Archief Joma

Aanmelden

zondag 23 juli 2006

27 Tamoez 5766

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 46

Door Zwi Goldberg

Nadere verklaring van R. Meïrs vierde brandstapel

R. Elazar verklaart, in naam van Bar Kapara, dat R. Meïrs vierde brandstapel gebruikt werd om de overgebleven ledematen en vetstukken van de vorige nacht, die niet volledig verbrand waren, alsnog te verbranden, en dat men daar iedere dag, zelfs op Sjabbat een extra vuur voor maakt.

De Gemara vraagt: Wat nieuws vertelt Bar Kapara? Dat leert onze Misjna toch al?

Rabbi Awin antwoordt: Het nieuws is, dat ook ledematen die pasoel zijn, maar weer terug op het Altaar gebracht werden, verbrand worden op dit vierde vuur [want een algemene regel zegt: wat omhoog is gegaan (op het Altaar is gebracht), wordt niet meer omlaag gebracht (Rasji)].

R. Awin licht nader toe: Echter, dit geldt alleen voor ledematen en vetstukken die al door het vuur zijn aangetast, maar als zij nog niet door het vuur werden aangetast, dan wordt geen speciaal vuur voor hen aangestoken [maar worden zij verbrand op de gewone brandstapel].

Anderen zeggen: Zowel voor kosjere ewariem [ledematen] als voor die welke pasoel zijn wordt een nieuw vuur gemaakt als zij reeds geschroeid werden, maar als zij niet geschroeid zijn, dan worden zij op de gewone brandstapel verbrand.

En zelfs op Sjabbat

De Gemara vraagt: Wat is er nieuws aan de mededeling dat er zelfs op Sjabbat een extra vuur gemaakt wordt? We hebben in onze Misjna toch al geleerd dat er zelfs op Jom Kippoer een extra vuur gemaakt werd voor het speciale reukwerk-offer van Jom Kippoer? [En als het op Jom Kippoer mag, dan mag dat toch zeker ook op een ‘gewone’ Sjabbat?]

Rav Acha bar Ja’akov antwoordt: [R. Jisjmaël zegt in Traktaat Sjabbat 113a-114a dat als Jom Kippoer op zondag valt, de resten van de ledematen en vetstukken van Sjabbat op Jom Kippoer verbrand worden, maar dat als Jom Kippoer op een werkdag valt, de resten van gewone werkdagen niet op deze dag verbrand worden.] Bar Kapara leert ons dat de woorden van de Misjna niet die van R. Jisjmaël zijn, maar dat op iedere Sjabbat of Jom Kippoer een nieuw vuur aange­stoken wordt om de resten van de vorige nacht te verbranden.

Rawa vraagt: Maar onze Misjna zegt toch dat er volgens R. Meïr iedere dag vier brandstapels waren, d.w.z. ook Sjabbatot! [Dus wat nieuws vertelt Bar Kapara ons?]

De Gemara antwoordt: Dat is inderdaad een probleem! [Dit is geen weerlegging, want Bar Kapara kan antwoorden: iedere dag betekent iedere werkdag (Ritva).]

De verbranding van de korbanot van vrijdag op Sjabbat

Rav Hoena is het niet eens met Bar Kapara en Rawa, dat de restanten van de korbanot van werkdagen op Sjabbat worden verbrand. Volgens hem mag wel het eerste deel van het dagelijks offer op Sjabbat worden uitgevoerd [d.w.z. het slachten en de bloedsprenkeling en het offeren van de ledematen voor het dagelijks offer van Sjabbat] maar het laastste deel van het dagelijks offer [van vrijdag] zet Sjabbat niet opzij. [Rav Hoena interpreteert de woorden ‘iedere dag’ van onze Misjna dus als ‘iedere werkdag’.]

De Gemara vraagt: Wat wordt bedoeld met ‘zet Sjabbat niet opzij’?

1e Antwoord (Rav Chisda): Het betekent dat het wel de wetten van Sjabbat opzij zet, maar de wetten van toema niet opzij zet. [D.w.z. normaliter mag alleen een Kohen die tahor is de offers brengen, maar wanneer er geen reine Kohen beschikbaar is, maar het dageklijks offer – het tamied – door een onreine Kohen geofferd worden. Echter volgens deze mening mogen de stukken van vrijdag niet op Sjabbat in toema geofferd worden]

2e Antwoord (Rabba): Het einde van het dagelijks offer zet de wetten van toema wel opzij, maar het zet de wetten van Sjabbat niet opzij. [Dus de ledematen van het dagelijk offer van Sjabbat mogen wel in toema verband worden, maar de stukken van vrijdag die nog niet verbrand werden, mogen niet op Sjabbat verbrand worden.]

Daf 46b

Het uitdoven van kolen die van het Altaar verwijderd werden

Als iemand de kolen die hij van het altaar heeft opgeschept voor de verbranding van het reukwerk of voor het aansteken van de Menora, uitdooft, dan is hij volgens Abbajjé zweepslagen schuldig, want hij heeft het verbod [(Lev. 6:6): „Het (altaarvuur) zal niet gedoofd worden”] overtreden.

Abbajjé beschouwt de kolen nog steeds „het vuur van het Altaar” ook al is het eraf genomen.

Rawa zegt dat hij niet strafbaar is, want zodra de kolen van het Altaar zijn afgenomen, is het geen altaarvuur meer.

De Gemara vraagt: Rav Nachman heeft gepaskend dat wie een kool van het altaar vuur mee naar beneden neemt en dooft, strafbaar is. Is alleen Abbajjé daar mee eens? [Dat kan niet want er is een algemene regel dat de uitspraken van Rav Nachman wet zijn. En een andere Talmoed regel zelt dat als er een discussie is tussen Abbajjé en Rawa, de halacha Rawa volgt (met bepaalde uitzonderingen die hier niet van toepassing zijn)].

De Gemara antwoordt: Rawa is het ook met Rav Nachman eens, want de kolen, waar Rav Nachman het over heeft, werden niet voor een mitswa van het altaar gehaald. Daarom waren ze nog  ‘altaarvuur.’ [maar wanneer het met de schep van het Altaar is afgehaald voor de verbranding van het ketoret of voor het aansteken van de Menora is het  vuur van de schep’ of ‘het vuur van de Menora’.]

De Gemara vermeldt een andere versie van de discussie over het uitdoven van een kooltje, nadat kolen van het Altaar zijn verwijderd voor de reukwerkschep of voor de Menora: Als iemand een kooltje van het Altaar afhaalt en hij dooft het beneden op de grond, dan is iedereen het erover eens dat hij niet strafbaar is. Hun discussie gaat over een kooltje dat gedoofd werd nadat het van het Altaarvuur verwijderd was maar dat zich nog bovenop het Altaar bevindt.  Abbajjé zegt dat hij dan stafbaar is met zweepslagen [want hij heeft het verbod (Lev. 6:6): „Het zal niet gedoofd worden” overtreden, want het hoort nog bij het Altaarvuur]. Maar Rawa zegt dat hij niet strafbaar is [want nu het van de brandstapel is verwijderd, heet het geen Altaarvuur meer]. En het kooltje die hier ter discussie staat werd van het Altaarvuur verwijderd voor een andere mitswa [n.l. voor het verbranden van het reukwerk of  voor het aansteken van de Menora], maar het kooltje waar Rav Nachman het over heeft, was eraf gehaald zonder de bedoeling van een mitswa en iedereen is het erover eens dat men dan strafbaar is.

 

Verdieping

We leren in onze soegia dat wanneer het kooltje van het Altaarvuur verwijderd is voor een andere mitswa, namelijk om het reukwerk te verbranden of om de Menora aan te steken, het zijn status van ‘altaarvuur’ verliest.

In Traktaat Rosj Hasjana (32b) staat dat als iemand op een Sjofar blaast als een mit’aseek, dat de tekiot dan pasoel zijn. De Ran [Rabbeinoe Nissiem] legt uit dat het hier gaat over iemand die op de Sjofar blaast, niet omdat hij de mitswa voor het blazen op Rosj Hasjana wil doen, maar omdat hij een andere mitswa wil doen, bijvoorbeeld, als hij kinderen wil leren hoe ze op een sjofar moeten blazen. Dan heeft hij die andere mitswa, namelijk het onderwijzen van kinderen volbracht, maar de mitswa van het blazen van een tekia voor Rosj Hasjana niet. Want wanneer men een mitswa doet met de bedoeling om een andere mitswa te doen, dan is alleen die laatste mitswa vervuld, maar de andere niet.

De Atèret Zwi bewijst deze stelling van de Ran met behulp van onze soegia, waar eveneens het kooltje zijn status van altaarvuur verliest, zodra er een andere mitswa mee gedaan wordt.

HADRAN ALACH TARAF BAKALPIE

(Wij zullen naar je terugkeren hoofdstuk vier)