant daarvan eer extra mooi uitzag. Wij begrijpen daaruit dat Rambam meent dat de kolen, die gebruikt werden voor het ketoret, genomen werden van de „tweede brandstapel voor ketoret,” zowel voor het dagelijkse reukwerk als voor het speciale reukwerk dat op Jom Kippoer verbrand werd in het Kodesj Kodasjiem.

De Gemara gaat verder met het analyseren van de verzen van Leviticus 6:1-6 en de betekenis van de herhaling van de woorden ‘vuur’ in die verzen.